Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Arie Bom, de Haagse “terrorist”, doet verslag van zijn ervaringen in het “Oranjehotel”, kamp Amersfoort en kamp Vught, 1942-1943


Kamp Amersfoort

Arbeidscommando verlaat Kamp Amersfoort; bron: Archief Eemland .

Overzicht


Inleiding

Adrianus Jacobus Bom (Arie, Rotterdam 1895-), oud-lid van de k.a.p.n., gaf in Den Haag, in 1932-1934, De Radencommunist uit, en, in 1936-1937, met Cajo Brendel, Proletarische Beschouwingen; hij staat op lijsten van de c.i.d. 1938-1939; in 1939 zelfs als “terrorist” vermeld (*). In de collectie van Cajo Brendel, i.i.s.g. , map 39, bevindt zich een document dat als “autobiografie” van Arie Bom is omschreven, maar dat een verslag blijkt te bevatten van zijn ervaringen in het “Oranjehotel”, kamp Amersfoort en kamp Vught. Hij schrijft na de oorlog, waarschijnlijk in 1948, een voor een paar voormalige, volgens hem krankzinnig geworden, c.p.n.-ers erg belastende verklaring, en een voor een s.s.-collaborateur ook een sterk ontlastende verklaring. Deze getuigenverklaring is, voor zover bekend, nooit eerder openbaar gemaakt, en ook niet opgenomen in de dossiers van de processen tegen de personen over wie hij verklaringen heeft opgeschreven; Arie Bom vraagt zich juist af hoe rechters kunnen oordelen over hoe men zich in kampen gedroeg.
In de bestaande literatuur over de kampen Amersfoort en Vught komt, voor zover bekend, zijn naam niet voor, en hij vertelt ook niets over zichzelf. Zijn beschrijvingen van het kampleven zijn echter heel precies, en komen overeen met wat daarover elders te vinden is; alleen gaat hij in op veel meer “details” en hij oordeelt anders. Erg jammer is dat het slot ontbreekt. 19 oktober 1944 valt Vught in Geallieerde handen, maar Arie Bom was al eerder, in april 1944, weer thuis. Daarna blijft hij actief in de anarchistische “Vrije Groep” in Den Haag.
Voor de leesbaarheid zijn spelling, grammatica, interpunctie en stijl van dit soms lastig leesbare manuscript bewerkt; een scan van het origineel is bijgevoegd.

Bron:  Beschaving en cultuur der Nazi’s / Arie Bom.

*) Er is ook een meer precies politieverslag van een vergadering te Den Haag in 1938: “De Vrije Socialisten organiseerden op maandag 26 september j.l. in “Ons Huis” aan de Prinsegracht alhier, een besloten vergadering, welke door plm. [=ongeveer] veertig personen werd bezocht. Van bespreking van het aangekondigde onderwerp “Bellamy” werd afgezien en besproken werd het dreigende oorlogsgevaar. Adrianus Jacobus BOM, geboren Rotterdam, 7 september 1895, schetste op de hem eigen laag bij de grondse manier, de onvredelievendheid van het kapitalisme. Thans, aldus spreker, komt het er op aan te tonen, dat “wij” revolutionair zijn. Wanneer de werklozen gevraagd worden loopgraven te maken, moet zij het “verdommen”. Geef je op straat bij de courantenbureau’s e.d. niet bloot. Voer de opdrachten, die dikwijls maar voor enkele personen georganiseerd worden, uit. Als b.v. een trein met munitie ergens heen moet en er zijn enige dappere kerels, die deze trein willen doen ontsporen of in de lucht willen laten vliegen, dan eist dit het werk van enkele koene kameraden en kan daarover in het openbaar niet gesproken worden. Wij behoeven op geen andere groepen te rekenen. Onze taak is des te zwaarder. Toch kunnen wij, als groep georganiseerd optreden, zware klappen uitdelen. Dus ieder op zijn post, geen discussies, doch ieder aan het werk.” (c.i.d.-verslag , 15 oktober 1938).
Arie Bom heeft zijn louter verbale anarcho-radicalisme, dat zonder gevolg bleef, duur betaald, maar hij heeft het overleefd.


Beschaving en cultuur der Nazi’s / Arie Bom

1942. Het “Oranjehotel” te ’s-Gravenhage (1) zat barstensvol met politieke gevangenen en zwarthandelaren. De kleine cellen, een vijf meter lang en een paar meter breed herbergden vijf gevangenen, een daarvan sliep in een houten krib, de andere vier sliepen op een matras op de grond. Eentonig boven de hoofden van de gevangenen klonk de loop van de schildwacht op het dak.

De gehele dag loerde de s.s. (2) door het kijkgaatje van de cel wat de gevangenen uitvoerden en wee zijn gebeente als een van gevangenen zich op de stro-matras bevond of probeerde door kloppen zich verstaanbaar te maken aan de makker in de andere cel. De s.s.-man rende dan in de cel, brulde dan als een leeuw, deelde schoppen en slagen uit, hield het “luchten” in en verdere straf was afzondering in een aparte cel, geen luchten, geen warm eten etc. alleen een klein stukje brood met water.

Het niet luchten was een zegen, want het bezorgde de gevangenen vele martelingen. Op een buitenplaats van het “hotel” moesten de gevangenen allerlei oefeningen doen die door Nederlandse gevangenen gecommandeerd werden. Looppas, diepe knie-buigingen, armbewegingen, stonden op het repertoire van de Edel-Germanen. De s.s. was daarbij met zweep of knuppel aanwezig; de ouden van dagen en zieken die het tempo niet bij konden houden werden met de zweep en knuppel afgeranseld of ontvingen harde trappen met de laarzen tegen het onderlijf. Hoewel nergens veilig was het dan in de cel nog het veiligst. Dagen gaan eentonig voorbij; iedere gevangene heeft zijn eigen zorg, denkt altijd dat hij er beter voor staat dan de anderen en spoedig in vrijheid zal komen.

Er zijn er ook die totaal niet weten waarvoor ze opgepakt zijn, er zijn er weliswaar bij die dit zeggen omdat zij verraad vrezen, maar velen zijn er die het zeker niet weten. Bij veel heen en weer gepraat komt wel eens uit, dat iemand, een vijfentwintig jaar geleden, lid van de communistische partij geweest is. De Nederlandse bureaucratie schijnt genoeg gegevens voor de heren te hebben achtergelaten.

De dag verstrijkt zeer langzaam met praten en met het ver[?]elten van de ene “maaltijd” op de andere. Twee maaltijden per dag, een stukje brood, watersoep of “gestampte” pot. Bij iedere warme maaltijd drukken de gevangenen hun neuzen tegen de celdeur om te ruiken wat de pot schaft. Honger en nog eens honger is het verloop van elke dag.

De nachten zijn lang maar niet altijd rustig, het hysterische gegil, het vloeken der s.s. hoort men dag en nacht. ’s Nachts worden grote groepen gevangenen binnen gebracht, meest joods, vrouwen en kinderen. Het schreien der vrouwen en kinderen klinkt boven de herrie van de s.s.-ers uit. In de cel wordt zacht gesproken: “Wat zal er met die arme vrouwen en kinderen gebeuren?” “Vader, moeder, waar ben je?”, klinkt het hartverscheurend in de nacht. We stellen vast: Bij de “moffen” is de grootste zekerheid de onzekerheid.

Het komt veel voor dat ’s nachts geallieerde vliegtuigen overkomen, het gehele “Oranjehotel” is dan op zijn post. Het geklop op de muren gaat van cel tot cel, zal dat de invasie zijn, zullen we nu eindelijk bevrijd worden??? Zo dachten de gevangenen van dag tot dag, van jaar tot jaar. Hoeveel illusies zijn niet wreed verstoord geworden, hoeveel ter dood veroordeelden hebben zelfs nog enige dagen voor hun dood op een dergelijke redding gehoopt?

Op een nacht in het najaar van 1942 was een geweldig tumult in het hotel, de kolven van vele geweren klonken hard op de stenen vloer. Het zal ongeveer drie uur geweest zijn, de celdeuren worden losgemaakt, s.s.-ers treden binnen en roepen namen op. Een celgenoot fluistert: “Jullie gaan naar huis, zo vroeg is er nog nooit een transport geweest.” Altijd maar dezelfde illusie: In vrijheid.

De afgelezen gevangenen moeten snel naar buiten treden, met hun gezicht naar de muur en handen in de hoogte. Waarom alles snel moet gebeuren zal wel een geheim van de “moffen” zijn, want de gevangenen moeten zo uren blijven staan. Dan klinkt het bevel “aantreden” en moet er geteld worden. In het tellen zijn de Duitsers meesters. Tientallen malen moeten zij overtellen eer het klopt. Dan klopt het en toch weer niet en begint de marteling weer van voren af aan. Alles klaar, 800 gevangenen met honderden zwaar gewapende s.s.-ers verlaten in de ochtendschemering het “Oranjehotel” met een voor de gevangenen onbekende bestemming.

”Vrije” Nederlanders komen voorbij, durven niet op te zien en kijken schuw naar de grond. De eerste bestemming is het station Scheveningen, een trein staat voor, instappen weer snel, haast ruggelings tegen elkaar geplakt, verboden uit de raampjes te kijken, er mag in het geheel niet naar buiten gekeken worden. Vrezen zij de stille aanklacht der vrije natuur? Vrezen zij onbekende getuigen?

“Moffen” brullen, vloeken, mishandelen, maar zijn laf en bijgelovig.

Nu weer tellen in de trein, het valt niet mee dat tellen want we zweten als ossen. De trein vertrekt, wat zal het lot zijn van deze 800 gevangenen, en dus weten wij: Geen vrijheid, maar wel vreselijke onderdrukking. Zij lachen elkaar toe en fluisteren: “Kop op, moed houden”. De joodse Brammetje zegt: “Leve het socialisme, wij zijn eeuwig, de Nazi’s tijdelijk”.

De trein rolt verder door Nederlands mooie landschap, zullen de gevangenen dat ooit nog terugzien! Velen hebben nog een sigaretje, snakken naar een haaltje, maar de s.s.-ers verbieden het roken. Het herenvolk neemt het er zelf goed van, dik belegde boterhammen en de ene sigaret na de andere terwijl de gevangenen van ’s nachts 3 uur nog niets gegeten of gedronken hebben. Huizen naderen, de gevangenen kijken er ontroerd naar, niemand zegt iets, velen pinken een traan weg, maar spoedig herstellen zij zich, de vijand gunt men het ogenblik van zwakte niet. Huizen, huizen, het is Mokum wat nadert, waarheen is het eindpunt. De trein staat stil, uitstappen, snel opstellen om te tellen, er dreigt gemor, op het perron zijn vele reizigers, er moest er eens een tussen hen verdwalen. Veel kans was daartoe niet, iedere gevangene had minstens één s.s.-er naast zich. Een ieder wilde wel vluchten, maar de konsekwenties werden snel overdacht, bij mislukken, een dodelijk schot, lukte het wel dan werd vrouw, kind, vader of moeder weggehaald. Nee, konsekwent blijven, de lijdensbeker ledigen tot het bittere einde. Voor het eerst komen de ongelukkigen iets te weten, overstappen naar… Amersfoort (3).

