Home | Contact | Links       
Antonie Pannekoek Archives
 

Thema: De economische oplossing voor de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme

Period of Transition Period of Transition

Omslagen van de eerste Duitse en tweede Nederlandse druk


Grondbeginselen van de communistische productie en distributie

Uitgave van de Groep van Internationale Communisten (1)


De tweede druk uit 1935 bestaat uit een bewerkte heruitgave van drie eerdere teksten: de oorspronkelijke duitstalige Grondbeginselen uit 1930; het aanvullende duitstalige Uitgangspunten uit 1931, twee teksten die in 1931 uitsluitend nederlandstalig zijn samengevoegd (*); vervolgens Marxisme en staatscommunisme. Het afsterven van de staat (1932), en Die gesellschaftlich-durchschnittliche Arbeitszeit uit 1935, waarvan geen afzonderlijke Nederlandse vertaling bekend is, maar waarin meerdere hoofstukken zijn herschreven en uitgebreid, opgenomen in de tweede druk. Deze tweede druk is te beschouwen als het uiteindelijke werk, dat dusdanig nooit is vertaald. Tenslotte verscheen in 1946 het afzonderlijke vervolg De economische grondslagen van de radenmaatschappij, hier afzonderlijk opgenomen. De bestaande vertalingen in het Engels, Spaans, Frans en Italiaans zijn gemaakt naar de duitstalige teksten uit 1930 en 1931 (vanuit de herdruk in 1970), waarbij de wijzigingen uit 1931 en de aanvullingen uit 1935 niet in acht zijn genomen.


*. Van de nederlandstalige uitgave uit 1931 is ons geen exemplaar bekend; deze is niettemin herdrukt als: Het Radencommunisme ; Grondbeginselen van communistische productie en distributie. – Den Haag : L.J.C. Boucher, [1969]. – 283 p. Een deel is echter al te vinden in de P.I.C. (Persdienst van Internationale Communisten), december 1929, no. 1; in juni 1931 zou de laatste aflevering van het hele boek zijn verschenen.


Overzicht


“Zo eenvoudig de grondslag van de overheersing van de arbeidersklasse is, zo eenvoudig is ook de formulering van het opheffen van de loonslavernij (al is de praktische doorvoering dan ook niet zo eenvoudig!) Deze opheffing kan alleen daarin liggen, dat de scheiding van arbeid en arbeidsproduct wordt opgeheven, dat het beschikkingsrecht over het arbeidsproduct en dus ook over de productiemiddelen weer aan de arbeiders komt.”

Doelstelling

De ontwikkeling van het kapitalisme voert tot steeds heviger crisissen, welke in een steeds grotere werkloosheid en telkens diepere ontwrichting van het productieapparaat hun uitdrukking vinden, waardoor miljoenen arbeiders buiten de productie staan en aan de uithongering zijn prijsgegeven.

Daarbij nemen de tegenstellingen tussen de verschillende landen steeds scherper vormen aan, waardoor de economische oorlog in een nieuwe wereldoorlog uitmondt.

De toenemende verarming en de steeds groeiende onzekerheid van bestaan dwingen de arbeidersklasse de strijd voor de communistische productiewijze aan te binden. De Groep van Internationale Communisten wekt de arbeiders in deze strijd op, het beheer en de leiding van productie en distributie volgens algemeen geldende, maatschappelijke regels zelf ter hand te nemen, om zo de associatie van vrije en gelijke producenten te verwezenlijken.

De G. I. C. ziet de wezenlijke vooruitgang van de arbeidersbeweging in de ontwikkeling van het zelfbewustzijn van de arbeiders. Daarom plaatst ze zich tegenover de leiderspolitiek van parlementaire partijen en vakbeweging en stelt de leuze:

Alle macht aan de arbeidersraden!
De productie in handen van de bedrijfsorganisaties!

De G. I. C.


Voorbericht

Deze Grondbeginselen vonden hun ontstaan gedurende een vierjarig gemeenschappelijk zoeken en tasten van de Groepen van Internationale Communisten in Holland. De eerste uitgave verscheen in 1930 in het Duits bij de uitgeverij van de revolutionaire Bedrijfsorganisaties, georganiseerd in de Allgemeine Arbeiter Union Deutschlands (A.A.U.D.) – Neue Arbeiterverlag Berlin O 112, Grünbergstraße 4.

Tot een Hollandse, in de gewone boekvorm konden we door financiële moeilijkheden niet komen. Zodoende namen we onze toevlucht tot een minder gebruikelijke wijze van publicatie, namelijk door het in gedeelten als bijlage van het Persmateriaal van de Internationale Communisten (P.I.C.) te doen verschijnen. We hebben daarbij van de nood een deugd gemaakt, door het hele manuscript te herzien, waardoor deze uitgave niet gelijk is aan de Duitse. Wat de inhoud betreft zijn geen wezenlijke veranderingen aangebracht, maar de rangschikking van de stof en verschillende formuleringen zijn gewijzigd en naar we menen, ook verbeterd.

We hopen dat deze grondbeginselen aanleiding tot uitvoerige discussie worden en zo zullen bijdragen tot het komen van een grotere klaarheid en eenheid in de doelstelling van het revolutionaire proletariaat, zodat de nu nog verschillend gerichte krachten in dezelfde stroombaan komen.

Juni 1931.
G.I.C.


Voorbericht bij de tweede druk

Bij de discussie rondom de eerste druk van deze Grondbeginselen is gebleken dat men dit boek veelal opvat als een soort “plan”, dat men maar zólang ijverig moet propageren, tot de grote massa zich met de beweging van het bedrijfsleven op de grondslag van de arbeidstijd vertrouwd heeft gemaakt. Dit kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn van de schrijvers, die zich op de bodem van het historisch materialisme plaatsen. Het totaal van de opvattingen, die we in één woord als “toekomstideaal” kunnen samenvatten, ontstaat niet “door de boeken” of door de mondelinge propaganda. Deze hebben niet veel meer dan een ordenende functie. Ze kunnen alleen de ervaringswaarheden bewust maken en in algemener verband brengen. De grote massa leest nauwelijks of in het geheel niet, maar toch slaan uit de dagelijkse praktijk van het leven bepaalde opvattingen neer als politiek-economisch ideaal. Zo is op het ogenblik het politiek-economisch ideaal van de massa’s, zowel van de socialistische en communistische als van de katholieke, christelijke en neutrale arbeiders daar op gericht, dat de staat de grote, algemene behartiger van hun belangen moet zijn. De praktische uitwerking daarvan is dat de massa’s staatskapitalistisch gericht zijn, ook al zijn ze zich dat niet bewust.

Deze staatskapitalistische oriëntatie van de massa’s ontstond niet door de propaganda of “door de boeken”, ze sloeg neer als ervaringswaarheid van de achter ons liggende periode. In het vorige tijdperk van parlementaire strijd voor sociale hervormingen, van vakverenigingsontwikkeling, waarbij de vakverenigingen tot semi-staatsorganen werden, zagen de massa’s een verheffing van hun levenspeil, wanneer men dat bijvoorbeeld bij honderd jaar geleden vergelijkt. Daardoor werd in hun ogen de staat tot de grote hefboom, die het maatschappelijk leven steeds verder tot hun heil zou ordenen, daardoor ontstond de opvatting, dat de onderdrukkingsstaat van vroeger tot de algemene “verzorgingsstaat” moest uitgroeien. Vandaar dan ook, dat het nationaal-socialisme zijn wortels zo diep in de brede massa’s kon en kan slaan.

In de komende periode van klassenstrijd liggen de strijdvoorwaarden volkomen anders. De parlementaire democratie van de politieke partijen en de economische democratie van de collectieve contracten sorteren geen effect meer voor de massa’s en daarmee worden deze willens of onwillens naar de massa-actie onder eigen leiding gedreven. Daarbij verschijnt de staat niet meer als de verheffer van het levenspeil, maar als de directe zaakwaarnemer van de grootkapitalen. In deze ontzaglijke worsteling van kapitaal en arbeid, die een hele ontwikkelingsperiode omsluit, wentelt zich met de opvatting over de klassenstrijd tegelijk het staatskapitalistisch toekomstideaal om. Iedere massa-actie onder eigen leiding vertoont in het klein, wat eenmaal het algemeen beginsel van het maatschappelijk leven zal zijn: de massa’s nemen hier hun eigen lot in handen, door alle in de strijd noodzakelijke functies zelf of door henzelf gekozen, aan hen verantwoordelijke functionarissen, uit de oefenen. Het komende ontwikkelingsproces is een opstijgen tot deze groei van klasse-eenheid. En eerst als deze klasse-eenheid tot gemeengoed der massa’s geworden is, eerst dan heeft ze de kracht, het kapitalisme ten val te brengen. En pas in deze zin kan men er van spreken dat de nieuwe maatschappij geboren wordt in de schoot van de oude. De zelfbeschikking der massa’s, geboren uit de nood van de strijd, wordt dan tot leidend beginsel van de nieuw-ordening van het maatschappelijk leven. Daarom is de klassenstrijd zelf de feitelijke drijvende kracht in de vernietiging van het staatskapitalistisch toekomstideaal van de massa’s.

Dit boek kan dus nooit deze klassenstrijd vervangen. Het wil alleen economisch uitdrukken, wat zich politiek gaat voltrekken. Daartoe was het noodzakelijk, niet de opheffing van het privaatbezit aan productiemiddelen als uitgangspunt te nemen, maar de opheffing van de loonarbeid. Daarvan stralen alle gedachten uit. En ons onderzoek voert daarbij tot de conclusie, dat de arbeiders, in massa-bewegingen aan de macht gekomen, deze politieke macht alleen kunnen behouden, als ze in het economisch leven de loonarbeid afschaffen door de arbeidstijd als centrale as te nemen, waaromheen zich het economisch leven beweegt.

Ten slotte nog een paar opmerkingen. De Duitse uitgave van dit werk, die in 1930 door de Allgemeine Arbeiter Union aan de markt gebracht werd, is in beslag genomen en vernietigd. Een korte samenvatting van het boek verscheen in het Duits in Kampfsignal – New York, en in het Engels in Council Correspondence – Chicago. Bij de nieuw-oriëntatie van de revolutionaire groeperingen binnen de Duitse arbeidersbeweging vinden we een groepering, die voor het eerst in de Duitse arbeidersbeweging de strijd voor de arbeidersraden direct verbindt met de doorvoering van het communisme op de grondslag van de arbeidstijd. De arbeid is hier de centrale categorie, die de onderlinge betrekkingen van de mensen in het maatschappelijk leven nieuw regelt; de arbeid is de grondslag van de nieuwe rechtsverhoudingen.

In deze tweede druk zijn geen principiële veranderingen aangebracht, vergeleken bij de eerste. Wel werden verschillende hoofdstukken wat uitgebreid. Zo bijvoorbeeld “Staatscommunisme en loonarbeid”, terwijl nog eens in het bijzonder de aandacht er op gevestigd werd, dat het gelijke recht op de consumptiegoederen zich praktisch als ongelijk recht uitwerkt. Tevens werd een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de controle op de productie.

Januari 1935.
G.I.C.


I. – De uitgangspunten van de grondbeginselen van de communistische productie en distributie

a. De arbeidersraden als organisatorische grondslag

In ons geschrift De grondbeginselen van de communistische productie en distributie wordt de doorvoering van het communisme van een heel andere kant bezien dan dit tot nu toe in de arbeidersbeweging gebruikelijk is. Voor een deel is het ’t verloop van de Russische revolutie geweest, dat de noodzakelijkheid van een nader onderzoek betreffende de problemen van het communistische bedrijfsleven aan de orde stelde.

Een tweede feit, dat tot nader onderzoek dwong, is gelegen in het boerenvraagstuk. In ons geschrift Ontwikkelingslijnen in het boerenbedrijf hebben we aangetoond, dat de agrarische productie volkomen vermaatschappelijkt is, dat het boerenbedrijf tot de “industriële productie” is overgegaan, maar dat het landbouwvraagstuk desondanks het grote struikelblok blijft, waardoor een doorvoering van het “socialisme” of “communisme”, zoals dit onder de gangbare zienswijze in de arbeidersklasse begrepen wordt, onmogelijk is. Het boerenbedrijf laat zich niet organisch in het “communisme” opnemen, waaruit wij afleiden, dat dan de hele opvatting van dit “communisme” fout moet zijn.

Het derde, en zeker niet het minst belangrijke punt, dat een onderzoek naar de problemen van de communistische productie en distributie noodzakelijk maakte, was in het verschijnsel gelegen dat de arbeidersklasse zich in de revolutie van andere organisatievormen bediende dan in het tijdperk van rustige “verbetering van de arbeidsvoorwaarden”.

De organisatorische structuur van de revolutionaire arbeidersbeweging verscheen in de vorm van bedrijfsorganisaties en arbeidersraden.

Er is echter een nauw verband tussen de organisatorische structuur van een beweging en de ideologieën, de gedachtenwereld, waardoor ze gedragen wordt. Deze samenhang is zo innig, dat men de structuur een functie van de ideologieën kan noemen. De organisatorische structuur van de verschillende stromingen in de arbeidersbeweging loopt dan ook parallel met de verschillende zienswijzen die we binnen de arbeidersbeweging omtrent de bouw van de communistische samenleving aantreffen. Treden er dan ook in de klassenstrijd structuurveranderingen op, dan betekent dit niet anders dan dat er belangrijke ideologische omvormingen hebben plaats gehad die nu hun organisatorische uitdrukking vinden.

In revolutionaire perioden hebben belangrijke ideologische omvormingen plaats, welke zich met ongekende snelheid voltrekken. De doelstelling van de arbeiders wordt een volkomen andere: ze wordt volkomen geradicaliseerd. Eén van de belangrijkste lessen, die de revolutionaire periode 1917-1923 ons heeft gebracht, is wel deze, dat de omgevormde ideologieën een andere organisatorische uitdrukking hebben, dan de oude arbeidersbeweging. In de heftigste, zelfs bloedige strijd wordt tegen de oude arbeidersbeweging opgetreden, omdat deze zich krachtig tegen de nieuw-gevormde gedachtenwereld van de geradicaliseerde arbeiders verzet. De bedrijfsorganisaties en arbeidersraden zijn de organisatorische wapenen waarmee de arbeiders de revolutie doorvoeren.

Van hoeveel belang de radengedachte in het begin der revolutionaire periode gedacht werd blijkt bijvoorbeeld uit een beschouwing van D.J. Struik (2) in de Nieuwe Tijd, jaargang 1919, blz. 466, naar aanleiding van de Radenresolutie die toen door de C.P.H. was aangenomen:

“Uit niets blijkt helderder de vooruitgang, die we gemaakt hebben in ons inzicht in de wetten van de sociale revolutie, dan in onze verklaring over het Radenstelsel. Zelfs twee jaar geleden was deze verklaring nog vrijwel onmogelijk, en drie jaar geleden konden zelfs de klaarste koppen van de Internationale nauwelijks iets zeggen over de betekenis van de Raden, zoals wij die nu zien.”
Het zal moeilijk vallen in de literatuur van voor de oorlog uitspraken in die geest aan te halen […]. Overal bleef het tot aan de Februari-revolutie van 1917 bij een simpele vermelding van de noodzakelijke verandering van de politieke en economische vormen, waarin zich de revolutie zou kleden. Nadere aanduiding hierover, is, zover wij weten, niet gewaagd, althans niet aan deze zijde van de Weichsel (3). Rosa Luxemburg schrijft in haar gehele brochure over de massastaking een enkel maal terloops over de Raad van Arbeidersafgevaardigden van 1905. Trotski behandelt in zijn boek over de eerste Russische revolutie wel uitvoerig de geschiedenis, de betekenis en de macht van deze eerste Raad, maar gaat zich niet verdiepen in algemene bespiegelingen omtrent het Radenstelsel. En zelfs in de marxistische geschriften, die tijdens de eerste helft van de wereldoorlog verschenen, in de “Lichtstrahlen”, in de “Vorbote”, ontbreekt elke verwijzing naar de Petrograder Sovjet van 1905.
Dat kort na het uitbreken van de Februari-revolutie van 1917 de Sovjet-gedachte zulk een vast fundament begon te krijgen, is uitsluitend een gevolg van de praktijk van de revolutie […]. Als ooit het woord van Mehring (4), dat de intuïtie van de handelende massa's genialer kan zijn, dan het grootste genie, bewaarheid, dan is het in dit geval.”

Het belangrijke, positieve, dat de revolutionaire periode 1917-1923 ons heeft gebracht, is dat we de vormen gezien hebben waarin de proletarische revolutie zich voltrekt, terwijl we tevens de ideologieën zagen waarvan die nieuwe vormen de uitdrukking zijn. Het overnemen van het maatschappelijk productieapparaat voltrekt zich door de bedrijfsorganisatie en hun samenvatting: de arbeidersraden. Daarom moet een onderzoek van de problemen van de communistische productie en distributie van deze grondslag uitgaan.

D’Arbeidersraden worden eenmaal het wezen
Van de geheele menschheid op aarde.
Zooals in bloemen in een grote gaarde
Het hoogste zonnelicht samengelezen.

Zij zijn het hoogste van de algemeenschap,
Zij zijn het verwerpen van de alleenschap,
Daarin elke man, vrouw en teeder kind
Alleen zijn eenig doel, de mensheid, vindt.

De arbeidersraden zijn dus als het licht,
Zij zijn de vrede, de rust en het heil,
Zij zijn de waarheid en de bron der waarheid.

Zij zijn de vastheid in het Algeheel
Der menschheid, de knooppunten van den arbeid,
Zij zijn de zaligheid der menschheid, – zij zijn het licht.

(Herman Gorter (5)) (6).

b. De marxistische verklaring van de beheersing van de arbeidersklasse

Naast de bedrijfsorganisaties hebben we als tweede uitgangspunt voor de grondbeginselen van het communistisch bedrijfsleven de marxistische verklaring van de beheersing en de uitbuiting van de arbeidersklasse in de kapitalistische maatschappij. Het gaat er daarbij niet in de eerste plaats om, ons aan citaten uit “Het Kapitaal” vast te klampen, maar we moeten ons laten dragen door de algemene gedachte, het wezenlijke, van Marx’ analyse.

De beheersing en de uitbuiting zijn in hun oorzaken buitengewoon eenvoudig en voor iedereen direct begrijpelijk: ze liggen besloten in het feit, dat de arbeider van de productiemiddelen gescheiden is. De kapitalist bezit de productiemiddelen, de arbeider bezit z’n arbeidskracht: de kapitalist bezit de voorwaarden waaronder de arbeider moet werken. Daardoor is de arbeider economisch volkomen rechteloos (moge de politieke democratie ook tot de uiterste volmaking zijn doorgevoerd) en dus volkomen van het kapitaal afhankelijk. Doordat de bezittende klasse het beschikkingsrecht over de productiemiddelen heeft, heeft ze tegelijk de beschikking over de arbeidskracht, dat betekent: ze heerst over de arbeidersklasse.

Het beschikkingsrecht over de productiemiddelen, door de heersende klasse uitgeoefend, brengt de arbeidersklasse in een afhankelijkheidsverhouding tegenover het kapitaal.

Dit is het wezenlijke.

Het feit dat de arbeidersklasse van de productiemiddelen losgemaakt is, houdt tevens in dat ze niet over het vervaardigde product beschikt. De arbeiders hebben met de door hen vervaardigde goederen niets te maken: ze zijn niet van hen, maar ze behoren aan hun “broodheer”. Wat er verder mee gebeurt, hoe de vrucht van hun arbeid in de samenleving overgaat, is niet hun zaak: ze hebben alleen hun arbeidskracht te verkopen en ontvangen daarvoor hun “loon”: ze zijn loonarbeiders.

Dat kan niet anders zijn. De beschikking over het productieapparaat sluit de beschikking over het vervaardigde product in. Het zijn twee verschillende kanten van hetzelfde ding. Ze zijn functioneel afhankelijk, het éne is niet zonder het andere, het éne bestaat slechts door het andere. Doordat de arbeiders de beschikking over het productieapparaat niet hebben, daardoor hebben ze ook niet de beschikking over het vervaardigde product, daardoor worden ze beheerst, daardoor zijn ze loonarbeiders.

De loonarbeid is de uitdrukking van het feit dat er een scheiding is van de arbeid en het arbeidsproduct, van het feit dat de arbeiders noch over het product, noch over het productieapparaat iets te zeggen hebben. De loonarbeid is het onbedrieglijke kenteken van de “onmondigheid” van de arbeidersklasse, van haar overheersing door hen die over het maatschappelijk productieapparaat en het maatschappelijk product beschikken.

Zo eenvoudig de grondslag van de overheersing van de arbeidersklasse is, zo eenvoudig is ook de formulering van het opheffen van de loonslavernij (al is de praktische doorvoering dan ook niet zo eenvoudig!). Deze opheffing kan alleen daarin liggen, dat de scheiding van arbeid en arbeidsproduct wordt opgeheven, dat het beschikkingsrecht over het arbeidsproduct en dus ook over de productiemiddelen weer aan de arbeiders komt.

Dit is het wezenlijke van de communistische productie.

Natuurlijk kan dit echter niet meer op de wijze, zoals vroeger de handwerker de beschikking over z’n werktuigen en z’n arbeidsproduct had. De huidige maatschappij kent geen “individuele”, op zichzelf staande arbeid meer, ze is tot de maatschappelijke productie overgegaan, tot het vermaatschappelijkte productieproces, waarin ieder slechts een radertje in het Grote Geheel is. Daarom moeten de arbeiders de productiemiddelen nu gemeenschappelijk bezitten. Gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen, dat niet meteen het beschikkingsrecht erover beduidt, mist echter zijn doel. Het gemeenschappelijk bezit is geen doel in zichzelf, doch het is slechts een middel om het beschikkingsrecht over de productiemiddelen voor de arbeiders mogelijk te maken, om de scheiding van arbeid en arbeidsproduct op te heffen, om de loonarbeid te kunnen afschaffen.

c. Het verwisselen van doel en middel

Hier ligt het zwakke punt van de huidige arbeidersbeweging. Men stelt het brengen van de productiemiddelen in gemeenschappelijk bezit als doel, zonder te vermoeden, dat het probleem van een nieuwe productiewijze bij de overgang naar het “gemeenschapsbezit” in werkelijkheid pas gesteld is. De arbeidersklasse leeft valselijk in het vertrouwen, dat het communisme “vanzelf” komen moet, als dat gehate privaatbezit van de productiemiddelen is opgeheven. Men leeft valselijk in de veronderstelling, dat daarmee de loonarbeid noodzakelijk moet verdwijnen.

De werkelijke proletarische doelstelling kan slechts deze zijn, dat de arbeiders het beschikkingsrecht over de productiemiddelen en daarmee over het product veroveren en daardoor metterdaad de loonarbeid afschaffen. Eerst daardoor wordt de arbeidersklasse “vrij”. De gemeenschappelijk uitgeoefende beschikking over de productie door de vrije producenten, dát is de grondslag van de communistische samenleving.

De vrije producenten kunnen echter niet willekeurig over de productiemiddelen beschikken, zoals “de vrije producenten” onder het kapitalisme (de fabrieksbezitters of –“leiders”) doen. Is de beschikking willekeurig, dan kan van een gemeenschappelijke beschikking geen sprake zijn. De eerste voorwaarde, om een gemeenschappelijke beschikking over het productieapparaat mogelijk te maken, is daarom, dat de productie onder gemeenschappelijk bezit naar algemeen geldende regels verloopt, regels, waarop alle maatschappelijke werkzaamheden moeten rusten. Dan eerst is een gemeenschappelijk beslissen en handelen mogelijk. De vrije producenten moeten daarom gelijke productieregels (7) voor alle producenten scheppen. Daarmee worden dan de vrije producenten tegelijk tot gelijke producenten en zo verwezenlijken de bedrijfsorganisaties in hun duizenderlei verbindingen van allerlei aard: “De associatie van vrije en gelijke producenten”.

Vanuit deze gezichtshoek verschijnt de eis van de “gelijkheid” dus geenszins als een “ethische” of een “morele”, maar spruit direct voort uit de noodzakelijke productievoorwaarden van het communistische bedrijfsleven. De “gelijkheid” is hier geen ethische categorie, maar een economische: ze wil niet anders tot uitdrukking brengen, dan dat de productie in alle bedrijfsorganisaties naar dezelfde regels verloopt, om een gemeenschappelijke beschikking over het productieapparaat mogelijk te maken. Het voor de hele productie bindend maken van deze regels is de wezenlijke taak van een proletarische revolutie.

Zo zien we, hoe de morele eis van de gelijkheid, die we aan het communisme stellen, de gelijke voorwaarden voor de ontplooiing van de individualiteit, haar grondpeiler vindt in de gelijkheid in de productie.


II. – De sociaal-democratische “herziening” van het marxisme

a. Het verwisselen van de maatschappelijke arbeid met de organisatorische vormen waarin het kapitaal deze arbeid beheerst

Zowel de radicale sociaal-democratie (de Bolsjewiki) als de reformistische hebben de marxistische leer juist in het beslissende punt van “de associatie van vrije en gelijke producenten” “herzien”. De vermaatschappelijking van het arbeidsproces is in marxistische zin niet anders, dan dat de “warenproductie” in de loop der ontwikkeling tot overheersende productievorm wordt. Steeds wijdere kring van producenten werkt uitsluitend voor de markt. Ieder vervaardigt, wat hij niet zelf verbruikt. Het vervaardigde product is voor anderen, ieder werkt voor de maatschappij, ieder verricht daardoor maatschappelijke arbeid. Het kapitalisme is zelf de grote revolutionair, die de producenten in de loop van de ontwikkeling van hun oude arbeidswijze losscheurde en ze in dienst van het kapitaal in een arbeidsproces slingerde, dat de oude, aartsvaderlijke arbeidsverhoudingen ophief; iedere betrekking tot persoon of familie verbrak. Het kapitalisme bracht allen in een toestand, dat ieder, van alle bezit ontbloot, niets heeft dan zijn naakte arbeidskracht, om aan het vermaatschappelijkte arbeidsproces deel te nemen.

De sociaal-democratie maakte (en maakt) van het proces van de vermaatschappelijking van de productie echter heel wat anders. Zij zag het steeds verder voortschrijden van de maatschappelijke productie in de voortdurende groei der trust-, syndicaten- en kartelvorming. Zij zag de vermaatschappelijking in de vorm, waarin de kapitalistische productiewijze zich organiseert. In werkelijkheid is het niet anders dan de vorm, waarin het privaatkapitalistische (of collectief-kapitalistische) beschikkingsrecht over de productiemiddelen, over het maatschappelijk product en over de maatschappelijke arbeid zich organiseert en concentreert. De sociaal-democratie verwisselt de specifiek-kapitalistische organisatievormen van de beheersing van de maatschappelijke arbeid met de maatschappelijke arbeid zelf!

Ook bij de Bolsjewiki heeft deze verwisseling plaats; zij zien het communisme als “een volkshuishouding” doorgevoerd naar het model van de moderne staatsbedrijven zoals spoorwegen en post (8).

Geen wonder, dat bij deze begripsverwisseling de opvatting van socialisme en communisme ook een geheel andere richting neemt, dan uit de marxistische beschouwingswijze van de vermaatschappelijking van de arbeid volgt. Zowel voor de radicale sociaal-democratie als voor de reformistische wordt daardoor de verticale trust – de kapitalistische vorm van organisatie van de productie van grondstof tot verbruiker – de ideaaltoestand van de communistische productiewijze.

“De gehele volkshuishouding georganiseerd naar het voorbeeld van de post […] dat is onze eerste taak.”
(Lenin (9), Staat en Revolutie, blz. 50, vertaling H. Gorter) (10).

Het ligt voor de hand, dat bij deze opvatting aan de arbeidersklasse de weg naar het socialisme dusdanig moest verschijnen, dat de arbeidersklasse zich van de politieke macht, van de staat meester maakt, waarmee ze tegelijk het door het kapitaal zelf geschapen centrale apparaat van de kapitalistische productie in handen heeft.

Zo toont de bekende linkse marxist “Parvus” (11):

“hoe gemakkelijk de overgang van de groot-industrie tot staatsproductie mogelijk is.”
(Der Staat, die Industrie und der Sozialismus, blz. 112).

Aldus ook bij Hilferding (12):

“Het betekent niet anders, dan dat onze generatie voor het probleem geplaatst is, met behulp van de staat, met behulp van de bewuste maatschappelijke regeling, deze door de kapitalisten georganiseerde en geleide productie in een door de democratische staat geleide productie om te vormen.”
(Die Aufgaben der Sozialdemokratie in der Republik, blz. 6, Referat auf dem Parteitag zu Kiel, Mai 1927).

Dit is de algemene opvatting betreffende de communistische productie, die we bij alle schakeringen binnen de sociaal-democratie aantreffen. De verschillen treden eerst op, als het gaat om de middelen, om de tactiek, waarmee men deze maatschappelijke toestand wil bereiken.

De reformistische sociaal-democratie wil het langs de weg van het algemeen kiesrecht, door het gebruikmaken van de burgerlijke democratie. Ze wil deze burgerlijk-kapitalistische staat “veroveren” en daardoor de organisaties van het kapitaal onderwerpen. De ware toestand is echter, dat de staat met de sociaal-democraten in de regering, door de organisaties van het kapitaal onderworpen worden.

De radicale sociaal-democratie (Bolsjewiki) bestrijden deze politiek heftig. Zij verlangen de vernietiging van de burgerlijke staat in de revolutie en de vorming van een nieuwe politieke macht door de politieke organisatie van de arbeidersklasse: de staat van de proletarische dictatuur.

Door deze staat zal langs revolutionaire weg een centrale economische organisatie geschapen worden – naar het voorbeeld van de kapitalistische trust – Lenin – waarin dan de bedrijven en industrieën worden opgenomen, voor zover deze daarvoor “rijp” zijn. Met andere woorden, de takken van bedrijf, die door het kapitaal voldoende zijn geconcentreerd, om in staatsbeheer te worden genomen, zullen worden “genationaliseerd”.

b. “Nationaliseren” en “vermaatschappelijken”

Ofschoon Marx geen “schildering” van het communistisch bedrijfsleven gegeven heeft, mag het bekend worden geacht, dat volgens hem de regeling van de productie “niet door de staat, maar door de verbinding van de vrije associaties van de socialistische samenleving” tot stand zou komen, een opvatting, die Marx volgens de reformist Cunow (13) aan de liberaal-anarchistische stromingen van zijn tijd zou ontlenen (H. Cunow, Die marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie, I, blz. 309).

Het beheer en de leiding van productie en distributie zouden direct aan de producenten en consumenten zelf toevallen en niet langs de omweg van de staat.

De gelijkstelling van staat en samenleving is pas een uitvinding van latere jaren.

Omstreeks 1880-1890 werd dit standpunt dan ook nog door de sociaal-democratie ingenomen, wat bijvoorbeeld heel duidelijk tot uitdrukking komt in een rede, die de oude Liebknecht (14) hield naar aanleiding van de pogingen, om de spoorwegen, de kolenmijnen en andere grote industrieën in handen van de staat te brengen.

Hij zei:

“Hoe meer de burgerlijke maatschappij inziet, dat ze zich op den duur niet tegen de stormloop van de socialistische ideeën verdedigen kan, des te dichter zijn we bij het tijdstip, dat het staatssocialisme in volle ernst geproclameerd zal worden en de laatste strijd, die de sociaal-democratie te strijden heeft, zal uitgevochten worden onder het parool: ‘Hier sociaal-democratie – Daar staatssocialisme!’’”

Cunow tekent hier bij aan: “Dienovereenkomstig verklaarde ook het congres [van de sociaal-democratische partij] zich tegen het aan de staat brengen van de bedrijven; want sociaal-democratie en staatssocialisme werden ‘onverzoenlijke tegenstellingen’ genoemd.” (Cunow, als boven, blz. 340).

In de strijd om “sociale hervormingen” werd dit standpunt echter reeds omstreeks 1900 opgegeven en werd het “nationaliseren”, het aan de staat of gemeente brengen van verschillende takken van bedrijf, als een steeds verder opschuiven naar het socialisme voorgesteld. In sociaal-democratische terminologie heten zulke bedrijven dan ook “gemeenschapsbedrijven” ofschoon de producenten met het beheer en de leiding niets te maken hebben.

c. Het probleem in de Russische revolutie (15)

Ook de Russische revolutie verliep volkomen volgens het schema van de “nationalisatie” van de industrie. Ook hier werden de takken van bedrijf, die daartoe “rijp” waren, in het centrale staatsapparaat gevoegd. In 1917 begonnen de producenten de bezitters in verschillende bedrijven te onteigenen, tot groot ongemak van hen, die het bedrijfsleven “van boven af” wilden leiden en beheren. De arbeiders wilden de productie op nieuwe grondslagen volgens communistische regels organiseren.

In plaats van deze regels kregen ze stenen voor brood: de Communistische Partij gaf richtsnoeren, waarnaar de bedrijven zich tot trusts moesten verenigen, om ze onder centrale leiding te krijgen. Wat niet in het centrale beschikkingsplan opgenomen kon worden, werd aan de bezitters teruggegeven, omdat deze bedrijven nog niet “rijp” waren. Zo zien we dan, hoe al direct op het eerste Al-Russische Congres van de Economische Raden het volgende besluit werd gevat:

“Op het gebied van de organisatie van de productie is een algehele nationalisatie noodzakelijk. Het is noodzakelijk, van de doorvoering van de nationalisatie van afzonderlijke ondernemingen (waarvan er 304 genationaliseerd en in beslag genomen zijn) tot een doelmatige nationalisatie van de industrie over te gaan. De nationalisatie mag geen “gelegenheids”-nationalisatie zijn en slechts door de Opperste Economische Raad der Gevolmachtigden, onder goedkeuring van de Opperste Economische Raad, tot stand komen.”
(A. Goldschmidt (16), Wirtschaftsorganisation in Sowjet-Russland, blz. 228).

De Communistische Partij gaf dus geen (17) richtsnoer, waarnaar de arbeiders zelf hun bedrijf in het communistische bedrijfsleven voegden, ze gaf geen richtlijnen, waarnaar het beheer en de leiding van het productieproces inderdaad aan de samenleving overging, voor haar was de bevrijding van de arbeiders niet het werk van de arbeiders zelf, maar voor haar was de doorvoering van het communisme een functie van de “mannen van de wetenschap”, van de “intellectuelen”, van de “statistici” en hoe al die geleerde heren nog meer mogen heten. De Communistische Partij meende, dat het voldoende was, de oude industriegeneraals te verjagen en het Recht van Commando over de arbeid zelf in de hand te nemen, om alles in de veilige haven van het communisme te leiden! De arbeidersklasse was juist goed genoeg, de oude beheersers van de arbeid weg te vagen – en er nieuwe voor in de plaats te zetten. Verder reikte haar functie niet en verder kon ze ook niet reiken, omdat de basis voor de zelf-organisatie niet door het geven van algemeen geldende productieregels gegeven was.

De Bolsjewiki, die nog al hoog van de toren plegen te blazen, dat ze consequente volgelingen van Marx zijn, doen daarom verstandiger een toontje lager te zingen, waar ze toch de hele zin van de vermaatschappelijking van de productiemiddelen tot het “nationaliseren” van de “rijpe” bedrijven omlaag drukken, wat niet anders is, dan het opgeven van de proletarische revolutie, het opgeven van het communisme.