Weer rolde de trein des doods verder, de gevangenen, met hun baarden van weken, maken een trieste indruk. Weer werd gefluisterd: “Amersfoort, het vernietigingskamp”. Een koude rilling liep over hun ruggen, was het nu wel zo erg wat men vertelde of zou het toch nog meevallen? Er werd toch in de Nazi pers geschreven dat de Duitsers geen barbaren waren? Neen, gemakkelijk zouden de gevangenen het niet hebben, die lessen hadden ze reeds gekregen in het “Oranjehotel”, maar Duitsers zijn toch ook mensen, hebben toch ook vrouwen, kinderen, en vaders en moeders. We leefden toch niet meer in de duistere middeleeuwen, van folterkamers en brandstapel? “Kop op”: zei Brammetje de jood, “we naderen onze nieuwe woning” en de trein stond stil, Amersfoort. Uitstappen, snel opstellen en weer tellen, daar was nog wel een uurtje mee gemoeid.

18 September 1942, een stralende najaarsdag, ’s middags te twee uur marcheren 800 Nederlandse gevangenen, die vanaf ’s nachts 3 uur in de weer waren, zonder een korstje brood of druppel water door de stille, ja zelfs uitgestorven straten van Amersfoort naar de bossen waar zich het kamp bevindt. De “nieuwe woning” temidden van de prachtige bossen met zijn heerlijke dennennaaldenlucht.

In het kamp. Modderige binnenplaats, houten barakken genummerd van 1 tot 4, het zijn de beruchte Blokken. Op de achtergrond ter aanbouw enige stenen barakken. De gevangenen stellen zich op de binnenplaats op, de s.s. staat met geweer bij de voet, het heldenstuk is bijna volbracht; eerst nog tellen. De kamp s.s.-ers komen uit hun barakken, het blijkt het administratief personeel te zijn.

Een Nederlands jongmens van ongeveer twintig jaar en inciviel begroet de gevangenen hartelijk met “schoften”, “ploerten”, “bolsjewisten” en deelt ferme klappen en schoppen uit. “We zullen jullie nou wel krijgen”. Ook enige Hollandse gevangenen treden nader bij met een band om hun arm, waarop stond “Blokleider”, “Voorman” en “Lager-Führer”. Ook deze begroeten de gevangenen insgelijks. “Koppen dicht, klauwen uit je zakken.” Deze medebroeders namen de organisatie ter hand. Een s.s.-er stond voor de gevangenen op tien meter afstand. De Hollandse Lager-oudste die een geweldige brul-stem had en daarmede de Duitsers verre de baas was, deelde zijn bevelen uit. “Wanneer je naam wordt uitgeroepen loop je in looppas naar de arbeidsdienstleider (s.s.) en roept “Hier”.

Vele gevangenen hadden het niet begrepen en of waren met hun gedachten bij zij die ze liefhadden, hoorden hun naam niet of liepen te langzaam naar de s.s.-leider. De uitwerking was verschrikkelijk, de arme weerloze mensen werden op hun gezicht gestompt dat het bloed er afliep, weer een dezer werd bewerkt tegen zijn onderlichaam. Deze nieuwe gevangenen wisten niet hoe zij het hadden, wie waren die gevangenen met hun banden om hun arm, die hen zo afranselden. Zij waren Nederlanders, die beulen, en geen fascisten, want bovengenoemde beul luisterde naar de naam Willem Eegdeman (4) en was als communist gevangengezet. “Wat zien ze bleek” schreeuwde het heerschap, knecht van de “moffen”, “we zullen ze hier wel een kleurtje doen krijgen, het is zeer gezond hier.” Deze Willem Eegdeman was Blokleider van barak 2. Bij deze afschuwelijke mishandelingen en beledigingen stond de s.s.-er rustig toe te zien. Slechts dan grijpt de s.s.-er in als het er niet “vrolijk” genoeg toegaat.

De eerste acte was afgelopen, namen waren afgelezen en de gevangenen werden opnieuw geteld; ze konden eens “hier” geroepen hebben voor een ontvluchte kameraad. Wat een intelligentie, bij die “moffen”.

Op de binnenplaats bevindt zich aan het einde de keuken, bij de ingang het zieken-gebouwtje, “Kranken-Revier” genaamd. Langs het “Kranken-Revier” moesten de gevangenen marcheren, naar een houten barak om daar hun gevangeniskleren in ontvangst te nemen. Niet naar binnen, buiten spiernaakt uitkleden, joden, intellectuelen, priesters, predikanten, arbeiders; de gelijksschakeling was volkomen. Eén voor één gingen zij naakt de barak binnen en kregen het oude pakje van de militairen, broek, poeties (5), tuniek, kwartiermuts (6), sokken, klompen, wat vodden, wat ondergoed, glijdende wordt hij een nummer. Ze hadden opgehouden te bestaan, allen waren nummers geworden; weer aantreden, weer tellen. Het kamp rondom met prikkeldraad, s.s.-ers op de vele uitkijktorens, zwaar bewapend en met zoeklichten, een doolhof van uit- en ingangen, ook nog afgerichte honden, gekleed kom je er niet uit, laat staan naakt. “Moffen”-mentaliteit; trappen omlaag, likken naar boven. Nu naar de “kapper”. In een vunzig hokje worden ze bij drie tegelijk binnen gelaten en menige ogen blinken; daarna treden ze met kale hoofden naar buiten, de mens ontmenst.

Van ’s nachts drie uur, het is nu weer avond, nog geen eten, geen rust en nu naar de “Schreibstube” (7). Nederlanders vloeken je uit, mishandelen je, Nederlanders knippen je hoofd kaal, Nederlanders registreren je. Allen gevangenen, je mede-lotgenoten, maar velen zijn ook je vijanden.

Op de “Schreibstube” word je gevraagd waarom je “zit”, en als een gevangene zegt: “Dat weet ik zelf niet”, zegt de collega medegevangene: “Zeg nou de waarheid, want alles wordt onderzocht en wee je gebeente als je gelogen hebt”. Klinkt dit als een waarschuwing van je lotgenoot of is hij reeds zo onder “moffen”-invloed dat hij het al niet voor hen opknapt. Zoals later blijkt is de kampwet: Eet of je wordt gegeten. Niemand ontkomt daaraan. Is de inschrijving op de “Schreibstube” afgelopen, al je bezittingen, alles wat je nog herinnert aan de maatschappij je is afgenomen; dan wordt je misdadigers-lap afgeven; voor politiekers een rode, zwarthandelaars een zwarte, voor joden de bekende ster, voor politieke joden met een rode lap er onder, voor bijbelonderzoekers een paarse, voor rassenschenders – bijvoorbeeld een neger tijdens de bezetting met een blanke vrouw levende –, en voor misdadigers een groene. Een mozaïek van het maatschappelijk “uitschot”.

De nieuwe gevangenen worden verdeeld over de vier barakken. Zouden we nu kunnen rusten en eten krijgen? Velen vluchten naar de vieze houten w.c.’s, anderen hebben zich reeds bevuild, de kamp-ellende heeft een aanvang genomen. Een vluchtige blik van de “nieuwe” naar de anderen is voldoende, skeletten waar zij kijken; gebogen mannen, vooruit gestoken jukbeenderen, holle ogen. Zijn dat levende mensen of lieden die uit het graf zijn opgestaan? Veel tijd tot denken is er niet, de nieuwe moeten aantreden; snel, geen eten, geen drinken, geen rust.

Op de binnenplaats loopt Blokleider Willem Eegdeman met zijn knuppel in de hand op en neer. Hij heeft geen klompen aan maar schoenen, een polshorloge om zijn arm, “georganiseerd” van een van de slachtoffers. Nederlanders spreken van gestolen, de “moffen” van “georganiseerd”, een slechte lading die met een mooie vlag gedekt moet worden.

De nieuwe staan aangetreden, Willem commandeert in het Duits, zij moeten marcheren, looppas, liggen in vuil en modder, en zij die het niet goed doen of niet mee kunnen, ontvangen knuppel zo lang tot zij blijven liggen.

Bevel is bevel! Nieuwe commando’s volgen, “mutsen af, mutsen op”. Bij “mutsen af” moet een klap te horen zijn tegen het rechter been, bij “mutsen op” een beweging, de muts laten staan hoe die staat, hetzij scheef, of op het voorhoofd tot nieuw commando volgt. Komt een gevangene een s.s.-er tegen neemt hij de muts af, slaat hem tegen het rechter been, blijft in de houding staan tot de s.s.-er gepasseerd is. Worden gevangenen door een s.s.-er geroepen, blijft hij een hele meter van de s.s.-er afstaan, slaat zijn muts tegen het been, stram in de houding roept: “hier arbeidsdienstleider”, natuurlijk alles in het Duits. Wordt dit niet goed opgevolgd kan de gevangene in een uur doodgeranseld zijn. In het kamp is elke minuut je leven in gevaar. De nieuwe hebben hun lessen, zij het dan op bloedige wijze, ontvangen en strompelen de barakken buiten. Deze ene lange dag heeft de jonge mannen reeds tot oude, en de oude mannen tot wrakken gemaakt. Het breken van de geestelijke en lichamelijke kracht is begonnen. De nieuwen krijgen een paar honderd gram brood en een stukje worst na een twintig-urige marteling.

De anderen, de oude gevangenen staren met hun uitgeteerde blikken naar het brood, ze peinzen hoe ze het zullen “organiseren”, ze schreeuwen van honger. Eet of je wordt gegeten, en draait er zich maar eentje om, het brood is verdwenen. Vallen er kruimels op de houten tafel, ze vliegen er op aan en vechten er onderling om. Wie kan, die het waagt de kruimels van zijn buurman weg te halen; vreselijke scheldwoorden en verwensingen steken gunstig af bij de vechtpartij die er wel eens op volgt. De afgetobde en uitgeteerde lichamen, dikwijls met wonden overdekt, rollen over de grond, de ontmenste mens is erger dan het dier.