In marxistische zin zijn er geen “rijpe” of “nog-niet-rijpe” bedrijven, maar is de maatschappij als geheel rijp voor het communisme. Zeer terecht merkt F. Oppenheimer (18) dan ook op in het verzamelboek van H. Beck (19) over Wege und Ziele der Sozialisierung, op blz. 16-17:

“Men verbeeldt zich, de marxistische vermaatschappelijking stap voor stap te benaderen, door het aan de staat of aan de gemeente brengen van afzonderlijke bedrijven voor vermaatschappelijking uit te geven. Vandaar de anders geheimzinnige, onbegrijpelijke zinswending van de ‘rijpe’ bedrijven […]. Vanuit het standpunt van Marx is dit […] grove onbeschaamdheid. Voor hem kan de socialistische samenleving slechts als een geheel ‘rijp’ zijn. Afzonderlijke bedrijven of bedrijfstakken kunnen in zijn gedachtegang net zo min rijp zijn en ‘vermaatschappelijkt’ worden, als de afzonderlijke organen van een embryo in de vierde maand van de zwangerschap rijp kunnen zijn en afzonderlijk tot een zelfstandig bestaan ontbonden kunnen worden.”

d. Het recht van commando over de arbeidersklasse in het staatscommunisme

Wat voor de sociaal-democratie in al haar schakeringen als socialisme of communisme geldt is niet anders dan een consequent doorvoeren van de organisatievormen, die het kapitalisme in en door zijn concentratieproces aanneemt.

Wat betekent echter de door de concentratie van het kapitaal geschapen productie-organisatie? Wat betekent het enerzijds uit de gezichtshoek van de loonarbeiders gezien en anderzijds vanuit het standpunt van de kapitalisten?

Het is de beheersing van de arbeid, de georganiseerde beheersing van de loonarbeiders!

De marxistische ontleding van het kapitalisme laat daaromtrent niet de geringste twijfel. Bij Marx is de maatschappelijke plaats van de kapitalist tegenover de loonarbeider daardoor gekarakteriseerd, dat hij de beschikking over de arbeid heeft, over de arbeiders in de productie.

De socialisatie-theorieën van alle richtingen van de sociaal-democratie draaien ook alle om hetzelfde punt van de beheersing van de arbeidersklasse. Dat de arbeid beheerst moet worden, is voor haar vanzelfsprekend en dat daartoe (omdat het om een maatschappelijk, onverbrekelijk verbonden systeem gaat) een straf-centrale organisatie nodig is, is even “natuurlijk”. De taak, die men zich stelt, bestaat daarin, dit commando over de arbeiders alomvattend en zo centraal mogelijk te organiseren en dit commando zelf onder het toezicht van het parlement (de reformisten) of van de proletarische staat, zoals die door de partij van de loonarbeiders wordt gevormd (de Bolsjewiki), te stellen. Met andere woorden: de beheersing van de arbeidersklasse zal verzacht worden door de “democratie”.

Binnen deze grenzen bewegen zich de richtingen van de zogenaamde “marxistische” arbeidersbeweging, gerekend vanaf de rasechte reformisten tot de uitgesproken revolutionairen, die de huidige economische en politieke organisatie van de maatschappij willen vernietigen, om ze opnieuw te organiseren.

Het resultaat is altijd een machtsapparaat met de bevoegdheid tot recht van commando over de loonarbeiders.

Wil bij de socialisatie-projecten het socialistisch productiesysteem functioneren, dan moet zijn leiding er vóór alles op bedacht zijn, dat de beschikking over de productiemiddelen en daarmee het recht van commando over de arbeid, over de arbeiders, wordt verzekerd. In de theorie wordt dit recht opgeëist, om zich tegen de contra-revolutie te weren; in de praktijk richt het zich ook tegen iedere ongewenste inmenging van de kant van de loonarbeiders. Als de arbeiders zelf over de gang van de productie willen beslissen, dan wordt dit streven als een uiting van burgerlijke geestesgesteldheid voorgesteld en... deze arbeiders worden dus als contra-revolutionairen behandeld.

Aan de ontwikkeling van het Russische staatscommunisme hebben we een leerrijk voorbeeld gehad!

Wat wil men nu met de door het parlement of de politieke partij van de loonarbeiders ingesteld centrale leiding van het bedrijfsleven bereiken? De uitbuiting moet worden opgeheven; daarover zijn allen het eens. De reformisten menen dit doel te kunnen bereiken, als de staat slechts de uitbuiting ter hand neemt en deze dan de gemaakte winsten naar de arbeiders doet afvloeien in de vorm van “sociale inrichtingen” en hervormingen.

De Bolsjewiki probeerden het door de bewegingswetten van het huidige productiesysteem op te heffen en de maatschappelijke producten, zowel over de bedrijven als aan de consumenten, in natura te verdelen. Dit liep al heel spoedig op een fiasco uit, zodat men tot genoemde reformistische methoden overging; het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: staatskapitalisme.

e. De distributie van productiemiddelen en consumptie in natura als bolsjewistisch ideaal (20)

Het doel, dat de Bolsjewiki voor ogen zweefde, was het bereiken van een toestand, waarbij de loonarbeid en de uitbuiting zijn opgeheven. Daartoe stuurden ze doelbewust op een afschaffing van het geld aan, wat dan tot stand moest komen door een geweldige “inflatie” van het ruilmiddel. De staatsdrukkerijen werkten dag en nacht door, om maar steeds meer papiergeld te drukken, dat de staat wel voor betalingen gebruikte, maar waarvoor ze geen tegenwaarde garandeerde.

“[…] Bankbiljetten worden gefabriceerd […] Men kan er niet genoeg van drukken. De behoefte eraan is veel groter dan de productiemogelijkheden.”
(Goldschmidt, als boven, blz. 138).

Met het toenemen van het totaal-bedrag aan uitgegeven “geld” daalde natuurlijk de ruilwaarde, de koopkracht, van de roebel. De prijzen van de goederen sprongen met de dag omhoog, een verschijnsel, zoals we dat ook uit de Duitse inflatietijd kennen. De waarde van het ruilmiddel liep zo snel achteruit, dat degenen, die iets te verkopen hadden, dit, indien even mogelijk, niet eens meer tegen “geld” wilden afgeven. Ze wilden hun goederen wel van de hand doen, maar alleen direct tegen andere goederen, zonder de tussenvorm “geld” te gebruiken: ze wilden alleen goederen “in natura” ruilen.

Dit was juist waar de Bolsjewiki naar streefden. In het Gedenkschrift van het Commissariaat van Financiën in Rusland, dat in 1921 aan alle deelnemers aan het 3e Congres van de IIIe Internationale te Moskou werd aangeboden, wordt deze politiek van inflatie als een welbewuste methode tot de invoering van het communisme geroemd!

Dit communisme zou er dan dusdanig uitzien, dat de Centrale Economische Raad van de Sovjetstaat de goederenproductie ter hand zou nemen, bij uitschakeling van het geld en van de handel. Hij zou voor alle inwoners vaststellen, hoewel brood, boter, kleren enzovoort ieder per week of per jaar zou krijgen, wat mogelijk gemaakt moest worden door een nauwkeurige productie- en verbruikersstatistiek.

“De proletarische economie is in principe een goederen-productie-systeem, een “Naturalwirtschaft”. Met de uitbouw van de productie door de staat verdwijnt in de eerste plaats het geld uit het verkeer tussen de gemeenschapsbedrijven. De steenkoolmijnen voorzien de spoorwegen en de hoogovens met steenkool zonder prijsverrekening. De hoogovens leveren het ijzer aan de machinefabrieken, deze de machines aan de staatslandbouwbedrijven, zonder tussenkomst van het geld. De arbeiders krijgen een steeds groter deel van hun loon in natura: behuizing, verwarming, brood, vlees, enzovoort. […] Het geld sterft ook als circulatiemiddel af.”
(Varga (22), Die wirtschaftlichen Probleme der proletarischen Diktatur, blz. 138).

De productie- en distributieberekening zou zich dus niet voltrekken naar geld, of een andere algemene maatstaf, maar alleen naar hoeveelheden goederen. Men zou alleen rekenen in kilogrammen, meters, tonnen, enzovoort. Met andere woorden: men zou, zoals de Duitse taal dat zo kernachtig kan uitdrukken, overgaan tot de “Naturalwirtschaft”, welke door Otto Neurath aldus wordt gekarakteriseerd:

“De leer van het socialistisch bedrijfsleven kent slechts één enkele producent-distributeur, de samenleving, die zonder winst- en verliesrekening, zonder circulatie van geld, zij het metaalgeld of arbeidsgeld, op grond van een productieplan de productie organiseert en de levensniveau’s volgens socialistische regels verdeelt, zonder daaraan enige rekeneenheid ten grondslag te leggen.”
(Neurath, Wirtschaftsplan und Naturalrechnung, blz. 83).

Van 1917-1921 hebben de Bolsjewiki geprobeerd, dit principe te verwerkelijken, en het genoemde gedenkschrift is nog als een laatste uitloper van deze pogingen te beschouwen: in 1921 volgde de stabilisatie van de roebel, men keerde tot het “waardevast geld” terug.

Het was geenszins het uitblijven van de wereldrevolutie, noch was het individuele boerenbedrijf in Rusland de oorzaak, dat de Sovjetstaat zijn plannen inzake de “geldloze productie en distributie”, volgens de berekening van de productie in “natura” moest opgeven en de roebel moest stabiliseren. Productie en distributie bleken op deze “communistische grondslag” onmogelijk.

De Russische revolutie heeft praktisch bewezen, dat een maatschappelijke productie zonder rekeneenheid waanzin is!

Bij de pogingen om het Russische bedrijfsleven in nieuwe banen te leiden, ging men – zeer terecht – uit van een vooraf gemaakt begrotingsplan, van een productieplan. De afzonderlijke bedrijven maakten hun begrotingen, die dan door de centrale trustleiding tot een algemeen trustplan verwerkt werden. De samenvoeging van alle trustbegrotingen leverde aan de Opperste Economische Raad een overzicht over het hele in de staat samengevatte productieapparaat, zodat een algemeen productieplan voor de hele staatsproductie samengesteld kon worden.

Al deze plannen stonden op de basis van de roebel. En waarom niet in een rekening naar “natura”? Omdat men geen kilogrammen ijzer en tonnen steenkool enzovoort bijeen kan tellen! De waarde van de roebel liep echter snel achteruit en de prijzen van de producten liepen daarmee even snel omhoog. Daardoor bestonden deze begrotingen alleen op papier: ze hadden geen waarde voor de werkelijke doorvoering.

Varga, die de verdiensten van de “inflatie-methode” erkent, ziet hierin dan ook haar belangrijkste schaduwzijde. Hij zegt:

“De snelle en voortdurende waardevermindering van het geld is in zoverre nadelig, als het de stabilisatie van de lonen verhindert, loonbewegingen en moeilijkheden tussen de staatsarbeiders en de proletarische staat veroorzaakt, tot voortdurende loonsverhogingen dwingt, de berekening ten zeerste bemoeilijkt, in het bijzonder echter het nakomen ervan.”
(Varga, als boven, blz. 138).

Hier ligt dan ook een van de praktische gronden, waardoor de Sowjetstaat op de dwalingen haars weegs, betreffende de vernietiging van het “waardevast geld”, terug moest keren.

Reeds 1919 constateert men, dat

“de berekening naar de waarde der producten met de dag noodzakelijker wordt”, zodat het tweede Economisch Congres (1919) besloot, “de berekening van de belangrijkste staatsuitgaven naar de waarde van de producten te verrichten”
(Goldschmidt, als boven, blz. 133).

Natuurlijk is dat alleen mogelijk, als de hele productie op de grondslag van de “waarde” staat, dus moet de algehele stabilisatie van het geld absoluut noodzakelijk volgen.

De stabilisatie van de roebel betekende dan ook, dat het staatskapitalisme, dat zich direct bij de doorvoering van de revolutie organiseerde, in de loop van zijn ontwikkelingsgang zijn bewegingswetten in vaste banen bracht.

In het Russische bedrijfsleven zijn de industriële productiemiddelen in handen van de staat overgegaan. De beschikking erover, alsmede over de arbeid (en daarmee over de arbeiders) en over het arbeidsproduct is in handen van de Opperste Economische geconcentreerd.

De producenten hebben geen zeggenschap over het product; de scheiding van arbeider en arbeidsproduct is het wezenlijke kenmerk van de productie.

De Opperste Economische Raad kan de productie alleen leiden en beheren op de grondslag van de waarde van de producten. Ze moet daar ook de waarde van de arbeidskracht in rekening brengen, ze moet de arbeider in ruil voor zijn arbeidskracht zoveel aanwijzing op het maatschappelijk product geven, als de waarde van de arbeidskracht bedraagt. Dat is zijn arbeidsloon. De arbeider is dus loonarbeider.

De Opperste Economische Raad moet de arbeidskracht op de markt kopen, waartoe men tegenwoordig de ook in het Westerse kapitalisme gebruikelijke methode van collectieve contracten met de vakverenigingen inslaat.

f. Loonarbeid en staatscommunisme

Het is in de eerste plaats noodzakelijk, duidelijk in te zien, dat een productie op de grondslag van de waarde van de arbeidskracht, dat is op loonarbeid, nooit tot iets anders voeren kan, dan tot ontrechting van de arbeiders. De oorzaak hiervan ligt niet in de slechtheid van de staatsbestuurders, maar in de bewegingswetten van het systeem.

De kern van de zaak is deze, dat er een tegenstelling is tussen de waarde van de arbeidskracht en de arbeid, die de arbeider dagelijks aan z’n baas levert. We krijgen nooit onze arbeid betaald, maar we krijgen in ruil voor onze arbeidskracht zoveel als nodig is, om in ons onderhoud te voorzien (23).

Met ons arbeidsloon trekken we, bijvoorbeeld wekelijks, een aantal goederen uit de markt, waarin niet meer dan bijvoorbeeld 24 uur maatschappelijke arbeid steekt. Maar in werkelijkheid hebben we in die week 40, 50, 60 uur of langer gewerkt. De arbeid, die we langs deze weg méér aan de maatschappij geven, dan we er door middel van ons loon uit weg trekken, heet de meerarbeid, die dan voor de bezitters van de productiemiddelen of voor de staat tot meerwaarde wordt. Hoe lager de lonen en hoe langer de arbeidsdag, des te groter is de meerwaarde, die aan de staat of aan de kapitalisten toevalt.

Zeer ten onrechte is de mening wijd verbreid, dat de meerwaardevorming op zichzelf wel goed is, maar dat deze meerwaarde niet aan de bezittende klasse mag toevallen, doch door de communistische staat weer aan de arbeiders gebracht moet worden door middel van sociale wetgeving.

Deze opvatting is fout, omdat ze geen rekening houdt met de sociale betekenis van de loonarbeid.

We wezen er reeds op, dat er een tegenstelling is tussen de waarde van de arbeidskracht en de arbeid die we per dag leveren. Het eigenaardige is dus, dat de hoeveelheid arbeid die we aan de maatschappij geven, niets te maken heeft met de hoeveelheid goederen, die we door ons arbeidsloon uit de markt nemen. Met andere woorden, er is geen directe betrekking tussen de door ons voortgebrachte goederenrijkdom (24) en ons arbeidsloon. De arbeider bepaalt door zijn arbeid niet tegelijk zijn aandeel in het voorgebrachte product.

Niet onze arbeid, maar de waarde van onze arbeidskracht bepaalt welk deel van de goederenrijkdom we zullen krijgen.

Gezien vanuit het standpunt van de loonarbeider wordt daarmee zijn aandeel in het maatschappelijk product praktisch een slag in de lucht. Wel zal zijn loon rondom de waarde van de arbeidskracht schommelen, maar hij zal er voor moeten vechten, onverschillig of dat in een kapitalistische- of in een “communistische” staat is. Omdat feiten beter spreken dan grauwe theorie, zullen we dit straks aan de hand van de Russische ervaringen demonstreren.

De eigenaardigheid, dat de hoeveelheid arbeid, die we aan de maatschappij geven, niets te maken heeft met het arbeidsloon, is echter veel belangrijker dan alleen uit ’t oogpunt van de distributie. Het betekent, dat de loonarbeider met het maatschappelijk product niets te maken heeft. Het brengt tot uitdrukking, dat de producent van het maatschappelijk product gescheiden is.

Het betekent: dat de producent met de leiding en het beheer van het maatschappelijk productieproces niets te maken heeft.

Dát is de wezenlijke betekenis van een productie, waarin de arbeidskracht op de grondslag van de waarde betaald wordt.

Het betekent tevens sociale tegenstellingen binnen de arbeidersklasse, sociale tegenstellingen tussen de arbeiders en de “rode directeuren” van de fabrieken. Het betekent strijd van de arbeiders tegen “hun” staat.

De waarde van de arbeidskracht is de de drager van al deze conflicten.

Dat komt, omdat niet onze arbeid onze verhouding tot het maatschappelijk product bepaalt!

De arbeiders die menen, dat het er voor een communistische revolutie slechts op aan komt, de meerwaarde van de bezitters naar de staat te doen afvloeien, vergissen zich daarom grondig. In de grond van de zaak willen de arbeiders hun verhouding tot het maatschappelijk product in een communistische productie opnieuw regelen. En ze menen dan, dat ze een nieuwe verhouding gelegd hebben, als ze de kapitalisten van de meerwaarde uitsluiten, om deze naar de staat te doen afvloeien. Wat er in werkelijkheid gebeurt, is wel een nieuwe verdeling van de meerwaarde over de maatschappij, maar waar het voor ons loonarbeiders om gaat, een nieuwe verhouding van producent tot het maatschappelijk product, dat komt niet. In het kapitalisme werd deze verhouding bepaald door de waarde van de arbeidskracht en in het zogenaamde “communisme” … óók. Voor de loonarbeider kan daarom de inzet van de proletarische revolutie geen andere zijn, dan het leggen van een nieuwe verhouding van de producent tot het maatschappelijk product.