De barak. Een lange smalle houten zaal, met ijzeren ledikanten drie hoog op elkaar gezet. Lange houten tafels en banken en in het midden van de zaal een vulkachel (8) die zelfs bij de ergste kou maar sporadisch branden mag en waarvan het stooksel bestaat uit hout. De toewijzing van hout is echter zo weinig dat de gevangenen zelf aan het “organiseren” gaan, wat levensgevaarlijk is, daar dan materialen in de kachel verdwijnen, wat direct voor sabotage wordt aangezien. Iedere barak heeft een “Stube”-dienst bestaande uit de “Stube”-oudste en twee helpers. Deze “Stube”-dienst is de gehele dag binnen, zorgt dat de barak “sauber” is, haalt het eten aan de keuken in de gamellen en moet dit alles “eerlijk” verdelen onder de gevangenen. Zij zien er zelf flink en dik uit. De “Stube”-dienst was daardoor natuurlijk gehaat, maar zij die het hardst gescholden hadden en er later zelf in kwamen, deden niet anders. De kampwet gold voor een ieder. Dominees-priesters, jonkheren, generaals, communisten, socialisten: het was lood om oud ijzer.

Eenieder probeerde voor zich, zich te handhaven, wat praat men nu toch van moraal, de mens was tot het dierenrijk teruggekeerd, de mens handelde niet meer naar de moraal of het verstand, maar gehoorzaamde het dierlijke instinct, handhaven ten koste van anderen. Twee maal per dag was er eten, ’s middags warm en ’s avonds brood. Vooral bij het warm eten was er de grootste herrie, van drie hoog uit de ledikanten sprongen en klommen zij naar beneden, wie bij de ingang van de barak stond kreeg de indruk van apen die uit de bomen kwamen en met luid geschreeuw ergens op afvlogen.

De “Stube”-oudste die het eten verdeelde werd uitgevloekt, veelal was er niet meer als een halve liter, de “Stube”-dienst hield meestal een halve gamel achter voor henzelve en vrienden of om wat tabak te kunnen organiseren van de gevangenen die voor de Duitser sigaren maakten. In de kampen gaat het nu eenmaal precies als in de maatschappij, niets om niets. In de maatschappij waren het de zwarthandelaars die de mensen wel eten wilden geven maar tegen de meest ongehoorde prijzen. Ook dit was een aanslag op de Nederlanders; zij die niet in het zwart konden kopen, moesten eenvoudig verrekken. In de uitdeelpunten van de gaarkeukens werd onder de maat gegeven, het dunne boven gegeven, het onderste uit de gamel, het dikke, voor zichzelve behoudend, een halve gamel verkwanseld voor tabak etc. Alles georganiseerd precies zoals in de kampen, ook hier werd de één dik en stierf de ander aan uitputting. Maar er is zoiets als een dubbele moraal. De zwarthandelaren, de lieden uit de gaarkeukens, zij doken op bij de b.s. (9). en later bij de p.o.d. (10).

Ook organiseerden zij de vrijheidsfeestjes, eerzame burgers die nu schelden op die “honden uit de kampen”; zij lopen vrij rond. Zij die het in de kampen wat te bont gemaakt hebben, zagen hun familieleden niet terug (11) of werden gevangen genomen en horen nu jarenlange straffen tegen zich eisen, omdat ze niet als “goede Nederlanders” hebben gehandeld. Waar zijn de rechters die de kampgevangenen naar hun juiste maatstaf beoordelen en ze niet verantwoordelijk stellen voor dingen gedaan die ze bedreven door honger, waanzin, martelingen en terreur. Hier gaat een vergelijking met de maatschappij niet langer op.

Het begin van de dag. Om vier uur ’s nachts gaat de bel in het kamp te Amersfoort. Met één sprong moeten allen de ledikanten uit, zo niet; de “Stube”-dienst ranselt je er uit. Bij een niet zo drastisch optreden lopen ze het gevaar hun leven te verliezen. De Duitse s.s. is bij dag en ontij in de weer, daarbij komt nog dat als de Blokleider na de bel in de barakken staat, de gevangenen uit de ledikanten zou ranselen, ze dagen zonder dat beetje eten zet, en de “Stube”-dienst vervangt door een andere. De “Stube”-dienst is daar als de dood voor, extra eten en voordelen weg, in een buiten-“Kommando”, en in de buiten-“Kommando’s” zijn de mishandelingen ten-hemelschreiender en er vallen vele doden. Alleen de knuppel regeert.

Na het spontaan aankleden en naar de washokken die zich buiten bevinden. Weer naar de barakken waar de “Stube”-dienst een vocht uitdeelt, wat koffie moet heten, geen bete broods (12), alleen wat warm water.

Om vijf uur gaat weer de bel, de Blokleider roept: “Aantreden”, overgenomen door de “Stube”-dienst. Allen verdringen zich naar de nauwe uitgang van de barak; alles moet snel. De Blokleider staat met zijn knuppel in de nauwe ingang en beukt er links en rechts op, niemand ontkomt er zowat aan.

Het gejammer, gevloek en geschreeuw is niet van de lucht, de één stompt de ander om maar zo vlug mogelijk onder de knuppelslagen uit te komen. Het is het ontbijt dat voorafgaat aan een zware dag. Op de binnenplaats breekt de hel eerst recht los. De Blokleider en Lager-Führer brullen hun Duitse commando’s. Alle Blokken bieden apart aan en moeten op elkaar gericht zijn. Dit alles gebeurt in het duister. Er staat iemand te praten, Blokleider Willem Eegdeman rent toe en bewerkt gezicht en maag van het arme slachtoffer zo, dat hij niet toonbaar meer is. De Duitse s.s.-er Franzka (13), een Pool van geboorte, sluipt langs de gelederen en trapt met zijn zware laarzen tussen de benen van gevangenen die óf niet stilstaan óf aan het fluisteren zijn. Is alles uitgericht, dan klinkt het commando “muts af”; niet goed natuurlijk, tientallen malen overdoen, want ze moeten blijven staan tot het daglicht aanbreekt en de kampleiding komt om het appèl af te nemen. Bij mist blijven de slachtoffers staan, er wordt niet uitgerukt; bij mist kunnen ontvluchtigingen plaatsvinden en daar zijn de Duitsers als de dood voor. Is het appèl afgenomen, ’s morgens gebeurt dit vlug, er moet gearbeid worden, en Nederlanders hebben volgens de “moffen” nog nooit gewerkt, dan volgt het commando: “Naar de arbeids-“Kommando’s””. Zijn die benoemd dan wordt de voorman aangesteld, hij is nu verantwoordelijk.

Spaden en kruiwagens moeten gehaald worden in de looppas, een gevecht om de wagens en spaden ontstaat. Men slaat elkaar met de spaden in het gezicht, de een denkt zich met de spade beter te kunnen “drukken”, de ander denkt dat met de kruiwagen te kunnen doen. In een vlot tempo de poort uit naar de bossen, de kampcommandanten staan bij de ingang. ”Geen vreten vandaag”, brult er één, “Vuile luie schoften”. Het tempo is volgens dat heerschap niet vlug genoeg. De skeletten kijken elkaar aan en fluisteren: “Mag niet hinderen”. Het eerste voorproefje.

Op het werk. Een groep zieken en zwakken krijgt lichte arbeid, boomstammen zagen in het bos. De s.s.-ers bespieden de gevangenen uit alle hoeken. In het bos liggen beukennootjes en de gevangenen werpen zich op de grond als de boel veilig is en vullen hun zakken. Worden zij daarbij betrapt dan volgen vreselijke mishandelingen, ja zelfs de dood, of zij bezweken aan de mishandelingen. Ging alles goed, dan werd de maag gevuld met beukennootjes, sommigen namen er mee naar de barak om die te ruilen voor een stukje brood of warm eten. Men wilde toch ook vet in het eten hebben. Dikwijls kwam men niet zover, want voor de arbeids-“Kommando’s” gingen aantreden voor het eten, werd er gevisiteerd. Vielen er slachtsoffers – men zocht ook op het blote lijf – dan werd zo een gevangene letterlijk in stukken geslagen. Ook moet zo iemand wel op de grond gaan liggen, de s.s.-er trapte hem dan in zijn zijde, en dan moest hij moest zich omkeren voor de volgende zijde. Hij keerde zich dan zo lang om tot een schop een einde aan zijn leven maakte. Dicht bij de “houtzagers” bevindt zich een mesthoop, waarheen men kroop met alle gevaar van dien, om enige koolstronken te bemachtigen, die met drek en al naar binnen gingen.

Er was ook een man, de anarchistische schrijver Henk Eikeboom (14), die voor de Duitsers beukennootjes moest zoeken. Die schrijver is later in Duitsland met een schot in de nek afgemaakt, zeker uit dankbaarheid, want hij werkte in Vught (15) voor de Duitsers in een drukkerij.

Een ander “Kommando” was er voor het bouwen van een gevangenis temidden van het bos, waar ook civiele arbeiders werkten. Het was daar geen arbeidsveld, maar een slachtplaats in de ware zin des woords. De s.s.-ers stonden op een meter of tien afstand van elkaar met knuppel of spade. Een s.s.-er, de “Kerstman” (16) genaamd, zijn bijnaam vanwege zijn koddige houding en zijn idiote figuur met zijn grote laarzen aan, zelf een klein mannetje, was meester op de spade. De kruiwagens, onmenselijk vol geladen, moesten door het mulle zand gereden worden; de sterksten onder de gevangenen konden dat werk niet eens aan. Scherp werd opgelet dat de kruiwagen met een kop geladen werd en als de kameraad smeekte: “Niet zo vol”, dan antwoordde men niets. Hoe dikwijls was het niet voorgekomen dat iemand die de wagen niet goed vol deed doodgeranseld werd. Hard moest men blijven om zichzelve zo lang mogelijk in stand te houden. De bevrijding kon toch steeds komen???

Passeerde zij de s.s.-er dan viel de knuppel met volle kracht op de ruggen der weerloze slachtoffers. De “Kerstman” sloeg de gehele dag met de spade, men mocht van geluk spreken als hij de platte kant van de spade gebruikte. Menig gevangene heeft hij dood geslagen (17).