Voor de proletariër kan de inzet van de sociale revolutie geen andere zijn, dan door zijn arbeid tegelijk zijn verhouding tot het maatschappelijk product te bepalen.

Dat betekent: Opheffing van de loonarbeid! De arbeid is de maatstaf van de consumptie!

Het is de enige voorwaarde om de leiding en het beheer van de maatschappelijke productie in handen van de arbeiders zelf te leggen.

Toen de Russen er toe over gingen, de productie op de grondslag van de waarde te stellen, proclameerden ze daarmee de onteigening van de arbeiders van de productiemiddelen, ze proclameerden daarmee, dat er geen direct verband zou zijn tussen de voort te brengen goederenrijkdom en het aandeel van de arbeiders in het maatschappelijk product.

Alle kapitalistische elementen slopen het bedrijfsleven binnen, zodra de waarde en de meerwaarde weer hun ordenend werk gingen beginnen. Het is de geheime kracht, die overal werkt en nergens concreet te grijpen is, die het maatschappelijk leven met onzichtbare hand stuurt.

Vandaar dat Lenin de verzuchting moest slaken:

“De machine glijdt uit onze handen; het is alsof iemand aan het stuur zit, maar de machine gaat niet daarheen, waar hij naar toe stuurt, maar daarheen, waar de een of ander ze stuurt, iets illegaals, onwettelijks, dat god weet waar vandaan komt, de een of andere speculant, privaatkapitalist of wie ook. De machine gaat absoluut niet daarheen, waar degene, die aan het stuur zit, haar hebben wil […] Wie leidt, wie? Ik betwijfel zeer, dat men zeggen kan, dat de communisten deze machine leiden. Als men de waarheid zeggen wil, dan leiden wij haar niet, maar zij leidt ons.”
(Lenin, Werke, Band XVIII-2, blz. 35 en 43) (25).

De waarde van de arbeidskracht “ordent” de lonen:

“De buitenlandse bezoekers verwonderen zich over niets zo zeer, als over het grote verschil in lonen tussen geschoolden en ongeschoolden, die bij ons […] zulk een kolossaal verschil vertonen als nergens in West-Europa.”
(Tomski – op het 7e Vakverenigingscongres (26)).

Vervolgens willen we illustreren, hoe het gevecht om de lonen niet beneden de waarde van de arbeidskracht te doen dalen, ook in Rusland bleef doorgaan:

“Terwijl de communist in de kapitalistische landen looneisen ondersteunen moet, mag hij onder de proletarische dictatuur zo niet handelen […] Hier moeten de economische eisen van de arbeiders met de ontwikkeling van de productiekrachten en de socialistische accumulatie in overeenstemming gebracht worden. Toen daarom in juli [1926] de eis van loonsverhogingen naar voren werd gebracht, heeft niemand van de vakverenigingen deze eisen ondersteund. De Centrale Raad van Vakverenigingen kon ze niet ondersteunen […] omdat er sinds het voorjaar een prijsstijging was […] Onder deze omstandigheden betekende de eis van loonsverhoging dus: het werkelijke loon moet bij de prijsstijging aangepast worden. Maar dit zou de officiële erkenning van de waardedaling van het geld betekent hebben […] en daar konden we niet op in gaan.”
(Tomski, 7e Vakverenigingscongres Protocol, blz. 49).

In 1921 werd de berekening naar de waarde doorgevoerd. De goederenprijzen sprongen de hoogte in. In 1921 was de index voor de kleinhandelsprijzen 139 en in 1922... 198. Aangezien de door de arbeider verrichte arbeid niets te maken heeft met de voortgebrachte goederenrijkdom, bleven de lonen ver bij de prijsstijgingen achter. Zodoende braken er grote stakingen uit, om de prijs van de arbeidskracht niet al te veel beneden de waarde te doen dalen. Deze stakingen waren bijna alle “wilde” stakingen en slechts in enkele gevallen werden ze, tot grote ergernis van de centrale vakbonden, door de plaatselijke vakbonden ondersteund. Het vakverenigingsorgaan Voprocy Truda 1924, No. 7/8 levert daaromtrent de volgende gegevens, waarbij de redactie opmerkt, dat de statistiek niet volledig is:

In 1921477 stakingen met184.000 stakers.
In 1922505 stakingen met154.000 stakers.

95% van de stakers behoorden tot de staatsbedrijven. Van al deze stakingen werden er slechts 11 door de vakverenigingen gesteund. Dan versterkt Dogadov op het 7e Vakverenigingscongres de volgende gegevens:

In 1924267 stakingen,waarvan 151 in staatsbedrijven.
In 1925199 stakingen,waarvan 99 in staatsbedrijven.

Van deze stakingen werd geen enkele door de vakverenigingen gesteund.

Dat de vakverenigingen deze loonbewegingen niet steunden, komt natuurlijk, doordat deze bij het staatsapparaat waren ingeschakeld. Op de XIe partijdag van de K.P.R. (maart-april 1922) erkent de vakverenigingsman Andrejew (27) “de moeilijke materiële toestand van de arbeiders”, maar hij treedt er tegen op, dat de vakverenigingen “overmatige looneisen aan de staat stellen en uit deze zoveel mogelijk zoeken te halen”. Andrejew verklaart het feit, dat verschillende vakverenigingen zich achter de looneisen plaatsen hieruit, dat het vakverenigingsapparaat met vroegere mensjewiki en sociaal-revolutionairen doortrokken is. Daarop volgde een “reiniging” [= zuivering] van het vakverenigingsapparaat.

De productie op de grondslag van de waarde van de arbeidskracht bepaalt, dat de arbeiders met beheer en leiding van de productie niets te maken hebben.

Als Russische ervaring:

“De onafwijsbare noodzakelijkheid, de productiviteit van de arbeid te doen stijgen en de rentabiliteit van alle bedrijven te bereiken, […] brengt de belangen van de arbeidersmassa’s met die van de fabrieksdirecteuren in zekere tegenstelling, zodra het om de arbeidsvoorwaarden gaat […] Daarom is het de absolute plicht van de vakverenigingen de belangen van de arbeiders in de gesocialiseerde bedrijven te verdedigen […]”
(Resolutie, XIe Partijdag, maart-april 1922).

Dit was dan ook wel nodig, want de Centrale Raad van de Vakverenigingen stelde vast, dat de Opperste Raad zich bij arbeidsbescherming: “niet liet leiden door de belangen van de arbeiders, maar door de financiële belangen van de industrie” (Trud, 1928, nr. 31).

Dat betekende dan, dat de Opperste Economische Raad te weinig gelden beschikbaar stelde voor de arbeidsbescherming in de bedrijven. Maar de “rode directeuren” maakten het veel fraaier. Van de klaarblijkelijk te schrale middelen voor arbeidsbescherming gebruikten ze slechts een klein gedeelte. De rest staken ze waarschijnlijk in het bedrijf. Zo geeft de Trud, 1928, nr. 32, de volgende getallen:

De Oekraïense staatstrust verbruikte 20%. Dus waarschijnlijk heeft ze 80% van de middelen, die voor arbeidsbescherming bestemd waren, in het bedrijf gestoken. De Oeral-Asbesttrust verbruikte slechts 28%, de Donugol verbruikte 18,7%, de Jugostaal 14,8% ende Jushni-Rudnitrust verbruikte slechts 4,9%. Inderdaad een zuinig bedrijfsbeheer!

De gevolgen bleven dan ook niet uit:

Bedrijfsongevallen – (Trud, 1928, nr. 159).

In de trust Donugol hadden in 1925 – 18,7% van alle arbeiders een ongeval; in 1926 bedroeg het 26,3% of 18.821 man. In 1927 steeg het tot 25.749 man.

In de Montaan-industrie (28):

1923:aantal ongevallen11,5%
1925:aantal ongevallen18%
1926:aantal ongevallen25%

Tenslotte nog enige gegevens uit de Trud, 1928, nr. 280:

Aantal ongevallen in de mijnbouw 1927/1928:

Oktober-december 19278,3%
Januari-maart 19289,3%
April-juni 192810%

Het aantal ongevallen steeg dus in ieder kwartaal met ongeveer 1%. In de metaalindustrie was het aantal ongelukken in dezelfde tijdperken 6,8%, 7,1%, 7,9%. Ook hier dus een regelmatige stijging.

Dat is de ordenende functie van de waarde en de meerwaarde!

We willen het hierbij laten. Het gaat er voor ons slechts om, deze dingen vanuit een bepaalde gezichtshoek te doen zien. En deze is dan, dat dit verloop van zaken in Rusland niet geweten kan worden aan de slechtheid van de Russische staatsbestuurders, maar dat het een noodzakelijk gevolg is van een productie, waarin de arbeidskracht als koopwaar verschijnt, ongeacht of een staat deze arbeidskracht koopt of een particuliere ondernemer. Ook heeft het er niemandal mee te maken, of de meerwaarde aan particulieren komt of aan de staat. De waarde verricht z’n ordenende functies. En dan moet men met Lenin zeggen: “Ik betwijfel zeer, dat men zeggen kan, dat de communisten deze machine leiden. Als men de waarheid zeggen wil, dan leiden wij haar niet, maar zij leidt ons.”


III. – De rekeneenheid in het communisme

a. De regeling van de productie

Bij de “marxistische verklaring van de beheersing van de arbeidersklasse” hebben we reeds gezien, dat het eigenlijke probleem van het communisme in het opheffen van de scheiding van arbeid en arbeidsproduct ligt. Niet één of andere Opperste Economische Raad, maar de producenten moeten door hun bedrijfsorganisaties zelf de beschikking over het arbeidsproduct hebben, waarmee ze tot vrije producenten worden, die zich in hun onderlinge, steeds wisselende samenhang tot de associaties van vrije en gelijke producenten groeperen. Doordat de huidige techniek de hele productie vermaatschappelijkt heeft, doordat alle bedrijven technisch volkomen van elkaar afhankelijk zijn en ze met elkaar één ononderbroken arbeidsproces vormen, is het de taak van de revolutie ze ook economisch aanéén te smeden, wat alleen mogelijk is, als één algemeen economische wet het hele productieproces verenigt.

Deze samensluiting van het productieproces heeft een heel andere zin, dan die in de zogenaamde “socialisatie-theorieën”. Deze toch bewegen zich altijd binnen de organisatorische aanéénsluiting van verschillende takken van productie. Ze houden zich bezig met de vraag, welke industrieën verenigd moeten worden en hoe dit vraagstuk organisatorisch-technisch moet worden opgelost. Met de bewegingswetten van een nieuw productiesysteem heeft dat niets te maken. De nieuwe, algemeen economische wet, die het gehele productieproces verenigt, zegt nog absoluut niets over de organisatorische aanéénsluiting van de productie. Ze legt alleen de voorwaarden vast, waaronder de in de bedrijfsorganisaties verenigde producenten aan het grote maatschappelijke productieproces deelnemen. Deze voorwaarden moeten in de eerste plaats voor ieder deel van het totaal-proces hetzelfde zijn. In tegenstelling met Lenin, die uitgaat van de grondstelling:

“De gehele volkshuishouding georganiseerd naar het voorbeeld van de post […] dat is onze eerste eis”,

zeggen wij:

Gelijke economische voorwaarden voor alle delen van de maatschappelijke productie, dat is onze eerst eis.

Dan pas is de kwestie van de organisatie-techniek aan de orde.

Gelijke economische voorwaarden heeft in de allereerste plaats betrekking op het doorvoeren van een algemeen geldende, vaste maatstaf, waarnaar alle berekeningen in productie en distributie zich voltrekken. Deze maatstaf kan niet meer het geld zijn, omdat zich geen “derde persoon” meer tussen de arbeider en z’n product schuift. De arbeider staat hier niet als een “vreemde” tegenover het maatschappelijk arbeidsproduct. Wel consumeert de arbeider niet direct het door hen zelf vervaardigde product, maar zijn product heeft iets in zich, dat alle maatschappelijke goederen gemeen hebben: de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die hun vervaardiging kostte. Alle goederen zijn dus maatschappelijk gezien kwalitatief volkomen gelijk. Ze verschillen alleen in de hoeveelheid maatschappelijke arbeid, die ze in het productieproces hebben opgenomen.

Zoals de maatstaf voor de individuele arbeidstijd het arbeidsuur is, zo moet de maatstaf voor de hoeveelheid maatschappelijke arbeid, die in de producten steekt, dus het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur zijn.

Als dwingende eis van de proletarische revolutie blijkt zodoende, dat alle bedrijfsorganisaties verplicht zijn, voor de door hen vervaardigde producten te berekenen, hoeveel maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd ze in de productie hebben opgenomen, terwijl ze hun product voor deze “prijs”aan de andere bedrijven of aan de consumenten geven. Tevens krijgen de bedrijfsorganisaties daarvoor het recht, voor een gelijk bedrag aan maatschappelijke arbeider in de vorm van andere producten te betrekken, om het productieproces op dezelfde grondslag te kunnen voortzetten. Daardoor nemen ze alle onder gelijke economische voorwaarden aan het productieproces deel. Is deze regel voor de productie en voor de distributie doorgevoerd, dan is het hele bedrijfsleven, dat door de deel-arbeid reeds maatschappelijk verbonden is, ook economisch, dit is maatschappelijk geregeld.

Het kapitalisme probeert deze regeling langs organisatorische weg, door versterking van de concentratie van zijn macht in de industrie door te voeren. Wat hem gelukt, is alleen de organisatie van de macht op antagonistische grondslag, de organisatie van de concurrentiestrijd op steeds hogere trap, met het gevolg van steeds ernstiger catastrofen. Het probeert langs politieke weg, volgens de regels van de “democratie”, een verzachting van de tegenstelling te verkrijgen, maar deze dient ten slotte slechts daartoe, de laatste en diepste tegenstelling die tussen de bezittende klasse en proletariaat, te organiseren en haar verdere duur te waarborgen. Deze maatschappelijke toestand kan slechts overwonnen worden, door de arbeiders “vrij” te maken, door hen het beschikkingsrecht over de productiemiddelen te geven en hen onder gelijke economische voorwaarden aan het productieproces te laten deelnemen.

De revolutie betekent echter niet alleen een omwenteling van de economische voorwaarden van de productie, maar van de zijde van de individuele consumptie gezien, legt ze ook hier nieuwe economische voorwaarden. Hebben de arbeiders de beschikking over het arbeidsproduct gekregen, dan moet hun verhouding tot dit product op nieuwe grondslag worden vastgelegd en geregeld. Want wel hebben de arbeiders de beschikking over het product, maar toch niet meer in de zin van het privaat-kapitalisme met willekeurig vrije beschikking. De beschikking over het product voltrekt zich alleen onder maatschappelijke en voor allen gelijke voorwaarden. De producenten en consumenten zijn wel vrij, maar toch slechts door hun maatschappelijke gebondenheid. De gelijke voorwaarden voor de individuele consumptie kunnen weer alleen liggen in de gelijke maatstaf voor de consumptie. Zoals het individuele arbeidsuur de maatstaf is voor de individuele vrijheid, zo is het individuele arbeidsuur tevens de maatstaf voor de individuele consumptie. Daarmee is ook de consumptie maatschappelijk geregeld en beweegt ze zich in volkomen exacte banen.

Het doorvoeren van de sociale revolutie is dus in wezen niet anders, dan het doorvoeren van de maatstaf van het maatschappelijk gemiddeld arbeidsuur in het hele economische leven. Het dient als maatstaf voor de productie en tegelijk als maatstaf voor het recht van de producenten op het maatschappelijk product.

Het wezenlijke hierbij is echter, dat deze categorie door de producenten zelf doorgevoerd wordt.

En dit niet, omdat het een “ethische” of een “morele” eis van het communisme is, maar omdat het economisch niet anders kan. Inderdaad is “de ontvoogding van de arbeid”, de ontplooiing van de vrije mens, ook een ethische eis. Het betekent dus niet anders, dan dat economie en ethiek zich alleen wederkerig kunnen verwerkelijken. Ze worden tot eenheid versmolten.

b. Het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur bij Marx en Engels

Bij onze analyse van de voorwaarden van de communistische productie en distributie zijn we uitgegaan van de marxistische beschouwingswijze van de beheersing van de arbeidersklasse, hebben ons, zoals reeds opgemerkt, niet aan citaten vastgeklampt, omdat deze nooit de juistheid van een zienswijze kunnen bewijzen, doch hoogstens een uiteenzetting kunnen verhelderen. Terwille van hen, die bij ons “ernstige anarchistische afwijkingen” constateren, willen we onze zienswijze toch wel even met die van Marx en Engels confronteren. Het zal daarbij blijken, dat deze “afwijkingen” hun wezenlijke zienswijze omtrent het communistisch bedrijfsleven waren.

Daarbij dient dan allereerst opgemerkt, dat de bolsjewistische dwaasheid van een goederenproductie zonder “rekeneenheid” een aan Marx en Engels volkomen vreemd element is.

Engels wijst het maatschappelijk gemiddeld arbeidsuur volkomen duidelijk als rekeneenheid aan: “De samenleving kan eenvoudig berekenen, hoeveel arbeidsuren in een stoommachine, een hectoliter graan van de laatste oogst […] belichaamd zijn. Het kan dus niet in haar opkomen, de in de producten neergelegde arbeidshoeveelheden, die ze dan direct en absoluut kent, verder nog in een betrekkelijk onvoldoende, vroeger als hulpmiddel onvermijdelijke maat, in een derde product uit te drukken en niet in haar natuurlijke, adequate, absolute maat, de tijd […] De samenleving schrijft dus onder bovenstaande vooropstelling ook geen waarde aan de producten voor.” (Engels, Anti-Dühring, blz. 335) (29).