De s.s.-ers hadden een goede adem, de gehele dag werd gescholden en gegild. In de prachtige bossen van Amersfoort was het één groot gekkenhuis. Waren deze s.s.-ers zulke jonge mannen? Nee, de “Kerstman”, Franzka, “Popeye” (18) waren vijftigers, hadden dus ook de vorige oorlog leren kennen. Een jonge Hollandse s.s.-er Keizer (19) was een beest-mens van de ergste soort. Hij had één oog, men beweerde dat hij zijn oog kwijtgeraakt was aan het oostelijk front. Meestal waren hij en “Popeye” dronken op het “Kommando”. Keizer had het voornamelijk op de joden gemunt, hij maakte lasso’s, wierp die om de joden hun nek en trok aan tot ze ongeveer stikten. Over de doodsangst van de joden had hij vermaak. Nog erger maakte hij het toen hij een jood zijn arm bewerkte met een spade en wel zo dat de arm afgezet moest worden. Natuurlijk overleed de jood. De tweede dronkelap “Popeye” deed in misdadigheid niet onder, met zijn heze stem, die de gehele dag over het terrein klonk, vielen joden en “Ariërs” onder zijn stokslagen ter aarde. Franzka, “Kerstman”, “Popeye” en Keizer hebben ontelbare Nederlanders op verschrikkelijke wijze gedood.

Om twaalf uur ’s middags moesten de “Kommando’s” inrukken naar de barakken om hun beetje watersoep te nuttigen, zover ze niet gestraft waren en de gehele dag moesten doorwerken tot ’s avonds zes uur zonder eten. Op de binnenplaats moest weer appèl worden afgenomen.

De Lager-oudste Jan Hurkmans (20) (communist) liet zich gelden met “muts af” en “muts op”. Ging het niet goed dan bleef je oneindig staan zonder eten tot de arbeid weer begon. Dat heerschap zei eens: “Als je nog harder schreeuwen kan dan ik breng je het minstens zo ver als ik”. De tweede helft van de dag verliep gelijk de eerste, beulenwerk en mishandelingen, al waren de s.s.-ers in de tweede helft wat minder actief, zeker van het vele eten dat zij genuttigd hadden.

Maar de tweede helft was de gevaarlijkste, de s.s.-ers liepen rond en noteerden de nummers van hen die zogenaamd niet hard genoeg werkten. Zij moesten ’s avonds aan de ingang van het kamp blijven staan als de anderen de barakken ingingen. “Aan de poort staan” noemden de sadisten dat; zij moesten daar uren stram in de houding staan, bij felle kou regen en sneeuwjachten. ’s Avonds om zes uur werd ingerukt, de gevangenen stellen zich op, op de binnenplaats. De kampcommandant Berg (21) en “Nelis” (22), twee vreselijke sadisten, namen het appèl af nadat het eerst een uurtje africhten was geweest met “muts af”, “muts op”.

Het gebeurde zeker driemaal per week dat zij moesten blijven staan tot tien uur; dan waren de heren nog goed gehumeurd; waren ze het niet, dan kreeg je ook nog geen eten. Was er eens een ontvluchting, dan bleef je 48 uur buiten in weer en wind zonder eten. In Oktober 1942 was er een aantal joden binnengebracht. ’s Avonds bij het appèl werden twee jonge joden gemist. “Staan blijven” was het commando, de gevangenen die alleen maar aan zichzelf dachten, wensten dat ze gevonden werden, en ze werden gevonden, ’s avonds om elf uur. Het gekerm was vreselijk en we telden twee joden minder in het kamp. Het commando: “Inrukken” volgde; de doden waren vergeten, men wierp zich op het kleine beetje eten.

Midden oktober 1942 volgden de gebeurtenissen zich snel op. Op zekere dag moesten twaalf gevangenen zich in hun eigen goed steken. Ze waren zeer zenuwachtig en vroegen aan anderen wat er met hen gebeuren zou. Ingewijden zeiden om ze gerust te stellen: “Op verhoor in Utrecht”. Maar ze wisten beter, alle twaalf moesten voor het vuurpeloton. Er was namelijk op de trein Zutphen-Dieren een aanslag gepleegd en de daders waren niet gevonden.

O, Germaans recht, daarvoor moesten anderen boeten. ’s Avonds om tien uur van diezelfde dag kwamen de s.s.-ers op de barakken, maakten een heel lawaai en riepen de nummers van deze twaalf af, snel de matras af en ze kregen schoppen en stompen. Nog enige nieuwe nummers werden afgelezen en ’s nachts om twaalf uur werden vijftien mensen vermoord.

Eén keerde terug, Rienus Hageman (23), voorzitter van de vereniging van “Sowjet Vrienden” (24). Er moesten er vijftien gefusilleerd worden en er waren er zestien, weer niet goed geteld. Aan Hageman werd gevraagd hoeveel kinderen hij had en antwoordde zes. “Daaraan heb je het leven te danken”, werd hem gezegd, wat waren ze humaan; maar hij was te veel, ook een ander had dit kunnen treffen, want willekeurig was hij er uitgenomen.

Een week later werden de plegers van de aanslag gevonden, de aanvoerder was een communist, een man zonder benen, een invalide. Hij vertelde veel aanslagen gepleegd te hebben, fabrieken in brand gestoken, oogsten vernield, rails krom gebogen. Hij wist wat hem wachtte, maar hij was er trots op dat hij de Duitsers zulke parten gespeeld had (25). Enige dagen daarna werden vijftien van hen neergeschoten. Het Germaanse recht had weer gesproken.

Toen de eerste vijftien waren neergeschoten, waren de gevangenen de andere dag vrij. Zo was het denken afgestompt, dat ze meenden dat de “vrede” in de lucht hing. De waarheid was, de s.s. had ’s nachts moeten werken, graven delven etc. Bij zulke gevallen waren ze stomdronken en hielden dan de andere dag rust. In de kampen denkt men niet meer aan de gevallen kameraden, alleen aan de dag vrij, een dag zonder die onmenselijke arbeid en mishandeling.

In dezelfde maand werd een transport van honderd joden binnen gebracht onder wie wethouder De Miranda (26) van Amsterdam. Bij de gevangenis-bouw werden ze opgewacht door verheugde s.s.-ers en commandanten. Allen op hun klompen achter de kruiwagens, ook de 68-jarige De Miranda. De zwijnenstal. Het regende knuppelslagen, de voeten waren in een half uur door de klompen kapot en het uitvallen begon, ook De Miranda viel uit. Toen brak de hel eerst recht los, s.s.-ers en commandanten vonden elkaar. Communisten met s.s.-ers vlogen op De Miranda af, de eersten uitroepend: “Schijthuis, nu zal je niet meer in zes auto’s rijden en ƒ12 steun geven” (27). Onder die uitroepen vielen de verschrikkelijke slagen op het lichaam van De Miranda neer. Deze 68-jarige, gebroken oude man had nog de moed te zeggen: “Ik sta geestelijk te hoog om met jullie te spreken”. Twee dagen daarna was De Miranda dood. Hij was wat de Duitsers zo gaarne zeiden: “erledigt.” Nog vele andere joden werden op die afschuwelijke dag “erledigt.”

De s.s. had veel moordplannen op zijn program. Een gevangene moest plaats nemen in een kruiwagen, dan werd hij in een afgrond geworpen van meters diep. Met gebroken ledenmaten bleef de ongelukkige liggen en werd dan volgens de regels der kunst afgemaakt. Een schildwacht beveelt: “Gooi je muts over het prikkeldraad”, wordt het geweigerd, dan valt het dodelijk schot; is de muts over het prikkeldraad, dan klinkt het commando: “Halen.” Over het prikkeldraad is verboden, en het dodelijk schot valt; het is altijd prijs, hoe ook.

Het joden-“Kommando”. De joden kregen éénmaal per week in het geheel geen eten. Gingen de andere dag de barak binnen om hun beetje eten te nuttigen, moeten de joden weer naar buiten voor speciale oefeningen te maken. Looppas, liggen in vuil en modder en muts af en muts op. Het joodse “Kommando” was een apart iets.

Het was een zeer zware, roestige oude wals om de slechte binnenplaats gelijk te maken, tenminste, zo leek. Op deze wals hadden de sadisten een zware betonnen plaat gelegd. Tien joden met een touw over hun schouders stonden voor de wals om te trekken. Men stelle zich voor de Wolga-Bootman (28). De joden konden vanzelfsprekend de wals haast niet vooruitkrijgen, het regende dan stokslagen op de skeletten van deze arme lieden. Dit ging zo van ’s morgens zes tot meestal ’s avonds tien uur. Het joodse “Kommando” had twee beulen, Hollandse gevangenen, de voormannen Teun van Es (29), zijn politieke ingesteldheid was niet bekend en de Amsterdamse communist Zwerver (30). De eerste heeft ontelbare joden doodgeranseld, de tweede velen mishandeld, maar deed nog meer. Hij luisterde politieke gesprekken af, en bracht die bij de kampcommandant. Vele zijn door die beul gevallen voor het vuurpeloton. Als beloning werd hij als oppasser naar een gijzelaarskamp gestuurd. Later duikt hij op aan de Moerdijk in het werkkamp (31), de gevangenen takelde hij zo toe dat een been geamputeerd moest worden, waardoor hij naar Vught wordt afgevoerd. Daar deden zijn “kameraden” de rest en hij ziet Amsterdam niet meer terug.

Vele joden pleegden zelfmoord door ophanging, de s.s. verbood deze mensen los te maken, werd men daarbij overvallen, werd men zelf opgehangen, dus liet men de joden rustig hangen, de kampwet liet zich bij alles gelden.

De ziekenbarakken. Barak vier was de ziekenbarak. Het waren vier houten barakken met ledikanten bij drie op elkaar. In elke barak waren een paar honderd zieken, gewonden of stervenden. Ook de ziekenbarak had een Blokleider, Joop Greeven (32), bijgenaamd “Ome Joop,” een “Stube”-oudste met twee “Stube”-diensten.

Opknappende zieken deden met het werk van de “Stube”-diensten mee, ze kregen daarvoor extra hapjes eten. Het eten van de zieken was hetzelfde als van het gehele kamp, behalve dysenterie-patiënten, die kregen wat extra kost. De dokter kwam sporadisch, het werk was opgedragen aan een gevangene, genoemd de “Sanitäter”. Deze man was in het burgerlijk leven melkboer, behanger, of radiomonteur. Deze onderzocht zieken, ontsloeg ze, aan de onkunde van deze man was men overgeleverd.

Werd een zieke ontslagen gebeurde het zeer dikwijls dat de mens de andere dag dood was. Trad men de ziekenbarak binnen, dan rook het of men in de dierentuin was aangeland. De meesten hadden vreselijke voet- en beenwonden, de vreselijke kampkwaal die men in de regel niet meer te boven kwam, en ook veel open benen, t.b.c.

Hongeroedeem was een algemeen verschijnsel. Geneesmiddelen en verband waren er nagenoeg niet. Daarbij de behandeling door leken, zodat de ziekenbarak een groot jammerdal was. “Ome Joop” stelde clandestien dokters aan, die ook gevangenen waren, maar ondanks hun grote toewijding stonden ze machteloos tegenover de slechte voeding, onreinheid, geen geneesmiddelen en verband. “Ome Joop” hield er, zoveel als in zijn vermogen was, de hand aan, liet luizenmatrassen verbranden, liet dagelijks de gronden schrobben, tafels afschuren met een steen en zand en “organiseerde” uit de keuken meer eten voor de zieken wat niet zonder levensgevaar was. Daarbij liet hij vele mensen, uit alle standen van de maatschappij in de ziekenbarak opnemen (dit in samenwerking met de hoofd-“Sanitäters”) ook al waren ze niet ziek, hield ze aan het werk en redde zo tientallen het leven. Een kerel uit één stuk, daarover later. Eens per week was het luizencontrole, de zieken verschenen naakt voor de “Sanitäter” en deze lieden zochten tussen de haren op het lichaam of er luizen waren.

Was dit het geval, dan kregen zij een warm bad, schoon “ondergoed” en de luizenmatrassen werd verbrand. Ondanks alle zorgen, die men er zelf aan besteedde was het hopeloos, want het kwam ook voor dat er in geen maanden schoon goed was. En dan, wil de mens een hele tuniek hebben, schoon ondergoed, dan moest je wat afstaan van je beetje vreten aan hem, die ondergoed of bovengoed uitgaf. Luis, platluis, schurft waren het, die het lot van de slachtoffers nog verergerden. Vielen er doden dan kwam weer een speciaal joods-“Kommando” (de lijkenpikkers genaamd) die de doden weghaalden en brachten in een apart klein houten gebouwtje.

Na enige dagen (eerst had de “schouwing” plaats, sic[?]) kwamen de joden de lijken ophalen. Het kamp had één houten [?]e doodkist, het lijk werd er ingelegd, naar een put in het bos gebracht en de andere werd weer gehaald. In de ziekenbarak gebeurden de meest ongelooflijke dingen. Vele joden werden binnengebracht met ingetrapte schedel, maar niet altijd om rustig te kunnen sterven. De s.s.-er Franzka had een jood de schedel ingeslagen en nog maar kort op de ziekenbarak trad Franzka binnen en zeide dat de smerige jood direct buiten neergegooid moest worden. De arme kerel werd buiten in de modder gesmeten, Franzka legde een strop van touw naast hem: “ophangen of je wordt doodgeslagen”. Het was niet meer nodig, na korte tijd blies de man de laatste adem uit. Het koste zeer veel moeite om op deze ziekenbarak te komen. ’s Morgens om vijf uur riep elke “Stube”-oudste: “wie moet er naar de dokter, nummers opgeven”. Om negen uur moesten de zieken zich opstellen bij het “Kranken-Revier”, sneeuw, hagel, regen of vorst, buiten blijven staan. Dan kwam de “Sanitäter” en vroeg wat men scheelde, deze durfde de kampdokter-beul Nieuwenhuizen (33) niet te zwaar te belasten, en stuurde verschillende slachtoffers naar het werk daar ze óf simuleerden óf niet zo ziek waren. Beulen-“dokter” kwam om twaalf uur aan, de meesten moesten weer aan het werk of kregen “lichte” arbeid: Bomen zagen. Dikwijls kwamen de slachtoffers niet eens bij de “dokter” want dan had Franzka ze reeds met de knuppel weggeslagen. De joden hadden zeer weinig kans op ziekenbarak, hoewel deze met veel joden uiteraard gevuld waren.

Dat ging clandestien, de “Sanitäters” bij “Ome Joop” brachten de joden buiten de dokter om in de ziekenbarak. Toch gebeurde het wel dat de s.s. in de gaten had dat er vele joden op de ziekenbarak waren en dan ze moesten dan de barak verlaten. Stervenden en zwaar gewonde mannen strompelden dan naar buiten. Een andere manier om de joden de sarren was dat ze zich niet meer mochten laten scheren, wat anders één keer per week geschiedde. De eens zo intelligente mensen maakten een wel zeer droevige indruk op de anderen.

Toch was er in het kamp een zeer sterk antisemitisme, immers, de joden waren in de meest hachelijke positie, nog meer honger dan de anderen, zodat ze, “hun ras eigen”, probeerden te ruilen en te handelen, waarbij ze zelf aan het grootste eind trokken. Dan weer probeerden ze om de ergste mishandeling te ontgaan zich te drukken bij de arbeid tussen de “Ariërs” met als gevolg dat beide groepen op beestachtige wijze geslagen werden. Dit alles zette kwaad bloed bij de anderen, die sloegen weer op hun beurt de joden of scholden ze uit tot groot vermaakt van de Edel-Germanen. Een zwarthandelaar was slechts enkele dagen in het kamp, nam een knuppel en ranselde op de joden in en werd direct door de s.s. tot voorman bevorderd.

Eens per maand mochten de gevangenen, de joden uitgesloten, ƒ20 per maand van huis ontvangen voor cantine (34). Dit geld kregen ze niet in handen, maar konden in die maand fruit, tabakafval, ook wel eens gestoomde vis betrekken. Men kreeg voor die ƒ20 zeer weinig, de Duitsers zelf waren goede zwarthandelaren, dan werd er, voordat dit alles de barakken bereikte, flink gestolen door de Blokleiders en “Stube”-diensten. Scherp werd opgelet of de joden iets kregen, hoewel als de joden iets zouden mogen hebben, ze het toch niet kregen. Er waren er toch velen die van huis geen geld kregen, maar hun “kameraden” gaven niets. Het was ook niet te verwachten van deze door de honger geworden krankzinnigen. Het pleit van grote menselijkheid van “Ome Joop” dat hij op Kerstmis 1942 bevel gaf in de ziekenbarak het fruit te verdelen met de joden daarbij al hadden zij het nu eenmaal niet betaald.

Dat deze man toch een andere was dan andere Blokleiders, bleek uit het feit, dat de bekende Groningse schilder en leraar van de h.b.s. (35) J. Derks-Staats (36) achter zijn “kooi” een groot admiraals-schip geschilderd had. De barak waar “Ome Joop” sliep was met Kerstmis versierd, zij het op primitieve wijze, maar toch indrukwekkend. Op een schild stond te lezen: “Ome Joop, de vader van de zieken”.

Scherp werd opgelet dat geen kerkdienst gehouden werd, als iemand aangetroffen werd met een bijbeltje, of kerkboekje werd hij wis en zeker doodgeranseld door de s.s. De jood Worms uit Den Haag (37) stal eens in zijn vreselijke honger een paar appels. Welke onverlaat Worms heeft aangebracht, weet men niet, maar een uur na de diefstal was hij door de s.s. doodgeslagen.

Eens in de week ging men naar het bad, wat gelegen was naast het “Kranken-Revier”, in tien minuten tijd moest men gewassen zijn, maar de warme douche’s deden de arme lichamen goed. Wat een gezicht echter, grote kerels met benen en armen en achterwerk als een klein kind. Er waren er zelfs die schraal 40 kilogram wogen.

Elke maand werden de gevangenen gewogen, waartoe die comedie diende wist niemand, het zal wel gedaan zijn om de mannen geen rust te geven, rust is in de kampen onbestaanbaar, steeds moeten ze in beweging zijn, het verhaast de geestelijke en lichamelijke aftakeling. De geschoolde vaklieden hadden het nog het “beste”, de Duitsers konden ze “ausnutzen”, ze kregen wat meer brood voor hun arbeid en minder mishandeling.

Uit welke mensen bestond het kamp? Eerlijk gezegd uit 80% schurken, zwarthandelaren, clandestiene slachters, dieven. De 20% principiëlen waren ook niet allen zulke brave mensen; of ze vroeger reeds zo waren, weten we niet, het kan ook zijn dat ze in het kamp verzuurden en afgestompt zijn. Maar de schurken waren een blijvend gevaar voor de “goede Nederlanders”. Ze zorgden er steeds voor dat de mensen voor het vuurpeloton geplaatst konden worden. Een paar voorbeelden uit velen. In november 1942 werden honderden zwarthandelaren binnengebracht. Nog slechts enkele dagen in het kamp wisten zij wat “organiseren” was en enkele braken in, in de cantine. De Duitsers waren bij zulke gevallen zeker geen kinderen; eerst van de Hollandse leiders, de Blokleiders, opsporing en bestraffing, of anders vele Nederlanders voor het vuurpeloton. “Ome Joop” die steeds de schurken bestreed om daardoor de “goede Nederlanders” in het leven te houden, spoorde de daders op en gaf ze eigenhandig 25 stokslagen, daarmede was voldaan aan de wraak der Duitsers. Hij had het ook anders kunnen doen, ze eenvoudig overleveren aan de s.s.-er dan hadden ze of doodgeschoten of doodgeranseld geworden. Een andere keer breken deze lieden in, in de s.s. keuken. “Ome Joop” overvalt ze daarbij, en dient ze dezelfde bestraffing toe. Ook bij broodstelen treedt “Ome Joop” niet anders op, immers zo iets was een directe aanval op het leven van de andere kameraden, die krankzinnig geworden van de honger, en die de bete broods zeker niet ontberen konden.

Eenmaal was hij onjuist, maar ter overstaan van 650 gevangenen in de ziekenzaal bood hij excuses aan, aan de ten onrechte genoemde dief. Een ander optreden tegen de schurken was er echter niet, het was het uitvaagsel van de maatschappij, die zich ook in de kampen trachten te verrijken ten koste van het leven van de anderen.

Deze “Ome Joop” is na 4½ jaar bij de Duitsers vastgezeten te hebben, nog niet thuis geweest en is in handen van de p.o.d.

De zwarte zielen van het kamp, waar hij de strijd tegen aanbond ten behoud van vele eerlijke “goede Nederlanders”, hebben, op wraak belust, hem bij de p.o.d. aangegeven als de “beul” van Amersfoort. Tientallen protestbrieven zijn bij de p.o.d. binnengekomen omtrent de goede karaktertrekken van “Ome Joop”, al zal hij, is het wonder, ook wel eens gefaald hebben. De p.o.d. laat niet los en in de pers kwam de oproep: “Wie kent Joop Greeven, bijgenaamd ‘Ome Joop’ uit Amersfoort”. “Wie is nu eigenlijk Joop Greeven, beul of mens”, zo vraagt men. Een korte nabeschouwing volgt. Joop Greeven woont te Schiedam en was onderbaas bij de firma Wilton te Schiedam (38). Hij was lid van de Geuzenbeweging (39) die tot taak had de Duitsers zo veel mogelijk tegen te werken. Kort na het uitbreken van de oorlog wordt hij als zodanig gearresteerd.