Bij Marx vinden we in Het Kapitaal hetzelfde beginsel terug. Als hij een nadere beschouwing van de waarde wil geven, doet hij dit aan de hand van de bekende Robinson op z’n eiland, die z’n gehele economische leven zelf opbouwde:

“De nood dwingt hem, zijn tijd nauwkeurig tussen zijn onderscheiden verrichtingen zorgvuldig te verdelen. Of de ene meer, de andere minder in het geheel van zijn inspanning inneemt, hangt af van de grotere of minder grote moeilijkheid, die ter bereiking van het beoogde nut te overwinnen is. De ondervinding leert hem dat, en onze Robinson, die horloge, grootboek, inkt en pen uit de schipbreuk heeft gered, begint als een goed Engelsman weldra boek over zichzelf te houden. Zijn inventaris bevat een opgaaf van de gebruiksvoorwerpen, die hij bezit, de verschillende bezigheden, die tot hun voortbrenging vereist worden, eindelijk de arbeidstijd, welke hem bepaalde hoeveelheden van deze producten in doorsnee kosten. Alle betrekkingen tussen Robinson en de dingen, die zijn zelf geschapen rijkdom uitmaken, zijn hier zo eenvoudig en doorzichtig, dat zelfs de heer M. Wirth (30) ze zonder bijzondere geestesinspanning zou kunnen begrijpen.”
“Stellen we ons eindelijk, voor de afwisseling, een vereniging van vrije mensen voor, die met gemeenschappelijke productiemiddelen arbeiden, en hun vele individuele arbeidskrachten zelf bewust als een maatschappelijke arbeidskracht aanwenden. Alle condities van Robinson’s arbeid herhalen zich hier, alleen maatschappelijk in plaats van individueel.
(Marx, Het Kapitaal, vertaling van der Goes, 1e bundel, blz. 52 en 54) (31).

We zien hieruit, dat Marx voor “een vereniging van vrije mensen” evengoed een productieberekening kent en wel op de basis van het arbeidsuur.

We willen daarom de “boekhouding van de vereniging van vrije mensen” als volgt lezen:

Haar inventaris bevat een opgaaf van de gebruiksvoorwerpen, die ze bezit, de verschillende bezigheden, die tot hun voortbrenging vereist worden, eindelijk de arbeidstijd, die bepaalde hoeveelheden van deze producten doorsnee kosten.

Alle betrekkingen tussen de samenleving en de dingen, die haar zelf geschapen rijkdom uitmaken, zijn hier zo eenvoudig, dat iedereen ze kan begrijpen.

Marx stelt deze boekhouding voor de samenleving algemeen voor een productieproces met gemeenschappelijke productiemiddelen. Hij laat dus buiten beschouwing, of het communisme nog “laag” ontwikkeld is, of dat het reeds tot z’n hoogste ontwikkeling gekomen is. Dat betekent, dat het economisch leven in het communisme verschillende ontwikkelingsstadia kan doorlopen, waarbij toch altijd de categorie van de maatschappelijk gemiddelde productietijd de rustende pool blijft.

Komen we nu tot de individuele van het maatschappelijk product, dan zien we ook bij Marx de arbeidstijd als maatstaf voor de individuele consumptie:

“Slechts ter vergelijking met de warenproductie onderstellen wij, dat het aandeel van iedere producent in de levensmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd zou dus een dubbele rol spelen. Zijn maatschappelijk doelmatige verdeling regelt de juiste verhouding van de verschillende arbeidsverrichtingen tot de verschillende behoeften. Aan de andere kant dient de arbeidstijd tevens als maatstaf voor het individuele aandeel van de producent in de gemeenschappelijke arbeid en derhalve ook in het individuele te consumeren deel van het geheel product. De maatschappelijke betrekkingen van de mensen tot hun arbeid en hun arbeidsproducten blijven hier doorzichtig en eenvoudig, in de productie zowel als in de distributie.”
(Marx, als boven, blz. 54).

Ook elders blijkt, dat Marx de individuele arbeidstijd als maatstaf voor de individuele distributie opvat. Zo zegt hij: “Het geldkapitaal valt bij communistische productie weg […]. Wat mij betreft, mogen de producenten papieren aanwijzingen krijgen, waarvoor ze zoveel aan de productievoorraden mogen onttrekken, als met hun arbeidstijd overeenkomt. Deze aanwijzingen zijn geen geld. Ze circuleren niet.” (Marx, Das Kapital, Zweiter Band, blz. 359-360, Volksausgabe, Marx-Engels-Lenin-Institut, 1933) (32).

In deze zinnen ligt de hele communistische economie besloten! Wil de individuele arbeidstijd de maatstaf zijn voor het individueel te consumeren product, dan moet de hoeveelheid van de producten aan dezelfde maat gemeten worden! Met andere woorden, de samenleving moet vaststellen, hoeveel arbeidsuren de producten in doorsnee kosten. Dit is echter alleen mogelijk, als alle categorieën van de productie in dezelfde maat zijn uitgedrukt (productiemiddelen, grond- en hulpstoffen), zodat het gehele bedrijfsleven op de rekeneenheid van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur gegrondvest moet zijn!

Dan moet echter de aandacht gevestigd worden op het feit, dat Marx de kwestie van de distributie niet absoluut stelde, maar dat hij de indruk wekt, alsof inderdaad ook een andere modus van verdeling mogelijk zou zijn.

“Wat mij betreft, mogen de producenten papieren aanwijzingen krijgen […]”

enzovoort, of als hij het arbeidsuur

“slechts ter vergelijking met de warenproductie”

als maatstaf voor de individuele consumptie neemt, dan heeft het de schijn, alsof er een “vrije keuze” van distributiestelsel zou zijn. Dit is volgens marxistische beschouwingswijze echter geenszins het geval. De oorzaak van deze “dubbelzinnigheid” ligt dan ook hierin besloten, dat Marx het voldragen communisme als een “nemen naar behoefte” zag, waar de arbeidstijd dus niet de maatstaf voor de individuele consumptie zou zijn. Deze maatstaf zou alleen geldigheid hebben voor het overgangstijdperk van kapitalisme naar het voldragen communisme. Volkomen duidelijk komt dit tot uiting in de zogenaamde Randglossen.

Tevens werpt dit een hel licht op het “marxisme” van hen, die in het staatskapitalisme een overgangsvorm naar het communisme zien.

“Waarmee we hier te doen hebben, is een communistische samenleving, niet zoals ze zich op haar eigen grondslagen ontwikkeld heeft, doch integendeel, zoals ze uit de kapitalistische maatschappij geboren wordt [cursief van Marx]; welke dus in alle opzichten, economisch, zedelijk, geestelijk, nog behept is met de geboortekenmerken van de ouden samenleving, uit welks schoot zij stamt. Dienovereenkomstig krijgt de producent […] exact terug, wat hij haar geeft […]. Hij krijgt van de samenleving een aanwijzing, dat hij zo en zoveel arbeid geleverd heeft (na aftrek van zijn arbeid voor het maatschappelijk fonds) en onttrekt met deze aanwijzing zoveel aan de maatschappelijke voorraden consumptiemiddelen, als evenveel arbeid kost. Dezelfde hoeveelheid arbeid, die hij de samenleving in de een of andere vorm gegeven heeft, krijgt hij in andere vorm terug.”
“In een hogere fase van de communistische samenleving, nadat de verslaving van ondergeschikt-zijn van de individuen aan de deelarbeid en daarmee ook de tegenstelling van geestelijke en lichamelijke arbeid, verdwenen is; nadat de arbeid niet slechts middel om te leven, maar zelfs tot eerste levensbehoefte geworden is; nadat men de alzijdige ontwikkeling van de individuen ook de productiekrachten gegroeid zijn en alle springbronnen van de coöperatieve rijkdom rijkelijker vloeien – eerst dan kan de enge burgerlijke rechtshorizont volkomen overschreden worden en kan de samenleving op haar vaandels schrijven:
Ieder geeft naar krachten en neemt naar zijn behoeften!”
(Marx, Randglossen zum Programm der deutsche Arbeiterpartei 1875, Elementarbücher des Kommunismus, Bd. 12, blz. 23-27) (33).

IV. – De vooruitgang in het stellen van de problemen

a. Het communisme als “negatief systeem”

Na deze voorlopige oriëntering omtrent ons onderwerp, waarbij we als karakteristieken voor het communistisch bedrijfsleven vonden: zelfbeheer door de bedrijfsorganisaties bij een exacte verhouding van producent tot product op de grondslag van de arbeidstijdrekening, is het van belang, meer in het bijzonder na te gaan, hoe de Bolsjewiki aan hun droombeeld van productie zonder “rekeneenheid” kwamen. Daarbij dient echter opgemerkt, dat het geenszins een specifiek bolsjewistische zienswijze was, maar dat deze gedachte de hele arbeidersklasse, vanaf de sociaal-democraten tot de anarchisten toe, beheerste. Weliswaar spraken ze er zich niet allen openlijk over uit, maar tot een directe bestrijding van het standpunt kwam het toch niet. In waarheid wil het dus zeggen, dat de arbeidersbeweging nog niet verder was!

Schijnbaar vormt een deel van de Engelse arbeidersklasse hierop een uitzondering, doordat reeds voor 1914 door Engelse vakverenigingsmannen hier en daar aanloopjes gedaan werden tot het zogenaamde “gildensocialisme”. Naar de naam te oordelen, wekt het niet de indruk, dat Engeland, dat op het gebied van de socialistische theorie altijd buitengewoon achterlijk was, in deze vraagstukken een eind boven de beweging op het vasteland uit ging. De verklaring van het geval ligt echter in het feit, dat de Engelse vakverenigingen reeds voor 1914 in hun taak van “het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden” waren vastgelopen. Ze kwamen geen stap meer vooruit en moesten dus naar “andere middelen” omzien. Zeker wel niemand zal van de Engelse vakverenigingsmannen een revolutionaire aanval op het kapitalistische systeem verwachten. Het “Gildensocialisme” is dan ook niet anders, dan de Engelse benaming voor de samenwerking van Kapitaal en Arbeid, zoals dat hier te landen onder “medezeggenschap” begrepen wordt.

Hoe idioot het achteraf ook is, toch is het alleszins verklaarbaar, dat men meende in het communisme zonder rekeneenheid te kunnen uitkomen. Men meende namelijk dat het kapitalisme zich zelf naar een dergelijke toestand moest ontwikkelen. En degenen, die de dwaasheid van een dergelijke zienswijze direct inzagen, achtten het volkomen overbodig, om zich in “utopieën” te verliezen, omdat deze zaken vanzelf hun oplossing zouden vinden. Inderdaad komt er altijd “vanzelf” een oplossing!

Alleen: sinds we weten, dat de opheffing van het privaatbezit aan productiemiddelen, het overgaan van de productiemiddelen in “gemeenschapsbezit” nog geenszins naar het communisme behoeft te voeren, voelen we voor een dergelijk uitwijken van de problemen niemandal.

Diegenen onder de marxisten, die ieder nader onderzoek naar de bewegingswetten van het communistisch bedrijfsleven overbodig achten, die in een dergelijk onderzoek slechts het herleven van een overwonnen standpunt, een terugval in het utopische socialisme zien, wijze we op de grote wetenschappelijke daad van Marx en Engels, die het communisme juist van utopie tot wetenschap maakten. Het verwezenlijken van het communisme is niet afhankelijk van goedwillende mensen, die een van te voren opgesteld “plan” zullen verwezenlijken, die een bepaald productiesysteem “uitgedacht” hebben, waarbij alle kwalen van het kapitalisme opgeheven zullen zijn, maar het moet zich met natuurnoodzakelijkheid uit de bewegingswetten van het kapitaal ontwikkelen. Het kapitalisme graaft zijn eigen graf. De accumulatie van het kapitaal, de levensvoorwaarde van het huidige systeem, is meteen z’n stervensvoorwaarde. De accumulatie van de ellende van de arbeidersklasse, die ons voor de keuze stelt, de bewegingswetten van de warenproductie, de rentabiliteit van het kapitaal, op te heffen, door het communisme door te voeren... of te verzinken in de barbaarsheid.

De verarming van de massa’s is niet anders dan de uitdrukking van het feit, dat de maatschappelijke productiekrachten in strijd zijn gekomen met de eigendomsverhoudingen, zodat ze niet meer te bannen zijn binnen de grenzen van het privaatbezit. De productiekrachten doen zodoende de eigendomsverhoudingen springen, waarmee de productiemiddelen in gemeenschapsbezit worden overgevoerd. Dan is het communisme daar!!!

Waarom ons dus nog vermoeien met een onderzoek van bewegingswetten van de communistische productie? Waarom de bestaande utopieën nog met één vermeerderen? Waarom zal het marxisme zich van wetenschap tot utopie terug-ontwikkelen?

Toch eiste de propaganda een nadere toelichting van de komende nieuwe orde. De burgerlijke critici hielden niet op, telkens opnieuw weer te vragen, hoe de nieuwe orde er uit zou zien, zodat de theoretici wel gedwongen waren, een tipje van de geheimzinnige sluier op te lichten. Met een minachtend schouderophalen verklaarden ze, dat het communisme voor hen zo helder was als kristal.

Marx leerde toch: “Het geld valt bij communistische productie weg” en verder hadden ze gelezen, dat de arbeid, ofschoon een waardevormend element, zelf geen waarde bezitten kan, dat dus ook “een bepaalde hoeveelheid arbeid geen waarde kan hebben, die zich in haar prijs uitdrukt, in haar gelijkwaardigheid met een bepaalde hoeveelheid geld” (Marx, Das Kapital, II, uitgave als boven, blz. 28) (34).

Dienovereenkomstig verklaarde Kautsky: “De waarde is de historische categorie, die alleen voor de warenproductie geldt” (Kautsky, Karl Marx’ ökonomische Lehren, blz. 20) (35).

Daarmee waren ook de “prijzen” van de producten opgeheven, om van de “markt” niet eens te spreken.

Op de vraag, hoe het communistisch bedrijfsleven er uit zou zien, konden de marxistische economen voor hun eigen gevoel daarom een zeer bevredigend antwoord geven, hoewel het inderdaad geen antwoord was. Het luidde namelijk altijd, hoe het niet zou zijn: geen geld, geen waarde, geen markt, geen prijs.

De burgerlijke schrijver Erich Horn (36), die heel graag zou willen weten, hoe het wel zal zijn, karakteriseert het communisme daarom als “een negatief systeem” (E. Horn, Die ökonomische grenzen der Gemeinwirtschaft, blz. 3).

Zijn nieuwsgierigheid is daardoor gaande gemaakt, doordat hij tot de ontdekking gekomen is, dat hij misschien toch ook communist is! Hij heeft namelijk in het geheel geen bezwaar tegen het opheffen van het privaatbezit aan productiemiddelen, hij is er desnoods vlak voor, ze over te voeren in “gemeenschapsbezit”, maar dat betekent geenszins de opheffing van de kapitalistische productiewijze! (Als voren, blz. 5, 51 en 52).

b. Het algemene kartel van Hilferding

Aan Rudolf Hilferding komt de twijfelachtige eer toe, aan de zelfgenoegzame oppervlakkigheid van het “negatieve systeem” een “theoretische” grondslag gegeven te hebben. Hij loste de moeilijkheden verbluffend eenvoudig op, zo eenvoudig, dat een kind de beweging van het nieuwe productiesysteem kan begrijpen.

Hilferding wees er op, dat het geldkapitaal zich in de loop van de kapitalistische ontwikkeling zelf vernietigt, doordat de steeds sterker wordende concentratie van de bedrijven en industrieën het geld en de verrekening tussen de afzonderlijke bedrijven, volgens hem, overbodig maakt. In de trusts ontstaan geweldige knooppunten van industrie, waarbij transportmiddelen, kolen- en ijzermijnen, hoogovens enzovoort, ja zelfs de distributie van het eindproduct aan de consumenten, in één hand georganiseerd, beheerd en geleid wordt. In dit geweldige apparaat gaan de producten van het ene bedrijf naar het andere ter voortdurend verdere bewerking, zonder dat h et telkens “verkocht” wordt, omdat de trust nu eenmaal niets aan zichzelf verkoopt.

Binnen de trust heeft daarmee het geldverkeer (volgens Hilferding!) opgehouden, ja de producten in de afzonderlijke bedrijven hebben zelfs geen “prijs” meer: de trust is binnen haar productiekring tot de goederenproductie “in natura” overgegaan. Voor de regeling van de productie binnen de trust bepaalt de opperste trustleiding, in welk bedrijf en hoeveel nieuwe productiemiddelen toegevoegd en wat en hoeveel in de afzonderlijke bedrijven geproduceerd zal worden.

Ziedaar de verbluffend eenvoudige oplossing voor het communistische bedrijfsleven! Hoe meer het kapitaal zich in trusts organiseert, des te verder vernietigt het kapitaal zelf het geld, in des te groter omvang gaat de maatschappij tot de rekening “in natura” over. Ten slotte zou het theoretisch daarop uitdraaien, dat de hele wereldproductie één ontzaglijke monster-trust was, waar de productie en distributie bewust geregeld waren, maar op kapitalistische grondslag! Dat wil zeggen: de wereld-trust-bezitters laten het hele apparaat voor hun private doeleinden werken. Toch is hier het geld verdwenen, geld is er niet meer, prijzen en de “markt” bestaan niet. De trustleiders zouden voor de verdeling van de consumptiegoederen onder de arbeiders wel prijzen vaststellen, maar deze zouden in generlei verband staan tot de “waarde”: ze zouden slechts willekeurig zijn vastgesteld, naar normen, zoals de heren deze hadden bepaald.