Om volledig te zijn, hij werd gearresteerd 26 november 1940 op de fabriek van Wilton. Hij ondergaat vele verhoren, wordt zwaar mishandeld, maar noemt niet één van zijn medeplichtigen. 8 April 1941 wordt hij overgebracht naar Buchenwald (40) en te werk gesteld bij de “marmertroepen” (41). In januari 1942 worden hij en elf anderen “uitverkoren” uit een vijftigtal anderen om naar Amersfoort gezonden te worden om gevangenen uit Indië te verzorgen, zo werd medegedeeld. Joop Greeven sprak geen woord Duits. In Amersfoort kwamen geen mensen uit Indië, maar Russische gevangenen, waarover hij Blokleider werd. De Russen zagen in eenieder een vijand en probeerden Joop Greeven onschadelijk te maken. ’s Nachts spande hij touw om zijn krib, met lepels en pannetjes er aan, om bij elk verdacht geluid te kunnen opspringen. Toen de Russen zagen dat hij het goed met hen meende, noemde ze hem “vadertje”. Op een ochtend moesten alle Russen, ruim honderd aantreden. Vrachtwagens stonden klaar, ze smeekten om bij “vadertje” te blijven. Ze gingen het bos in, zij kwamen niet meer… alleen hun klompen kwamen terug. Het was de eerste massamoord in Amersfoort (42).

Joop Greeven was uiterlijk een ruwe kerel en wie hem hoorde blaffen, dacht met een vreselijke bruut te doen te hebben. Deze man was een edel mens, had een klein hart, ook al zwaaide hij met een knuppel. De Duitsers verlangden dit. Hadden de joden strafoefening, ze verlangden dat “Ome Joop” het commando had, ze wisten dan liep het los. Op een dag waren drie joden neergeslagen, twee konden weglopen, de andere was haast “erledigt” en Joop Greeven borg hem veilig, voor ze hem zouden doodslaan, in de ziekenbarak. De Lager-oudste Jan Hurkmans (communist) maakte een vreselijk spektakel tegen Greeven en eiste dat de jood weer naar buiten geworpen werd. Greeven weigerde en redde al was het dan tijdelijk, het leven van de jood. Greeven was eerlijk, hij lette nauwlettend op dat de zieken van hun rantsoen niet bestolen werden. Was dit het geval, men kon jonkheer, baron, generaal, predikant, priester, communist, socialist of jood zijn, je kreeg een afstraffing en wel zo dat het een tweede keer niet gebeurde. Door zijn toedoen zijn ontelbare Nederlanders van “hoog” tot “laag” weer in de maatschappij kunnen terugkeren. Deze zo merkwaardige man ontmoette men later weer in Vught.

Eind 1942 telde Amersfoort 3500 gevangenen, behalve de Amerikanen, die streng afgezonderd van de anderen in stenen barakken vertoefden.

Voor de Amerikanen schenen de Duitsers een andere maatstaf te hebben aangelegd. De vrouwen en mannen mochten de gehele dag bij elkaar blijven en behoefden ook niet te werken, behalve dan dat ze de barakken moesten schoonhouden. Dagelijks post en pakketten, auto’s vol levensmiddelenpakketten die direct bij de Amerikanen gelost werden en op naam werden uitgedeeld. De Amerikanen verbleven daar nog geen twee maanden en werden toch weer vervoerd, waarheen kwam men niet te weten.

Eind 1942 gingen geruchten door het kamp dat alle gevangenen naar andere kampen zouden worden overgeplaatst. Hoewel de Duitsers altijd allerhande geruchten verspreiden – het was nodig voor de zenuwenoorlog – was het toch deze keer raak. In de eerste week van januari begon de eerste uittocht van duizend man uit Amersfoort.

Reeds in het holst van de nacht moesten deze duizend man aantreden en voor het tellen van duizend man hebben de Duitsers een nacht nodig. Tegen de morgen rukten honderden zwaar bewapende s.s.-ers het kamp binnen om de troep te begeleiden. Het was zeer koud en de gevangenen hadden geen overjassen aan, die waren op de koude Kerstdag afgenomen. De enige bagage was twee dunne dekens en blikken etenspannetje en een lepel. Voor het vertrek deelde de commandant mede dat we naar Vught gingen en de bekende bedreigingen volgden wanneer men pogen zou te ontvluchten. De voormannen op hun klompen strompelden door Amersfoort naar de trein, geen publiek, alles in doodse stilte. Wat was dat met Amersfoort? Wie zal het zeggen. De ontvangst in Vught was een geheel andere. Hoe wist de bevolking dat Amersfoort zou arriveren? Geheel Vught en omtrek was uitgelopen, het was er zwart van de mensen. In de huizen waar gepasseerd werd de mensen voor de ramen. Mannen en vrouwen pinkten tranen weg, anderen lachten de gevangenen bemoedigend toe, de s.s. was op van de zenuwen, vloekten en dreigden. Deze troep van duizend man was ook verschrikkelijk om te zien, haveloze mensen, velen kreupel, de gezichten b[?] maar met de dood er op. Zulke magere mensen had de bevolking van Vught nog nooit gezien. Het waren wandelende geraamten. Voort ging het langs de lage weg voorbij de IJzeren Man (43) naar het kamp. De sympathieke Brabanders wisten van geen wijken, ze liepen voor, achter en opzij van de troep mee. Herhaaldelijk greep de s.s. in en joeg de menigte naar alle kanten heen, maar even koppig kwamen ze weer terug, het bloed van hun bloed zouden ze niet eerder loslaten, dan dat het niet anders meer kon. De gevangenen keken naar de huizen vol verlangen, wat zou er toch een leuke sfeer achter die gordijntjes heersen. Velen hadden al reeds in een paar jaar een huis van buiten noch van binnen gezien. Zouden ze het ooit nog zien?

Het kamp te Vught. Hier was een vergelijking met Amersfoort niet meer mogelijk, een ontzaglijk groot kamp, barakken en nog eens barakken zo ver het oog reikte. Barakken in aanbouw, een kamp wat voor de helft nog niet voltooid was en op een grote wildernis geleek. Een appèl-plaats was nog niet aanwezig de troep moest zich opstellen voor de barakken en uitgeteld worden. Voor het eerst stonden de gevangenen volkomen onder Duitse leiding. De baantjes-gasten uit Amersfoort bestonden niet meer, het waren Duitse Kapo’s (44), met de band van Blokleider om hun arm, die hier de lakens uitdeelden. De Kapo’s waren Duitse gevangenen, communisten, dieven en moordenaars, en deze Kapo’s waren groter bandieten nog dan de Hollandse leiders in Amersfoort.

De knuppel was het bekende wapen en deze viel rücksichtlos op de body’s van de gevangenen neer. Na het tellen werden de slachtoffers over de barakken verdeeld. Het eerste werk van de Kapo’s was, van de twee dekens die men meegebracht had er één af te nemen, één deken was voldoende. De barak bestond uit twee afdelingen, de eerste was de slaapzaal, een ruime grote zaal waar ook de ledikanten drie hoog stonden. Normaal kon zo’n slaapzaal een drie- tot vierhonderd man herbergen. Het tweede gedeelte was een lokaal, ook zeer ruim, waar gegeten werd. Houten tafels en banken waren het meubilair. Achter deze eetzaal bevonden zich de closets, dat was een grote verbetering t.o.v. van Amersfoort. Daarnaast lag weer het was-raum, waar men zich wassen kon.

Het voedsel wat verstrekt werd bestond uit wat waterachtige soep en pelkartoffels, drie stuks in het geheel. De Kapo was in dat domein heer en meester, hij had een paar Hollandse “Stube”-knechten die van ’s morgens vier uur tot in de nacht hard moesten werken, ze kregen zoals in Amersfoort er meer eten voor, maar ook dikwijls veel slaag van de Kapo. Verschillende Kapo’s zaten al acht à negen jaar en waren soms totaal krankzinnig. In de Duitse kampen hadden ze zelf vele martelingen ondergaan en waren later, om henzelf veilig te stellen, bereid alle sadistische streken op hun medegevangenen bot te vieren. Een goed voorbeeld doet goed volgen. De Kapo sliep op de eetzaal, niet met één deken maar zes. ’s Nachts als de gevangenen naar de w.c. moesten, gebeurde dit op hun tenen, de deur van de slaapzaal moest zachtjes geopend worden, want, o wee, als Herr Kapo wakker schrok, was het leed niet te overzien. Direct zette hij de barak in vele lichten schreeuwde de gevangenen de bedden uit. Hij sloeg ze met zijn knuppels en joeg ze naakt de buitenlucht in. Dan moesten ze zich opstellen, de “Stube”-dienst, aangekleed, moest tellen. Dan kwam het bevel pompen (diepe kniebuigingen) en dit ontzettende leed duurde soms wel een uur lang eer het bevel klonk: “Naar de bedden”. Longontstekingen waren er het gevolg van, en volkomen zonder medische hulp ook vele doden. Ook was er nog een andere strafoefening. Herr Kapo wordt wakker door het piepen van de deur: “Heraus”, brult hij. De gevangenen springen de matrassen af, en nu komt een walgelijke vertoning. Commando “op de bedden”, “uit de bedden”, “onder de bedden”. Zo’n vertoning kan uren duren en bekaf zoeken de mensen hun matras weer op. In de eetzaal mag niet gesproken worden, merkt of hoort de Kapo dit dan ranselt hij er op los, of slaat het pannetje met eten op het hoofd van het slachtoffer, of hij laat hem een half uur in diepe kniebuigingen zitten en schopt hem overeind als de krachten hem begeven. Ook smijt hij wel emmers water over de etenden heen. Zijn krankzinnigheid is ten top gestegen als hij ze allen naar buiten ranselt, het eten laat weg werpen en zelf rustig gaat eten. Het kamp-eten zelf nuttigt hij niet.

Hij “organiseert” boter, worst, kaas, vet, aardappels, groenten, veel “zwiebels”, vleesch, etc. Zijn eten kookt hij in de barak op de Duitse stenen kachel, en de lekkere geuren stijgen de arme gevangenen in de neus, het was soms om krankzinnig te worden. Dat eten kan hij gemakkelijk bereiken, want zijn Duitse collega-Kapo’s hebben de leiders op de keukens en in de magazijnen. Ook aan rookartikelen komt hij niets te kort. Natuurlijk weet de s.s. dit allemaal maar dat is beloning voor de diensten die zij dag en nacht bewijzen. ’s Avonds komt de Kapo op de slaapzaal met zijn helper en houdt voetencontrole. Men zal opmerken op reinheid is niets tegen, maar de uitgeputte mensen met geen lood vlees aan het lichaam, deze wrakken, vielen op hun strozak en sliepen in. De Duitsers waren niet zo rein, maar al deze dingen behoren tot het pesten van de gevangenen. Rusten mochten ze niet, rust was denken en denken doet de Führer; zij moesten afgestompt worden. Op een avond, alles sliep al, vliegt een s.s.-er van een twintig jaar de barak binnen, de Kapo schreeuwt dan “Achtung”. Zijn de mannen op, staan ze stram in de houding. “Heraus”, schreeuwt de snotjongen, de geslachtsdelen moeten gecontroleerd worden door… hem. Er zijn mannen die daar een vervuiling hadden, ze werden er tegen geschopt en geslagen. Op dit gebied was bij de Hollanders veel onwetendheid en velen waren reeds zo erg gebroken, dat ze zich ook niet meer schoon konden houden. Aan de Duitse “Sauberkeit” was weer voldaan. De Kapo was de gehele dag bezig bij de warme kachel, en wee de gevangene die ’s avonds de kachel durfde naderen, die kachel was het persoonlijk bezit van de Kapo en toch hadden ze precies als de Nazi’s hun mond vol met kameraad. Dit klonk walgelijk uit de mond van zo’n beul die de eerste beginselen van kameraadschap met voeten trad.

Om te laten zien hoe het met de reinheid van de Duitsers staat het volgende: ’s Avonds om negen uur moet men te bed liggen, men kleedt zich spiernaakt uit in de eetzaal. Het goed wemelt van de luizen, het wordt opgevouwen en op de tafels gelegd waarvan men eet. Naakt moet men ’s morgens naar het wasraum, nam de luizen kleren van de tafels af en kleedde zich en ging zijn stukje brood van die tafel nuttigen. Er waren zes closets, één daarvan was voor de Kapo’s, in de hoogste nood durfde er niemand op. Voor 3 à 400 mensen waren dus zes closets, belachelijk, in een queue stonden de mensen te wachten en namen direct de plaats van de anderen in: “Sauber”. In het kamp te Vught heerste een ontzettende schurft. Deze schurftlijders werden geïsoleerd op ziekenbarakken waar ze soms twee maanden lagen omdat er geen zeep en zalf was. Ondanks de hevige jeuk lagen ze daar veilig omdat geen s.s.-er het waagde op die barakken te komen.

Het drinken in Vught was niet te gebruiken, er was geen aansluiting op het gemeentenet, maar werd betrokken uit een zeer vieze put. Op de kraan hing een kaartje: “Verboten zu trinken”. Wat moesten ze dan, ze versmachten van dorst, dus dronken ze het onreine water. De uitwerking was verschrikkelijk, massa’s vielen de dysenterie ten offer. Van februari tot maart 1943 vielen tientallen slachtoffers per nacht. Het enige geneesmiddel wat ze kregen was twee sneedjes geroosterd brood per dag, verder niets. De uitgeteerde hongerige mensen stalen toen het eten van anderen, dronken water, bleven nog op closets zitten en bloeden leeg. De lijken werden opgestapeld in het wasraum ontdaan van alle kleding.

Op hun knie werd hun nummer geschilderd en zo lagen ze er een dag of veertien. Een verpestende lijkenlucht vulde de ruimte, de anderen stonden in hetzelfde wasraum zich te wassen. Niemand keek er meer naar, ze waren allen zonder uitzondering verzuurd. Op een avond kwamen dan de Kapo’s met kruiwagens om de lijken weg te voeren. De misdadigheid van deze Kapo’s kende geen grenzen; ze braken de lijken hun benen kapot om ze gevouwen op de kruiwagens te kunnen leggen, er konden er dan zoveel mogelijk op. Waar was de laatste weg heen? Waarschijnlijk naar massagraven in de bossen, want het crematorium kon het nog niet verwerken.

Op de ziekenbarakken hadden de Kapo’s de leiding daar bij gesteund door Hollandse doktors, ook gevangenen natuurlijk. Er ware vele goede artsen bij, maar konden niets uitrichten zonder gereedschap en geneesmiddelen. Aan hen is het toch te danken dat niet het gehele kamp te gronde werd gericht. Ook daar bleef de ziekenvoeding gelijk aan de kampvoeding, maar de Kapo’s waren beter dan die uit de barakken. Er waren werkelijk principe-mensen bij die hun Hollandse collega’s op de beste manier steunden. Het is een klein lichtpuntje dat gelukkig niet het hele Duitse volk verdorven is. Natuurlijk “organiseerden” ook zij het beste eten voor zichzelve, maar hetzij nogmaals herhaald dat Hollanders in functie’s niet anders deden. Trouwens het was daarin een zuivere afspiegeling van de maatschappij.

In het kamp waren overal straten aangelegd, het geleek een dorp, overal lieten de Duitsers op primitieve wijze bloemperkjes aanleggen, tot zelfs voor de barakken toe. Er was een zeer grote keuken die later zelfs voor 15.000 mensen het eten verwerkte. In aanbouw waren een badhuis, een bakkerij, een wasserij, een ziekenhuis en niet te vergeten… een gevangenis. Alles zetten de “moffen” groot op. Het werk was weer onmenselijk, het kamp moest ten spoedigste klaar, grote contigenten moest nog aangevoerd worden, de Nederlandse gevangenissen waren barstensvol. Straten in het kamp moesten worden aangelegd, nieuwe barakken verrezen. Alles moest in een moordend tempo gereed worden gebracht.

De gevangenen in Vught hadden hun oud militair pakje verwisseld tegen een blauw pakje, nog dunner dan een pyama, met de strepen in de lengte. Men rilde van kou in het barre winterweer. Later kreeg men er een gestreepte overjas bij, maar die mocht op het werk niet aangehouden worden. Het hoofdhaar kreeg een ander aspect, kaal geknipt, maar midden over het gehele hoofd heen “een baan”. De haarmachine maakte daar een soort geul in, allemaal om bij ontvluchting zo gauw mogelijk herkend te worden. ’s Morgens vroeg werd eveneens gecommandeerd op: arbeids-“Kommando’s”. Er waren vele “Kommando’s”, kleermaker, schoenmaker, timmerlieden, metselaars, Philips werken (45), houthakkers, straatvegers, keuken- en magazijnpersoneel.

De gehele dag liepen of fietsten de s.s.-ers door het kamp. In het begin toen er nog te weinig Duitse Kapo’s waren, werden ook Nederlanders aangesteld. De s.s.-ers stonden ’s morgens voor een lessenaar en brulden de “Kommando’s” af, bijvoorbeeld houthakken. De voorman liet zijn groep in de houding staan en riep dan het aantal wat hij had. Had de voorman geen brulstem, moest hij bij de s.s.-ers aan de lessenaar komen, ze sloegen dan het aangezicht van arme man in puin. De troep trok met mutsen af langs de lessenaar, ook dan weer velerlei trappen en stompen; zo marcheerde men naar het werk waar men hetzelfde beleefde als in Amersfoort. Maar er was een nieuwe foltering bijgekomen, n.l. het honden-“Kommando”. Ieder buitencommandant had een s.s.-er bij zich met een afgerichte hond. Werkte men niet snel genoeg, dan werd de hond er op afgestuurd en beet de man in het been. Smeerlappen als de s.s.-ers nu eenmaal waren, stuurden ze bij wijze van grap herhaaldelijk de hond op de mannen af en deze zegen bloedend [?]len. De ziekenbarak lag vol met tientallen van deze slachtoffers. Bij de straatvegers

[Hier breekt het manuscript af]


Redactionele noten

1. “Oranjehotel” ; bijnaam van de Deutsches Untersuchungs- und Strafgefängnis te Schevingen; de naam verwijst naar de koninklijke familie, waarbij men daar voorafgaand aan de Duitse bezetting “te gast” was.

2. s.s.: Schutzstaffel  (Beschermafdeling), opgericht 1925, para-militaire organisatie van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei  (n.s.d.a.p.); moorddadige nazi-“elite”-troepen.

3. Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, kwam in gebruik in augustus 1941; de eerste bewoners waren honderden “communisten”, meest c.p.n.-ers, maar ook m.l.l.-fronters (waarvan er acht al waren gefusilleerd toen Arie Bom aankwam), radencommunisten, anarchisten en anti-militaristen, overgebracht uit kamp Schoorl  en het waren vooral de c.p.n.-ers die bereid waren het gevangenen-“zelfbeheer” voor de s.s. te organiseren; in maart 1943 werden alle gevangenen overgebracht naar Kamp Vught; zie:
Kamp Amersfoort  (Wikipedia);
Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog  / Lou de Jong. – deel 8, tweede helft, p. 583-617;
Lijst van slachtoffers  (Wikipedia);
– Amersfoort ’40-’45 [Deel I]/ Joop L. Bloemhof, B.G.J. Elias. – Amersfoort : Bekking, 1990. – 335 p.; Amersfoort ’40-’45 ;
– Amersfoort ’40-’45 ; Deel II / Joop L. Bloemhof, G.H.J. Seegers, B.G.J. Elias, Ph.C.B. Maarschalkerweerd. – Amersfoort : Bekking, 1995. – 232 p;
Herinneringen aan de Lange Hete Zomer van 1942  / J. Sligter.
Hoe er van zo’n kamp toch nog weer een poppenkast kan worden gemaakt bewijst Nationaal Monument Kamp Amersfoort , in 2017 “gesponsord” door de Nationale Postcode Loterij en de BankGiro Loterij, met steun van leden van Rotary Amersfoort-Stad, en men kan er zelfs aandelen in kopen, want er moet natuurlijk een “verdienmodel” aan worden gekoppeld, anders is het economisch niet “bestendig”.

4. Willem Eegdeman (Culemborg, 1914-); zwager van de tien jaar oudere Jan Hurkmans (zie verderop); hij werd met andere c.p.n.-ers gearresteerd 25 juni 1941, drie dagen nadat Duitsland het Molotov-Ribbentrop-pact van 1939 verbrak (tot dan was nazi-Duitsland een “bevriende natie” van “sowjet”-Rusland), met de bedoeling ze vast te houden voor de duur van de oorlog Duitsland-Rusland. Bij zijn veroordeling na de oorlog werd “kampkolder” als verzachtende omstandigheid aangevoerd; hij kwam uit Geldermalsen, waar hij gemeenteraadslid voor de c.p.n. was geweest. Eerder gearresteerde c.p.n.-ers waren niet opgepakt vanwege hun partijlidmaatschap, maar wegens betrokkenheid bij de Februaristaking van 1941.

5. “Poeties” (eigenlijk Engels: “Puttees”); beenwindsels  die onder andere in het Nederlandse leger werden gedragen.

6. “Kwartiermuts”: soldatenmuts.