Hilferding vertelt van deze monstertrust, of zoals hij het noemt “Het Algemene Kartel”: het volgende:

“De hele kapitalistische productie wordt bewust geregeld door een instantie, die voor alle sferen van de productie vaststelt, hoeveel er geproduceerd zal worden. Dan wordt het vaststellen van de prijzen zuiver nominaal (hier: willekeurig, G.I.C.) en betekent nog slechts de verdeling van het totaal-product tussen de kartelmagnaten enerzijds en de massa van de overige leden van de maatschappij anderzijds. De prijs is dan niet het resultaat van een zakelijke betrekking, die de mensen zijn aangegaan, doch slechts een bepaalde rekenkundige verdeling van zaken door personen aan personen. Het geld speelt dan geen rol. Het kan volkomen verdwijnen, omdat de kwestie gaat om het toedelen van zaken en niet om toedeling van waarden. Tegelijk met de anarchie van de productie verdwijnt de zakelijke schijn, verdwijnt het waardekarakter van de waar, verdwijnt dus het geld. Het kartel verdeelt het product. De zakelijke elementen van de productie zijn weer gereproduceerd en worden voor nieuwe productie gebruikt. Van de nieuwe productie wordt een deel over de arbeidersklasse en de intellectuelen verdeeld, het overige valt aan het kartel toe, dat het naar believen kan gebruiken. Het is de bewust-geregelde maatschappij in antagonistische vorm. Maar dit antagonisme is antagonisme van de verdeling. De verdeling zelf is bewust geregeld en daarmee is de noodzakelijkheid van het geld verdwenen. Het geldkapitaal in z’n volmaking is losgemaakt van de voedingsbodem, waarop het ontstond. De circulatie van het geld is overbodig geworden, de rusteloze omloop van het geld heeft z’n doel bereikt, de geregelde samenleving en het perpetuum mobile van de circulatie vindt z’n rust.”
(Hilferding, Finanzkapital, blz. 314) (37).

Toen de “marxistische economen” dit gelezen hadden, keken ze elkaar veelbetekenend over hun brillenglazen aan. Ja, ja, Marx had wel gelijk, dat het kapitalisme z’n eigen graf graaft en dat de nieuwe maatschappij geboren wordt in de schoot van de oude. Iedere nieuwe vertrusting betekent een nieuwe stap naar de zelfvernietiging van het kapitaal! En hoe eenvoudig was het communisme!

De arbeidersklasse had alleen de hinderpalen van het privaatbezit van de productiemiddelen, dat de doorvoering van het “algemene kartel” nog verhinderde, uit de weg te ruimen, om het hele economische leven in één hand te verenigen en zo het communistische systeem tot stand te brengen, waarin geen geld, geen markt, geen waarde en geen prijzen zouden zijn.

Dat aan ieder gebruiksvoorwerp nog uitgedrukt moest worden, hoeveel maatschappelijk gemiddelde arbeidsuren het belichaamde, berustte klaarblijkelijk op een misverstand van Marx en Engels, wat echter wel samen zou hangen met hun primitieve gedachtegang, omtrent de “associatie van vrije en gelijke producenten”. Maar ten slotte was ook dit hen te vergeven, want zij leefden in de opbloeiperiode van het kapitalisme en hadden dus de geweldige trust- en monopolievorming niet beleefd.

Ja, goed beschouwd, berustte de hele formulering van Marx, dat het kapitalisme z’n eigen graf graaft op een misverstand, want dit doodgraverswerk had bij Marx een heel andere zin!

Bij Marx graaft het z’n eigen graf, doordat het kapitaal, dat in de productiemiddelen gaat zitten steeds sneller groeit, terwijl het aantal arbeiders, dat de meerwaarde moet voortbrengen, naar verhouding voortdurend daalt. Ten slotte ontstaat daardoor een punt, waarbij de rentabiliteit van het kapitaal onmogelijk wordt, zodat het systeem onder ontzaglijke crisissen ineenstort. Wel staan er dan geweldig grote fabriekscomplexen, zo voor het gebruik gereed, maar de arbeiders lopen bij miljoenen zonder werk, omdat het kapitaal geen rente afwerpt.

Bij de volgelingen van Marx gaat het graven van het graf veel gemoedelijker. Hier wordt “Stinnes de grootste socialist” (deze uitdrukking is inderdaad door de Vorwärts gebruikt! Jammer genoeg weten we niet in welk nummer) en brengt de organisatie van het kapitaal “geleidelijk” het communisme.

We moeten hier van een kritiek op het “algemene kartel” vanuit de waardeleer afzien, omdat dit niet direct met ons onderwerp samenhangt. We wilden alleen doen zien, hoe “het algemene kartel” theoretisch gefundeerd werd, hoe de algemeen gangbare opvatting van het communisme ontstond.

Een heel goede kritiek vanuit de waardeleer vinden we in : H. Grossman (38), Das Akkumulations- und Zusammenbruchsgesetz des kapitalistischen Systems, Verlag Hirschfeld, Leipzig, 1929, blz. 603.

Na deze theoretische fundering van het communisme, waar geen geld, geen markt, geen waarde en geen prijzen zouden zijn, was de praktische doorvoering slechts een kwestie van organisatie. Het was het omstellen van het apparaat naar de behoeften van de mensen, een omstelling, die de leiders van de productie en distributie moesten voltrekken. De staatsbeambten hadden een nauwkeurige statistiek van deze behoeften samen te stellen, waarna de centrale leiding zou zorgen, dat de producten gemaakt werden en dat ze onder de arbeiders werden verdeeld. De zaak kwam dus hier op neer:

“Hoe, waar, hoeveel, met welke middelen uit de ter beschikking staande natuurlijk en kunstmatige productievoorwaarden nieuwe producten gemaakt zullen worden […] beslissen de communale, districts- en nationale commissarissen van de socialistische samenleving, die, de maatschappelijke behoeften overziend met alle middelen van een georganiseerde productie- en verbruiksstatistiek, in bewust vooruitziend, het hele economische leven vormen naar de behoeften van hunne, in hen bewust vertegenwoordigende en door hen bewust geleide gemeenschappen.”
(Hilferding, als boven, blz. 1) (39).

De Russische revolutie maakte een einde aan deze schone droom! Wel gingen de fabrieken in “gemeenschapsbezit” over, wel werd het Hilferdingse “algemene kartel” in de staatsindustrie doorgevoerd, maar het bracht geen opheffing van de bewegingswetten van het kapitaal. De centrale trustleiding moet de arbeidskracht op de markt kopen, tegen de prijs, zoals deze in de collectieve arbeidscontracten met de staats-vakverenigingen wordt bepaald.

De Russische revolutie haalde een dikke streep door de zegeningen van het “algemene kartel” en ze dwong ons de bewegingswetten van het communistisch bedrijfsleven nader te onderzoeken.

c. De burgerlijke kritiek op “het algemene kartel”

De ontwikkeling van de kennis van het communistische bedrijfsleven vertoont dus geen rechte lijn, maar vanaf de arbeidstijdrekening bij Marx en Engels buigt ze naar de rekening “in natura”, om omstreeks 1920 weer in haar oude baan gebracht te worden.

Het is wel een bittere ironie, dat juist burgerlijke economen de kennis van het communisme, zij het dan ook ongewild, een goed stuk vooruit gebracht hebben.

Toen in de achter ons liggende revolutionaire periode de ondergang van het kapitalisme nabij scheen en het communisme de wereld stormenderhand scheen te veroveren, begonnen de burgerlijke economen onder leiding van Max Weber (40) en Ludwig Mises (41) hun kritiek op het communisme, waarbij natuurlijk allereerst het Hilferdingse “algemene kartel”, dat is het Russische communisme, het ontgelden moest. Hun kritiek kwam hier op neer, dat ze op economische gronden aantoonden, dat een bedrijfsleven zonder verrekeningsmethode, zonder gemeenschappelijke noemer, waarop alle producten teruggebracht kunnen worden, onmogelijk is.

En ze sloegen raak! In het “marxistische kamp ontstond grote verwarring. Volkomen duidelijk was bewezen, dat de chaos van de kapitalistische productie een goed geordend systeem was, vergeleken bij de “goederen-productie” zonder rekeneenheid.

Slechts een gering deel van de sociaal-democraten hield aan de oude liefde vast (Neurath), terwijl het merendeel de noodzakelijkheid van een algemene maatstaf in het bedrijfsleven erkende. Ook Kautsky was geschrokken en hij was nu verplicht van z’n oude methode om zich met een Jantje van Leiden van deze zaak af te maken, af te wijken en “kleur te bekennen”. Dit doet hij dan ook. De waarde is nu plotseling geen “historische categorie” meer, want de “verrekening” zal plaats vinden op de grondslag van het geld, omdat dit “als maatstaf voor de boekhouding en de berekening van de ruilverhouding in een socialistische samenleving” en eveneens “als circulatiemiddel” onontbeerlijk is. Hoe het er in “de tweede fase” van het communisme met het geld uit zal zien, is voor hem een open vraag, omdat we daarvan “heden zelfs niet weten, of ze ooit meer dan een vrome wens, zoiets als het Duizendjarig Rijk, zal zijn.” (Kautsky, Die proletarische Revolution und ihr Programm, blz. 318).

Weber en Mises hadden de slag gewonnen: het communisme was verslagen. Nu moesten ze echter nog met Marx en Engels afrekenen, omdat deze aan de dwaasheid van een productie zonder rekeneenheid nooit hadden meegedaan, maar het arbeidsuur als maatstaf hadden aangewezen. Dat deden ze dan ook zo grondig, dat Block (42) het in zijn Die Marxsche Geldtheorie, blz. 125, overbodig acht nog grondig op de arbeidstijdrekening in te gaan.

Inderdaad bleef er dan ook geen spaan van de arbeidstijdrekening heel, maar dat kwam alleen, doordat ze van deze materie net zo veel, of liever zo weinig, begrepen als Kautsky: niemendal!

Als eerste vrucht van de Weberse kritiek verscheen het uitstekende werkje van Otto Leichter (43) – Die Wirtschaftsrechnung in der sozialistischen Gesellschaft, Wenen, 1923.

Doordat hij de productie op de arbeidstijdrekening plaatst, doet het communisme hier een flinke sprong voorwaarts. Hij wil de productie in handen van de producenten leggen, maar doordat hij de categorie van de maatschappelijk gemiddelde productietijd niet kan of wil doorvoeren, loop de zaak toch op staatskapitalisme uit.

Tevens vernemen we uit zijn geschrift, dat hij niet de eerste was, die de productie op de grondslag van de arbeidstijdrekening zette; deze gedachtegang werd, behalve door Marx, omstreeks 1900 ook ontwikkeld door Maurice Bourguin (44), van welk werk Leichter verklaart, dat het “bijna tot op een haar” met zijn inzichten overeenkomt.

Verder zijn er nog wel meerderen, die de arbeidstijd een grote rol in de productie laten spelen, maar doordat ze geen van allen de productiemiddelen in de berekeningen willen opnemen, voert het natuurlijk tot niemandal. Aan dit euvel leidt ook de uiteenzetting van Varga in Kommunismus, 2e jaargang, nr. 9/10, zodat ook deze niet voor een nader onderzoek in aanmerking hoeft te komen.

d. De aanwinst

De vooruitgang in het stellen van de problemen openbaart zich echter niet alleen van de zijde van de economie, maar ook van de kant van de “politiek”. Het revolutionaire proletariaat wijst er reeds op, dat het productieapparaat zeer goed “gemeenschappelijk bezit” kan zijn, terwijl het nochtans als overheersings- en uitbuitingsapparaat optreedt: de Russische revolutie heeft de vraagstukken tevens in een politiek licht gesteld. We eisen nu waarborgen, dat we de beschikking over het productieapparaat houden. Daarom verlangen we nu algemeen geldende regels, waarnaar de producenten zelf leiden en beheren, waarbij een nauwkeurige controle gehouden moet worden, dat deze regels inderdaad in acht genomen worden.

De soort syndicalisme, die naar een “vrije” beschikking over het bedrijf streeft, dient dus ernstig te worden bestreden.

Behalve de waarborgen voor het behoud van het beschikkingsrecht over het productieapparaat, verlangen we nu ook waarborgen, dat de uitbuiting inderdaad is opgeheven. En deze waarborgen kunnen niet liggen in de “democratie”, in de beïnvloeding van de “leidende instanties” langs de weg der verkiezingen voor allerlei Raden, maar we verlangen deze waarborg door de zakelijke gang van het productie- en distributie-apparaat, die buiten iedere democratie omgaat:

we verlangen een exacte verhouding van de producent tot het maatschappelijk totaal-product!

De grondslag voor deze waarborgen, ligt daarin, dat we: “moeten weten, hoeveel arbeid de vervaardiging van ieder gebruiksvoorwerp kost.” (Engels, Anti-Dühring, blz. 335) (45).

Dat is zijn: productietijd.

En daarmee zijn we dan gekomen tot een volkomen klare doelstelling voor ons verdere onderzoek: we moeten onderzoeken, hoe de categorie van de maatschappelijk gemiddelde productietijd zich in het communistische bedrijfsleven doorzet.

Ons geschrift zal daar verder aan worden gewijd. We construeren dus geenszins een “toekomstbeeld”. We “bedenken” geenszins een “communistische systeem”. We onderzoeken alleen, onder welke voorwaarden die centrale categorie – het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur – doorgevoerd kan worden. Is ze niet te handhaven, dan is de exacte verhouding van producent tot totaalproduct niet te handhaven, dan wordt de verdeling niet meer door de zakelijke gang van het productieapparaat bepaald, maar dan krijgen we een verdeling door personen aan personen, dan kunnen de producenten en consumenten de gang van het economische leven niet meer bepalen, maar dan wordt hij naar de dictatoriale macht der “centrale instanties” verlegd, dan doet de staat met de “democratie” haar intrede in het bedrijfsleven, dan is het staatskapitalisme onvermijdelijk.


V. – Het libertaire communisme

a. “Bezet de bedrijven!” “Neem naar behoefte!”

Het is droevig het te moeten vaststellen, maar het loont nauwelijks de moeite, de verschillende stromingen binnen de arbeidersbeweging ieder afzonderlijk te beschouwen, voor zover het hun zienswijze van het communistisch bedrijfsleven geldt. Het is één barre woestenij van gelijkvormigheid.

In alle stromingen vinden we dezelfde economische principes, die alleen onder verschillende frases worden voorgedragen. sociaal-democratie, bolsjewisme, syndicalisme, kruising van “marxisme” en syndicalisme, die we gildensocialisme noemen, anarchisme: het is alles één pot nat.

Als we de sociaal-democratische arbeidersbeweging voorlopig laten voor wat ze is, om ons allereerst nader met het “libertaire communisme” (syndicalisme en anarchisme) bezig te houden, dan springt de federalistische structuur van deze beweging direct in het oog. Hieruit valt direct af te leiden, dat het communistische bedrijfsleven hier ook als een federatieve samenvatting van de producenten en consumenten gedacht wordt. Deze richting is dan ook sterk tegen de staat gericht, terwijl het zelf-beheer een van de karakteristieke kenmerken is.

Ofschoon het nergens tot een gefundeerde economische theorie van het libertaire communisme gekomen is, is de algemene gedachtegang, zoals deze onder de arbeiders leeft, toch wel in korte trekken aan te geven (46).

In de grond van de zaak komt de “theorie” niet uit boven de leuze: “De bedrijven aan de arbeiders”. Hoe de wederkerige betrekking tussen de bedrijven zal zijn, zal “geregeld” worden door de “vrije overeenkomst” en hoe de verhouding van de producent tot het maatschappelijk totaalproduct zal zijn, daaromtrent verneemt men de meest vage geruchten. Men behelpt zich deels met de opvatting, dat de bedrijven tot productieve associaties worden, waarbij de arbeiders dan “de opbrengt van de arbeid” verdelen, deel ontmoet men de voorstelling, dat de bedrijven door de “vrije overeenkomst” in direct goederenverkeer treden en hun product eenvoudig zonder verrekening daarheen leveren, waar dit wordt aangevraagd. Typisch voor het libertaire communisme is tevens, dat het het vraagstuk van de individuele consumptie veelal heel eenvoudig weet op te lossen door de formule: “Ieder neemt naar behoeften!”

Hoewel het dus door de eis van zelfbeheer schijnt, alsof het libertaire communisme tamelijk dicht bij de marxistische associatie van vrije en gelijke producenten staat, zo is dit toch geenszins het geval. Men heeft in dit kamp geen notie van wat vrije producenten en wat gelijke producenten zijn. De leuze van “de bedrijven aan de arbeiders” heeft in het libertaire communisme de zin, dat de arbeiders de bedrijven zoveel als hun “bezit” (47) beschouwen, waarover ze naar willekeur kunnen beschikken. In marxistische zin is de nieuwe rechtsverhouding echter deze, dat de bedrijven aan de gemeenschap behoren. De machines en de grondstoffen zijn maatschappelijke goederen, waarover de arbeiders het beheer krijgen en waarbij de arbeiders met de leiding van de productie worden belast. Dit sluit als direct in, dat de gemeenschap ook de controle moet hebben, of haar goederen wel op de juist wijze worden beheerd. Het libertaire communisme is tegen een dergelijke controle echter ten sterkste gekant, omdat de arbeiders dan toch weer “niet baas in eigen huis” zijn.

Een dergelijke ideologische weerstand vinden we ook in de vrije overeenkomst. Het communisme kent deze categorie niet. Het kent alleen gelijke producenten, gelijk, doordat ze hun bedrijf naar algemeen geldende regels moeten beheren. Alleen op deze grondslag kunnen ze hun bindingen met het overige bedrijfsleven aangaan. De zogenaamde “vrije overeenkomst” is in strijd met iedere algemeen geldende maatschappelijke regeling, en is daardoor anti-communistisch.

b. Libertair staatskapitalisme

De zwakheid van het zogenaamde libertaire communisme wordt terstond duidelijk, zodra haar vertegenwoordigers met een positieve uitwerking van hun “grondbeginselen” beginnen. We willen dit aantonen aan de hand van het boek van de bekende Franse anarchist Sébastian Faure (48), Het Universeele Geluk, dat in 1921 verscheen (49) en dat in 1927 door de Roode Bibliotheek in het Hollands werd uitgegeven.