7. “Schreibstube”: schrijfkamer, administratie.

8. Vulkachel ; een kolenkachel die lang kan branden zonder bijvulling.

9. b.s.: Binnenlandse Strijdkrachten , in september 1944 opgezette bundeling van het Nederlandse “verzet” onder leiding van Prins Bernhard, met buitengewoon slechte reputatie; ook na de oorlog kon men zich hierbij nog aansluiten.

10. p.o.d.: Politieke Opsporingsdienst; van februari 1945 tot maart 1946 verantwoordelijk voor het aanhouden van “foute Nederlanders”, viel toen onder het Militair Gezag; vervangen door de Politieke Rechercheafdeling , dat onder het Ministerie van Justitie viel; dat bleef bestaan tot 1948; er zijn zo’n 150.000 arrestaties verricht, 90.000 mensen werden al snel buiten vervolging gesteld, 14.000 werden er veroordeeld, waaronder 154 doodstraffen, waarvan er 39 inderdaad zijn uitgevoerd in 1946-1952.

11. Een bete broods: een hapje brood; ook: een schamel bestaan.

12. Enkelen zijn in Vught en elders inderdaad door mede-gevangenen vermoord, zoals Willem Zwerver (zie verderop).

13. Paul Franzka; ontbreekt bij Lou de Jong; verder is er niets over hem bekend; Arie Bom spelt Fransca.

14. Henk Eikeboom (1898-Sachsenhausen, 11 mei 1945); zie: Henk Eikeboom, anarchist ; Een biografie / Pszisko Jacobs. – Haarlem : In de Knipscheer, 1986. – 244 p.

15. Kamp Vught  kwam in januari 1943 in gebruik omdat kamp Westerbork en kamp Amersfoort overvol waren; weinig later werden alle gevangenen van Amersfoort (dat gereorganiseerd werd) naar Vught overgebracht; zie ook: Mensen, macht en mentaliteiten achter prikkeldraad: een historisch-sociologische studie van concentratiekamp Vught (1943-1944) / A.M.B. Meeuwenoord. – 2011.

16. De “Kerstman” of het “Kerstmannetje”: bijnaam van Hugo Herman Wolff, een Duitse s.s.-er; in 1948 tot levenslang veroordeeld; verder wedervaren is niet bekend.

17. Een gedocumenteerd geval: de moord op de Limburgse, van communistische sympathiën verdachte “jood” Louis Salamon , 31 juli 1942; zie ook: Brieven uit Mosanje  (Wiel Kusters).

18. “Popeye”: bijnaam van een Duitse s.s.-er; verder is er niets over hem bekend; er is blijkbaar ook niet veel gezocht.

19. Hendrik de Keizer: één van de “Geuzen van Buchenwald” die met de s.s. collaboreerden, verder is er niets over hem bekend; Arie Bom spelt Keijzer.

20. Johannes Josephus Maria Hurkmans  (Jan, bijgenaamd “Jan de Knuppelaar”, geboren Stratum, 1903, later wonende Strijp), uit Eindhoven; was van 1929 tot 1931 lid van de c.p.h.; in kamp Amersfoort was hij plotseling weer “communist” en stond hij in contact met de c.p.n.-leiding. Zie over hem (en Willem Eegdeman): Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog  / Lou de Jong. – deel 8, tweede helft, p. 600-601; met de gebruikelijke uitvluchten: het laten overleven van de politieke gevangenen ten koste van de misdadigers; beter zelf klappen uitgedeeld dan dat “de Duitsers” (zwaardere) straffen oplegden; het tweede argument komt terug bij Arie Bom als het gaat over Joop Greeven (zie verderop), het eerste niet.

21. Karl Peter Berg  (1907-1949), na de oorlog ter dood veroordeeld en in 1949 geëxecuteerd.

22. “Nelis” was de bijnaam van Johann Friedrich Stöver  (1899-); in 1950 ter dood veroordeeld, in 1960 vrijgelaten.

23. Marinus Hageman (1901-); Den Haag, in 1935 c.p.n.-candidaat voor de gemeenteraad; in 1939 op lijst links-extremisten van de c.i.d.

24. De Vereniging Vrienden der Sowjet-Unie (v.v.s.u.) was een “mantelorganisatie” van de c.p.n., waarin zoveel mogelijk anderen werden betrokken. Twee van de geëxecuteerden waren m.l.l.-fronters.

25. Het gaat om Cornelis Lugthart  (Dubbeldam, 12 mei 1898-met dertien anderen gefusilleerd Soesterberg, 19 november 1942); huisschilder, van de verzetsgroep Deventer-Ter Wolde-Twello-Voorst. Volgens het familieverhaal ging het om het helpen van vluchtelingen en onderduikers van alle gezindten; pas onder leiding van de s.d.-provocateur “Frans de Wit” werd er overgegaan tot sabotageacties en brandstichtingen.

26. Salomon Rodrigues de Miranda  (Monne, 1875-1942); Amsterdams wethouder voor de s.d.a.p.; zie:
– Monne de Miranda: een biografie / Gilles Borrie. – Den Haag : Uitgeverij s.d.u., 1993.– 509 p.;
Moordenaars gezocht voor Monne de Miranda  ; De heilloze politisering van een kampdrama / Godert van Colmjon. – In: De Gids, Jg. 170 (2007), p. 991-1003;
Eindelijk de waarheid over de dood van Monne de Miranda  / Bert Bakkenes. – In: De Antifascist, mei 2008.
Als c.p.n.-ers konden pochen dat zij, door hun collaboratie met de s.s., de kampen “in handen” hadden, dan is het niet erg geloofwaardig dat de c.p.n.-leiding niet op de hoogte was van wat zich in die kampen afspeelde; het kampleven was ook dusdanig georganiseerd dat de ene “groep” dacht alleen te kunnen overleven ten koste van een andere “groep”.

27. Monne de Miranda organiseerde de verplichte werkverschaffing , zoals voor de aanleg van het Amsterdamse bos; met een werkweek van vijftig uur en een hongerloon; de arbeiders sliepen ter plekke in barakken en mochten alleen op zaterdagavond en zondag naar hun gezinnen; vandaar dat hij door de c.p.n. voor een “sociaal-fascist” werd gehouden. Arie Bom geeft geen namen van de daders.

28. De Wolga-Bootman is een Amerikaans theaterstuk van Cecil B. De Mille dat ook werd opgevoerd in theater Tuschinski in Den Haag, en dat in 1926 ook is verfilmd; daarin komt een scene voor waarin na de Oktoberrevolutie in Rusland aristocraten worden gedwongen een veerboot te trekken.

29. Antonius van Es (Teun, 1917-2000); één van de “Geuzen van Buchenwald”; hij was één van de moordenaars van Monne de Miranda; in 1950 werd hij voor mishandeling en doodslag tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar ook verminderd toerekeningsvatbaar geacht; in 1955 kwam hij vrij.

30. Willem Antoon Zwerver (1913-1943); broodbakker te Amsterdam; bij Lou de Jong Willem Z. of de Z. genoemd en s.d.-spion, eind 1943 in Vught door mede-gevangenen “geliquideerd”; hij liet een vrouw en kind na.

31. Werkkamp Moerdijk  was van maart 1943 tot februari 1944 in gebruik als “Aussen-Kommando” van kamp Vught.

32. Johannes Barend Greeven  (Joop, 1894-); één van de “Geuzen van Buchenwald” die met de s.s. collaboreerden; in 1943 gaat hij met de laatste gevangenen van kamp Amersfoort naar kamp Vught, waar hij een functie kreeg in de Postbarak; in mei 1944 afgevoerd naar Dachau, maar overleefde de oorlog; na de oorlog is hij genoemd als één van de verantwoordelijken voor de moord op Monne de Miranda, maar voor zover bekend is hij daarvoor niet veroordeeld; hij trouwde in 1913 in Schiedam en werkte toen op de scheepswerf Wilton-Fijenoord aldaar.

33. Dr. Nicolaas van Nieuwenhuyzen, chirurg in het Amersfoortse Lichtenberg-ziekenhuis, n.s.b.-er en lid van de Nederlandse s.s., was kamparts in Amersfoort in 1941-1942, hij werd na de oorlog tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld.

34. h.b.s.: Hogere Burger School; gemakkelijk toegankelijk voor de kinderen van de bourgeoisie en erg moeilijk voor alle anderen.

35. Het geld kon alleen per postchecque worden overgemaakt naar het kamp.

36. De Groningse kunstschilder J. Derksen Staats (1897-1974), lid van de kunstenaarsvereniging “De Ploeg”.

37. Juda Worms  (1905-1942); Den Haag, chauffeur; 3 december 1942 “beim Fluchtversuch erschossen”.

38. De scheepswerf Wilton-Feijenoord  in Schiedam.

39. De Geuzen  was een christelijk-nationalistische, op militaire leest geschoeide verzetsgroep in Rotterdam en omgeving onder leiding van Bernard IJzerdraat  bij wie thuis een ledenlijst van de groep werd gevonden; achttien ter dood-veroordelingen volgden in 1941; drie minderjarigen werden gespaard; nog veel meer arrestanten van dezelfde groep worden weinig later naar Buchenwald gedeporteert, waarvan er twaalf als barak-oudsten naar Amersfoort uit Duitsland terugkomen; de Stichting Geuzenverzet 1940-1945  verstrekt daarover op de website geen inlichtingen.

40. Konzentrationsanlager Buchenwald  werd in 1937 aangelegd en bemand door de s.s.; tienduizenden gevangenen overleefden het kamp niet.

41. De “marmertroepen” bestonden uit mensen die steen moesten kloppen.

42. 77 Russische soldaten  werden 9 april 1942 gefusilleerd; 24 waren er al eerder vermoord of door de ontberingen en mishandelingen omgekomen.

43. De IJzeren Man ; een recreatieplaats bij Vught.

44. Kapo : officieel Funktionshäftling; een gevangene die voor de s.s. gewelddadig toezag op de dwangarbeiders in ruil voor privileges; Arie Bom spelde “Capo”.

45. Jawel, de Koninklijke Philips  had dwangarbeiders in dienst… om mensenlevens te redden; zie: het Philips-Kommando .


Compiled by Vico, 13 August 2017; latest additions 9 September 2017


Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam
Het Instituut is niet aansprakelijk voor het gebruik van materiaal afkomstig uit zijn collecties. De gebruiker wordt geacht op de hoogte te zijn van alle relevante wettelijke regelingen betreffende het auteursrecht. Het Instituut bemiddelt niet in eventuele auteursrechten van derden.
I.I.S.G., Cruquiusweg 31, 1019 AT Amsterdam, tel: 020-6685866