Faure licht ons omtrent het doel van zijn werk als volgt in: “In een eenvoudige, duidelijke en aantrekkelijke vorm het leven van een grote natie onder libertair-communistisch bestuur beschrijvend, is het doel van dit werk aan te tonen, dat de anarchisten een rijpelijk bestudeerd sociaal plan bezitten.” (Faure, Het Universeele Geluk, blz. 5).

Bekijken we het libertaire communisme vanuit het gezichtspunt van de regeling van de productie, dan is er van het scheppen van gelijke economische voorwaarden, waarop alle producenten de productie zelf leiden, beheren en ordenen niet in het geringste sprake. Evenmin vinden we natuurlijk een exacte verhouding van de producent tot het maatschappelijk totaal-product, omdat het systeem werkt volgens het “nemen naar behoefte”. Direct bij de overname van de macht kon dit distributie-stelsel echter nog niet worden toegepast. In dit stadium worden de consumptiegoederen “gerantsoeneerd” naar een norm, zoals “de heren van de statistiek” deze voor ons hebben vastgesteld. Zij “wijzen ons toe”, hoewel we kunnen gebruiken. In gewone marxistische taal overgebracht, betekent dit dat de beschikking over het product niet bij de arbeiders berust en dat ze dus ook niet de beschikking over het productieapparaat hebben. Trouwens, zoals we nog nader zullen zien, laat het libertaire communisme van Faure hieromtrent niet de geringste twijfel!

De regeling van het bedrijfsleven wordt hier in de gebruikelijke sociaal-democratische vorm opgevat, waarin het communisme slechts een vraagstuk van de organisatie-techniek is.

Voltrekt deze samenvatting van de productie zich in het staatscommunisme door de gezagmiddelen van de staat, bij Faure ontstaat ze door “de vrije en broederlijke overeenkomst” (blz. 6). Faure is echter tegen ieder “gezag” en daarom zegt hij van de menigvuldige verbindingen van het bedrijfsleven, dat “deze organisatie op het bezielende beginsel van vrije samenwerking berust.” (blz. 213).

De frase vervangt hier de economische realiteit. We menen nog altijd, dat een economisch systeem zich naar economische wetmatigheden voltrekt en niet naar een of ander bezielend beginsel. Dit kan geen grondslag zijn, waarop een productie- en reproductieproces kan berusten. Willen de producenten hun rechten gewaarborgd hebben, met of zonder “bezielend beginsel”, dan moet de hele organisatie op een zeer materiële grondslag staan, dan moet voorlopig althans, de arbeidstijd de maatstaf zijn voor het aandeel in de maatschappelijke consumptie. Dat lijkt ons nog wel zo secuur.

c. De vrije overeenkomst

Voor de verhouding tussen de producenten, de verhouding tussen de verschillende bedrijven, vinden we dezelfde wankele bodem terug in “de vrije overeenkomst”.

Het gaat alles heel genoeglijk en gemoedelijk: “Men zoekt, beproeft, vat samen en probeert de resultaten van de verschillende methoden. De Overeenstemming verschijnt, biedt zich aan, dwingt zich op door haar resultaten en wint het.” (blz. 334).

Faure vindt deze basis van “vrijheid voor ieder door overeenstemming onder allen” zeer “natuurlijk”. Want, zegt hij, gaat het in de natuur niet net zo?

“Het voorbeeld van de natuur is er: welsprekend en duidelijk. Alles is er verbonden door vrije en spontane overeenkomst […] de oneindig kleine dingen, ’n soort van stofjes, ontmoeten elkaar, trekken elkaar aan, hopen zich op en vormen een kern.”
(blz. 334).

Nu zijn voorbeelden uit de natuur altijd heel gevaarlijke dingen en in dit bijzonder geval toont het duidelijk de volkomen ontoereikendheid van de libertaire methodiek. “Alles is verbonden door vrije en spontane overeenkomst”. Het is wel wonderlijk het menselijk begrip “vrijheid” op de natuur te zien overdragen, maar in overdrachtelijke zin moet het maar.

Echter... Faure ziet hier het beslissende moment der “vrije overeenkomst” in de natuur volkomen over het hoofd. En dat is dit, dat de “vrije overeenkomst” bepaald wordt door de wederzijdse krachten van de “bondgenoten”. Als de zon en de aarde de “vrije overkomst” sluiten, dat de aarde in 365¼ dag om de zon heen zal lopen, dan wordt dit onder andere bepaald door de massa waarover zon en aarde beschikken.

Op deze basis wordt de “vrije overeenkomst” gesloten.

Zo is het in de natuur altijd. Of men atomen, elektronen of wat ook neemt, de dingen komen in samenhang met elkaar en de aard van deze samenhang wordt bepaald door de wederzijdse krachten van de “bondgenoten”. En daarom willen we het voorbeeld uit de natuur wel overnemen, maar om aan te tonen, dat er een exacte verhouding moet zijn tussen producent en product en een exacte verhouding tussen de verschillende producten, waarnaar de “vrije overeenkomst” in de samenleving gesloten kan worden, waarmee ze dan meteen van frase tot realiteit wordt.

d. De centrale staatsproductie

Komen we nu tot de organisatorische samenvatting van het bedrijfsleven, om het apparaat voor de behoeften van de mensen te doen werken, dan ontwerpt Faure een beeld, waarop de Bolsjewiki trots zouden kunnen zijn, want het is niet anders dan het “algemene kartel” van Hilferding!

De productie zal werken voor de behoeften en “men moet dus voor alles het geheel van behoeften en de hoeveelheid van iedere behoefte vaststellen.” (blz. 215).

De wijze, waarop dit geschiedt, is dan deze, dat iedere gemeente deze behoeften naar het aantal inwoners bepaalt. Zo komen dan aan de “hoofdadministratiebureau’s van de natie” al die berichten binnen, zodat de beambten daar een overzicht hebben van de gehele bevolking. Verder levert iedere commune een tweede lijst, waarop staat, hoeveel ieder commune kan produceren, zodat de “hoofdadministratie” nu ook de productiekrachten van de “natie” kent.

De oplossing van het geval is duidelijk. De heren hoofdambtenaren zullen nu vaststellen, welke deel van de productie op iedere commune valt en “welk deel van de productie zij voor zich kunnen behouden” (blz. 216).

Deze gang van zaken is volkomen dezelfde, als de staatscommunisten die zich voorstellen. Onder is de massa, boven zijn de beambten, die de leiding en het beheer van productie en distributie hebben. Daarmee is de samenleving niet grondvest in economische realiteiten, maar ze rust op de goede of slechte wil of de bekwaamheid van bepaalde personen. Om iedere twijfel omtrent de centrale beschikking over het productieapparaat weg te nemen, voegt Faure er nog aan toe:

“De hoofdadministratie weet, hoe groot de algehele productie en de algehele behoefte is en moet daarom aan ieder districts-comité mededelen, over hoewel product het beschikken kan en hoeveel productiemiddelen het verschaffen moet.”
(blz. 218).

Waar nu het “libertair-communistische” van het systeem schuilt, ontgaat ons ten enenmale. Misschien dat onze lezers scherpzinniger zijn, zodat deze het raadsel voor ons kunnen oplossen. Om deze oplossing te vergemakkelijken, drukken we hieronder nog eens de sociaal-democratische opvatting van Hilferding af:

“Hoe, waar, hoeveel, met welke middelen uit de ter beschikking staande natuurlijk en kunstmatige productievoorwaarden nieuwe producten gemaakt zullen worden […] beslissen de communale, districts- en nationale commissarissen van de socialistische samenleving, die, de maatschappelijke behoeften overziend met alle middelen van een georganiseerde productie- en verbruiksstatistiek, in bewust vooruitziend, het hele economische leven vormen naar de behoeften van hunne, in hen bewust vertegenwoordigende en door hen bewust geleide gemeenschappen.”
(Hilferding, Das Finanzkapital, blz. 1).

Zolang onze lezers de puzzel voor ons nog niet hebben opgelost, stellen wij echter vast, dat het beschikkingsrecht over het productieapparaat en dus over het product verlegd wordt naar de heren, die in de knepen van de statistiek thuis zijn. En zoveel mogen we wel van de politieke economie geleerd hebben, dat deze daarmee over de macht in de samenleving beschikken.

De “hoofdadministratie” moet zich de middelen verschaffen, zich door te zetten, dat wil zeggen: Ze moet een staat scheppen, tegenover de arbeiders, die door een ander beginsel “bezield” worden, die een exacte verhouding van producent tot product tot stand willen brengen!

Dat is één van de bewegingswetten van dit “libertaire” systeem, of Faure dit zo bedoeld of niet.

Ook doet het niets ter zake, of het gerecht met “saus van vrije overeenkomst” of vla van “bezielend beginsel” wordt opgediend. Daaraan storen economische wetmatigheden zich in het geheel niet.

Men kan Faure niet verwijten, dat hij het hele economische leven aaneen gesmeed wil zien. Maar deze samenvatting is een ontwikkelingsproces, dat de producenten vanuit de bedrijven zelf moeten voltrekken. Als eerste eis dient daarom gesteld te worden, dat de grondslag gegeven is, waarop ze dit ook zelf kunnen, dat wil zeggen, het doorvoeren van de arbeidstijdrekening is de eerste eis!

Dan heeft geen “hoofdadministratie” meer iets “toe te wijzen”.

e. Het anarcho-syndicalisme

Het Gemengd Syndicalistisch Verbond gaf in 1927 een brochure van Muller Lehning (50) uit, getiteld: Anarcho-Syndicalisme ter verbreiding van de beginselen van de anarcho-syndicalistische vakbeweging, zoals deze georganiseerd is in de Internationale Arbeiders Associatie (I.A.A., zetel Madrid).

De schrijver oefent allereerst een lang niet malse kritiek op de anarchisten, een kritiek, die feitelijk niet anders inhoudt dan: Jullie zijn alleen maar fraseurs. De anarchisten moeten daarom de frasen maar laten vallen en tot praktische mensen worden, tot anarcho-syndicalisten.

Hij komt op tegen het bekende standpunt, dat het er allereerst op aan komt, de boel stuk te breken, waarna mens later wel zal zien, hoe de zaak in orde komt (blz. 4), maar het is noodzakelijk een program op te stellen, “dat aangeeft, hoe de verwerkelijking van het anarchisme na de revolutie zal moeten worden bewerkstelligd” (blz. 5).

Het is niet voldoende de economische revolutie te propageren, “maar men moet ook onderzoeken, hoe ze moet worden doorgevoerd” (blz. 6).

De anarchisten in Rusland stelden het eigen initiatief van de massa’s op de voorgrond, “maar waarin dit initiatief moest bestaan, wat de massa’s concreet te doen hadden, vandaag op morgen, dit bleef alles vaag en weinig positief” (blz. 7).

“Er verschenen wel veel manifesten, maar op de vragen van de dagelijkse praktijk konden slechts weinigen een klaar en duidelijk antwoord geven”
(blz. 8).
“Wij mogen zeggen, dat de Russische revolutie aan het anarchisme eens en voorgoed de vraag gesteld heeft,: Wat zijn de praktische economische grondslagen voor een maatschappij zonder loonstelsel? Wat te doen op de dag na de revolutie?
Het anarchisme zal deze vragen moeten beantwoorden, het zal de lessen moeten trekken van deze laatste jaren, wil het volkomen falen niet uitlopen op een uiteindelijk bankroet.
De oude anarchistische leuzen, hoe waar ze ook mogen zijn, en hoe dikwijls ze ook mogen worden herhaald, zij lossen geen enkele van de problemen op, die het reële leven stelt, zij lossen in het bijzonder geen enkele van de problemen op, die de sociale revolutie aan de arbeidersklasse stelt.”
(blz. 10).

En Muller Lehning gaat dan verder:

“Zonder deze praktische realiteiten blijft alle propaganda negatief en blijven alle idealen utopieën. Dit is de les, die het anarchisme uit de geschiedenis heeft te leren en die, het kan niet genoeg worden herhaald, door de tragische ontwikkeling van de Russische revolutie opnieuw is bevestigd.”
(blz. 11).

En wat stelt het anarcho-syndicalisme daar nu tegenover? Wat zijn hier de praktische grondslagen voor een maatschappij zonder loonstelsel?

Het anarcho-syndicalisme zwijgt hierover even hardnekkig als het anarchisme. Wel komt de schrijver tot een soortement program tot opbouw van het anarcho-syndicalistische bedrijfsleven, maar over de economische grondslagen bevat het geen enkel woord!

Het probleem wordt weer van de sociaal-democratische kant bekeken: vanuit het standpunt van de organisatorische samenvatting van het bedrijfsleven.

En juist de Russische revolutie heeft bewezen, dat het probleem niet is: Hoe bouwen we het bedrijfsleven op, federatief of centraal, maar de vraag is: Aan welke economische voorwaarden is het bedrijsleven gebonden, opdat de arbeiders de productie zelf kunnen beheren en leiden?

Muller Lehning ontwikkelt dan als organisatorisch program:

“De economische organisaties hebben ten doel, staat en kapitalisme te onteigenen. In plaats van de organen van staat en kapitalisme moeten de productieve verenigingen van de arbeiders gesteld worden, die de dragers moeten zijn van het hele economische leven. De basis hiervan moet zijn het bedrijf; de bedrijfsorganisatie moet de kiemcel vormen voor de nieuwe economische maatschappelijke organisatie. Op de federatie van industrie en landbouw moet het gehele productiesysteem worden opgebouwd.”
(blz. 18).

Tot goed begrip van zaken dient hierbij opgemerkt te worden, dat hiermee de opbouw van de anarcho-syndicalistische vakbeweging wordt bedoeld. De arbeiders moeten zich in industrie- en landarbeidersbonden organiseren, zodat hun organisaties het bedrijfsleven kunnen overnemen, als de omwenteling een feit geworden is. Het transportbedrijf komt dan onder leiding van de transportfederatie, de mijnen in het beheer van de mijnwerkersfederatie, enzovoort.

Met andere woorden: de anarcho-syndicalistische vakbeweging ziet zich de toekomstige draagster van het economische leven.

Naar deze opvatting kan er pas dan van een proletarische omwenteling sprake zijn, als de anarcho-syndicalistische vakbeweging sterk genoeg geworden is, om het bedrijfsleven te kunnen leiden.

Vandaar, dat Muller Lehning schrijft:

De economische organisaties hebben ten doel staat en kapitalisme te onteigenen.”

Hiermee wordt de organisatorische omvang van de anarcho-syndicalistische vakbeweging tot de maatstaf waarmee de “rijpheid” voor de sociale revolutie wordt bepaald.

In de noordelijke land van Europa, waar het anarcho-syndicalisme organisatorisch van geen betekenis is, voelen de arbeiders, die deze stroming vertegenwoordigen, heel goed, dat hun organisatie geen maatstaf voor de omwenteling zijn kan en daarom wijzen ze deze consequentie van de hand. Maar omdat ze geen voorstelling hebben van de economische grondslagen van het communistisch bedrijfsleven, missen ze daarmee iedere bodem onder de voeten, en kunnen ze ten slotte toch niet anders, dan uitgaan van de organisatorische beheersing van de revolutie door de vakbeweging.

De anarcho-syndicalistische vakbeweging is daarom het best te bestuderen, waar ze inderdaad van betekenis is. En dat is in Spanje.

Het kan hier natuurlijk niet onze bedoeling zijn, de anarcho-syndicalistische vakbeweging van Spanje, de C.N.T. aan een algemene kritiek te onderwerpen. Ons interesseert op deze plaats alleen, welke gedachten hier heersen ten opzichte van de doorvoering van het communistisch bedrijfsleven. En dan blijkt er niet de minste twijfel te kunnen zijn, dat de C.N.T. Als vakorganisatie het beheer en de leiding van het economisch leven opeist.

Dit blijkt bijvoorbeeld reeds hieruit, dat ze eist: “[…] de controle van de vakorganisaties op de productie” (De Syndicalist, 19 september 1931) en niet de controle van de brede massa’s door middel van hun raden.

En ook het verloop van het congres van de C.N.T. In juni 1931 laat aan duidelijk in dit opzicht niets te wensen. In het Franse syndicalistische tijdschrift La révolution prolétarienne van juli 1931 komt een verslag van dit congres voor, waaraan we ontlenen: “Uit het congres blijkt, dat de C.N.T. een enorme kracht is. Er blijft hem nog over, zijn maatregelen voor de inbezitname van de industrie te preciseren en praktisch uit te voeren”.

Men ziet: de C.N.T. moet de in inbezitname uitvoeren. Daarom schreef Muller Lehning: “De economische organisaties hebben ten doel staat en kapitalisme te onteigenen”

En verder zegt het Franse verslag over het C.N.T-congres: “Het congres besloot, de onteigening van alle domeinen boven 50 hectare te eisen door terreinen, vee en materiaal aan de syndicaten der landarbeiders over te geven.”

En om ieder misverstand omtrent de socialisatieplannen van de anarcho-syndicalistische vakbeweging weg te nemen, bericht de Syndicalist van 29 augustus 1931: “Er is in het Nationaal Comité van de C.N.T. Een aantal strijders, die niet geloven, dat de C.N.T. in z’n tegenwoordige staat klaar is, om de productie in handen te nemen.”

Welk een misvatting van de grondproblemen van de sociale omwenteling!

Waarom weigert het anarcho-syndicalisme een tipje op te lichten van de geheimzinnige sluier, die ligt over het goederenverkeer tussen de bedrijven in het communistisch bedrijfsleven?

Naar welke economische grondslagen voltrekt zich de consumptie?

Hoe is de economische grondslag van de producent tegenover de maatschappelijke goederenrijkdom?

We vernemen daarover totaal niets! Dat is een veeg teken. Want dat wil niet anders zeggen, dan dat men hier op de “economische” grondslagen van de Franse anarchist Faure rust. Een andere weg is er niet. Daarom laten we als economische kritiek op het anarcho-syndicalisme precies hetzelfde gelden, als wat we voor Faure schreven. De economische kritiek op het libertaire communisme van Faure is tegelijk de kritiek op het anarcho-syndicalisme.


VI. – Het maatschappelijk productieproces in het algemeen

a. Productie en reproductie

De mensheid heeft zich door haar productieapparaat een orgaan geschapen, om in haar menigvuldige behoeften te voorzien. Met behulp van de machines en werktuigen bindt de menselijke arbeidskracht de strijd tegen de natuur aan, om uit de ruwe natuurstoffen een stroom van arbeidsproducten over de aarde te strooien. Dit arbeidsproces is het productieproces. Het brengt echter niet alleen goederen vóórt, maar gedurende de arbeid worden ook vele machines en werktuigen, benevens de arbeidskracht zelf, verbruikt. Vanuit deze kant gezien, is het productieproces een proces van afbraak, van vernietiging. Maar tegelijk scheppen we in dit proces van vernietiging nieuwe waarden: machines, werktuigen en onze arbeidskracht worden wel verbruikt, maar tegelijk vernieuwd,opnieuw geproduceerd, gereproduceerd. Het maatschappelijk productieproces verloopt als het levensproces in het menselijk lichaam: door zelfvernietiging tot zelfopbouw in steeds gecompliceerder vorm.

“Hoe ook de maatschappelijke vorm van het productieproces moge zijn, het moet ononderbroken voortgezet worden […] Vandaar is, in z’n onafgebroken samenhang en de voortdurende gang van zijn vernieuwing beschouwd, ieder maatschappelijk productieproces tegelijk reproductieproces.”
(Marx, Das Kapital, Bd. I, blz. 521 – Uitgave G. Kiepenheuer Verlag).

b. De kapitalistische productie

Juist in de bewegingswetten van deze voortdurende vernieuwing, in de bewegingswetten van de reproductie, doet het kapitalisme zich als een onbeheerst en revolutionair systeem kennen. Het kent geen stilstand. Het wordt voortdurend van z’n oude grondslagen gerukt, om op hoger plan, op hoger capaciteit, nieuw evenwicht te zoeken. Het moet steeds meer en grotere bedrijven inrichten, het moet de productie op steeds groter voet reproduceren, of kapitalistisch uitgedrukt: het kapitaal moet voortdurend accumuleren.

Want het rendabel maken van kapitaal is de zin van de kapitalistische productie en daarin is de winst de drijvende kracht. En omdat alleen de levende arbeidskracht meerwaarde kan voortbrengen, moet iedere kapitalist er naar streven, zoveel mogelijk arbeiders in dienst te hebben, dat wil zeggen hij moet op zo groot mogelijke voet produceren.

In deze jacht naar winst staan de verschillende ondernemersgroepen tegenover elkaar. Iedere groep wil zich een zo groot mogelijk deel van de meerwaarde, die uit de arbeidersklasse geperst wordt, verzekeren. De jacht naar de buit wordt tot een onderlinge strijd om de buit, of deftig gezegd, ze concurreren tegen elkaar.

Dit vechten om de buit is de grote revolutionair in de productie. Iedere onderneming moet er op bedacht zijn, steeds goedkoper te produceren dan z’n mededingers, zodat de jacht naar de winst tegelijk de jacht naar technische verbeteringen betekent: steeds nieuwere, menselijke arbeidskracht besparende machines moeten oude vervangen. Slaagt één onderneming, in de staalindustrie bijvoorbeeld, er in, een nieuwere goedkopere bewerking te vinden, dan heeft deze onderneming het kapitaal van al z’n concurrenten in waarde doen verminderen. De andere kapitalen zijn verouderd, of, zoals Marx het noemt, het slachtoffer van “morele slijtage”. Het betekent echter niet anders, dan dat de rentabiliteitsbasis van deze kapitalen verdwenen is, zodat nieuw kapitaal toegevoegd moet worden, wil het oude niet geheel te gronde gaan.

Het valt buiten het raam van onze beschouwing, nader in te gaan op de ontzaglijke verspilling van maatschappelijke goederen, noch op de crisis en andere catastrofen, die de strijd om de buit met zich mee brengt. Voor ons onderwerp is het slechts van belang, er op te wijzen, dat de voortdurende vernieuwing, de reproductie van het arbeidsapparaat, een individuele functie van de kapitalisten is. Of en in welke omvang het vernieuwd zal worden, hebben zij te beslissen, waarbij ze natuurlijk niet de behoeften van de mensen tot richtsnoer kunnen nemen, maar waarbij ze zich moeten richten naar de winstkansen, die de strijd om de buit op dat ogenblik biedt.


VII. – De communistische productie

a. Het doorgeven van de goederen

Alvorens we tot een nadere beschouwing van de algemene regels, waarnaar productie en distributie verlopen, overgaan, moeten we voor een goed begrip van zaken eerst even onder het oog zien, waarom het communisme geen ruil en geen waarde kent. We hebben gezien, dat de verklaring, die de officiële tekst-uitleggers geven, door op het Hilferdingse “algemene kartel” te wijzen, in marxistische zin niet juist kan zijn. Terecht rijst dus de vraag: Als ’t zo niet is, hoe is het dan wel?

Ondanks alle geleerde boeken, die over deze kwestie geschreven zijn, is de opheffing van deze begrippen nog in de diepste duisternis gehuld. Het komt er hier echter in het bijzonder op aan, de dingen vooral niet moeilijker te maken, dan ze in werkelijkheid zijn. De zaak is namelijk deze, dat je iets moet bezitten, om te kunnen ruilen. Wie niets heeft, wie niets bezit, heeft ook niets te ruilen. Ruilen is dus niet alleen een economische handeling, maar en overdracht op de grondslag van het privaatbezit. De ruil is dus een economische handeling, die de sociale verhouding tot uitdrukking brengt, dat de arbeidsproducten in privaatbezit zijn. De sociale revolutie, die revolutie in de sociale verhoudingen, de revolutie in de wederkerige betrekkingen van de mensen in het maatschappelijke bedrijfsleven, heft deze sociale verhoudingen op: ze brengt de arbeidsproducten in gemeenschappelijk bezit. Daarmee heeft de ruil, die een functie van het privaatbezit is, opgehouden, “omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets geven kan, behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niets in het eigendom van enkelingen over kan gaan, behalve individuele consumptiegoederen.” (Marx, Randglossen, p. 25).

In het communisme zijn de bedrijfsorganisaties gelijkwaardige delen van één gesloten geheel, van ’t totale productie-distributieproces. Iedere bedrijfsorganisatie verricht slechts een deel-werkzaamheid, de éne geeft haar product door aan de andere, totdat het voor de consumptie geschikt is.

Deze verplaatsing van de goederen is echter geen “ruil”, omdat zich nu niets telkens “bezitters” van de producten in de goederenstroom schakelen. De nieuwe rechtsverhoudingen van de producenten tegenover het vervaardigde product is dus dezelfde, als die tegenover de productiemiddelen: het behoort aan de gemeenschap. Zoals de bedrijfsorganisaties machines, gebouwen en grondstoffen krijgt, om deze volgens bepaalde regels zelfstandig voor de gemeenschap te bewerken, zo moet ze haar product ook zelfstandig naar de geldende regels in het productieproces of in de consumptie doorgeven. De bedrijfsorganisaties leiden en beheren dus de productie en de distributie van hun product “in naam van de samenleving”, dus onder verantwoording aan de samenleving.

Nu maakt het spraakgebruik echter niet zo’n nauwkeurig onderscheid in de economische begrippen. De spraakmakende gemeente zal daarom alleen letten op het karakter van de goederen-overdracht, die zich in het communisme natuurlijk ook voortdurend voltrekt en ze zal dit misschien evengoed ruil blijven noemen, ofschoon deze overdracht nu een heel andere inhoud gekregen heeft. We willen echter niet het slechte voorbeeld geven, om voor een nieuw begrip het oude woord te gebruiken en daarom spreken we voortdurend van ’t doorgeven van de goederen.

b. De productietijd

Eenzelfde begrips-omvorming vindt plaats bij de waarde. De ruil van de goederen komt niet op een willekeurige grondslag tot stand, maar ze worden in en bepaalde verhouding geruild. De ruil komt tot stand op de grondslag, dat de goederen dezelfde hoeveelheid maatschappelijke arbeid belichamen. Deze hoeveelheid arbeid is hun waarde. De waarde is dus de maatschappelijk noodzakelijke hoeveelheid arbeid, die in een product steekt.

Nu valt het echter dadelijk op, dat het juist een eis van het communistisch bedrijfsleven is dat we “moeten weten, hoeveel arbeid de vervaardiging van ieder gebruiksvoorwerp kost” (Engels).

Het blijkt dus, dat de goederenbeweging in het kapitalisme op de grondslag van de aan de producten bestede maatschappelijke arbeid tot stand komt... en in het communisme óók! Zoals de goederenbeweging in het kapitalisme op de grondslag van de waarde tot stand komt, zo schijnt dit in het communisme net zo te zijn.

Toch is dit geenszins het geval. De tegenstelling van de kapitalistische productie is: maatschappelijke productie enerzijds – privaatbezit anderzijds.

De goederenbeweging voltrekt zich, doordat privaatbezitters hun goederen “ruilen”.

De verhouding waarin de goederen geruild worden, wordt bepaald door hun waarde – dit is door de maatschappelijk noodzakelijke arbeid die voor hun voortbrenging nodig is.

Echter, door het privaatbezit aan productiemiddelen wordt ook de maatschappelijke arbeid zelf, als arbeidskracht, tot waar – dat wil zeggen hij wordt door de loonarbeiders op dezelfde grondslag als de goederen geruild.

In de goederenbeweging van het kapitalisme komt dus de tegenstelling van de kapitalistische productie opnieuw tot uitdrukking: ruil van waarden – dit is maatschappelijke arbeid als privaatbezit.

In het communisme is de scheiding tussen producenten en productiemiddelen opgeheven. De productiemiddelen zijn niet meer in bezit van een afzonderlijke klasse; de maatschappelijke productie wordt gemeenschappelijk beheerd.

De producten worden niet door privaatbezitters geruild, doch binnen de gemeenschap doorgegeven. Deze goederenbeweging vindt plaats op de grondslag van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd.

In het communisme is de tegenstelling: maatschappelijke productie - privaatbezit, opgeheven.

In de goederenbeweging onder het communisme – het doorgeven van de goederen – komt dus de éénheid van gemeenschappelijk beheer en maatschappelijke productie tot uitdrukking.

We zien hieruit, dat het communistisch bedrijfsleven met de hoeveelheid arbeid, die de vervaardiging van ieder gebruiksvoorwerp kost, iets heel anders bedoelt, dan de “waarde”. En nu is het alweer zeer goed mogelijk, dat de spraakmakende gemeente ook in het communisme zal spreken van de “waarde” van de goederen, ofschoon het begrip daarbij een heel andere inhoud gekregen heeft. En weer willen we niet het slechte voorbeeld geven, om voor een nieuw begrip een oud woord te gebruiken, zodat wij spreken van de productietijd van de goederen.

In plaats van de uitdrukkingswijze, dat de goederenstroom zich beweegt door de ruil op de grondslag van de waarde zeggen wij daarom, dat de goederenstroom wordt doorgegeven op de grondslag van de productietijd. Hoewel uiterlijk dezelfde beweging als onder het kapitalisme, is de vorm van de beweging door het wegvallen van de waardevorm geld en de inhoud van de begrippen door de overgang naar het gemeenschappelijk bezit volkomen gewijzigd. Of zoals Marx het uitdrukt:

“Binnen de coöperatieve [genossenschaftlichen, – cursief van ons – G.I.C.] op gemeenschappelijk bezit aan productiemiddelen berustende samenleving ruilen de producenten hun producten niet uit; net zo min verschijnt de aan de producten bestede arbeid als waarde van deze producten [cursief van Marx], als een zakelijke eigenschap van hen, omdat nu, in tegenstelling tot de kapitalistische maatschappij, de individuele arbeid niet meer langs een omweg [de omweg van het privaatbezit – G.I.C.] maar onmiddellijk als bestanddeel van de totaal-arbeid bestaat.”
(Marx, Randglossen, blz. 24) (51).
“Hier heerst klaarblijkelijk hetzelfde beginsel, als dat, wat de warenruil regel, voor zover het het uitruilen van gelijkwaardigheden betreft; de inhoud en vorm zijn veranderd, omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets geven kan, behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niets in het eigendom van enkelingen over kan gaan, behalve individuele consumptiegoederen.”
(Marx, als boven, p  25) (52).

We zien hieruit, dat het communisme bij Marx volstrekt geen “negatief systeem” is. In de plaats van de regelende functies van het geld treedt de registratie van de goederenstroom, de maatschappelijke boekhouding, op de grondslag van het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur en daarmee op de grondslag van de maatschappelijk gemiddelde productietijd, uitgevoerd door de coöperatieve samenvatting van producenten en consumenten. De markt, die volgens de kapitalisten een graadmeter voor de behoeften is, valt geheel weg – hij wordt opgeheven door de directe aansluiting van de cunsumentenorganisaties op de productie.

Deze aansluiting is het eigenlijke onderwerp van de planmatige productie. Hoewel de socialistische economen zich juist op dit gebied aan hun fantasieën te buiten gaan, wordt de planmatige productie bij een latere bespreking van “de markt” door ons slechts terloops behandeld. Dit omdat het buiten het kader van dit geschrift valt: het valt buiten de grondbeginselen van het bedrijfsleven. De planmatige productie kan zich eerst naar economische grondbeginselen opbouwen. Daarom moet eerst over deze beginselen klaarheid zijn. De planmatige productie is dus een heel ander onderwerp, dat echter sinds de ervaringen van de Russische revolutie ook binnen het gezichtsveld van het exacte onderzoek vallen kan. (Zie hiervoor: Fr. Pollock (53), Die planwirtschaftlichen Versuche in der Sowjetunion 1917-1927, Uitgave Hirschfeld, Leipzig, 1929). Dit werk levert geen kritiek op Rusland, maar het wil alleen weergeven, hoe de worsteling om het beheersen van de markt zich gedurende genoemde tien jaar voltrok en nog voltrekt.

c. De methode van onderzoek

Om het doorgeven van de goederen op de grondslag van de productietijd nader te kunnen onderzoeken, bedienen we ons van de gebruikelijke methode van de vereenvoudiging. Voorlopig zien we dus van allerlei complicaties, die een verandering van de maatschappelijk gemiddelde productietijd te weeg brengen, zoals de verbetering van de rationaliteit van het bedrijf en de vooruitgang van de techniek, af, om gaandeweg de werkingen van deze factoren naar te gaan. Verder bewegen we ons voorlopig op de grondslag van de enkelvoudige reproductie, dat wil zeggen we nemen aan, dat de samenleving niet tot uitbreiding van het productieapparaat besluit, om later een afzonderlijk hoofdstuk aan de werkingen van de productie op verbrede grondslag te wijden.

d. De communistische reproductieproces

Na deze vooropstellingen kunnen we de gang van het communistisch bedrijfsleven in een heel eenvoudige en overzichtelijke vorm uitdrukken. Ieder bedrijf berekent, hoeveel arbeidstijd in z’n product steekt, dat wil zeggen het bepaalt, hoeveel arbeidsuren aan “vaste” productiemiddelen (machines en gebouwen), hoeveel arbeidsuren aan “”circulerende” productiemiddelen (grond- en hulpstoffen) en hoeveel direct bestede arbeidsuren in het product wordt opgenomen. Van welke aard het bedrijf ook is, of het een suikerfabriek, een spoorwegbedrijf of een administratief lichaam is, het verbruikt altijd productiemiddelen, grond- en hulpstoffen en direct bestede arbeid en zo kan dus ieder bedrijf vaststellen hoeveel arbeidsuren product het in de samenleving doorgeeft. Of, om het anders te zeggen:

Ieder bedrijf werkt volgens de productievergelijking:

p+g+a=product
(machines en gebouwen)+(grond- en hulpstoffen)+(arbeidskracht)=product

Opmerking: Transportbedrijven en administratieve lichamen leveren geen eigenlijk “product”, maar ze verrichten een “dienst”. Dat verandert er echter niets aan. We komen er later op terug.

Vervangen we ter wille van de duidelijkheid de letter door fictieve getallen, dat zou de productievergelijking van een schoenenfabriek bijvoorbeeld, er als volgt uit kunnen zijn:

(P+g)+a=product
1.250 arbeidsuren+61.250 arbeidsuren+62.500 arbeidsuren=125.000 arbeidsuren
machines enzovoort+grondstoffen+arbeidskracht=40.000 paar schoenen

Dat is gemiddeld 3,125 uur per paar.

Wil het schoenenbedrijf echter een nieuwe productieperiode inzetten, dan moet al wat bij de productie teloor ging, opnieuw aanvullen. Het moet zijn slijtage aan productiemiddelen (1.250 uren) weer in het bedrijf opnemen, opnieuw grondstoffen aanschaffen (61.250 uren) en opnieuw 62.500 arbeidsuren van de arbeiders opnemen. Heeft het dit gedaan, dan kan de productie op dezelfde voet van voren af beginnen. Zo gezien, blijkt de productievergelijking dus meteen de reproductieformule.

Ieder bedrijf reproduceert zichzelf. En daarmee is het hele maatschappelijke bedrijfsleven gereproduceerd.

Om het totale bedrijfsleven ook een overzichtelijke vorm te geven, bedienen we ons van dezelfde productievergelijking als die, welke voor ieder afzonderlijk bedrijf geldt. In deze formule vinden we dus alle productiemiddelen waarover de samenleving beschikt, benevens alle grond- en hulpstoffen, alsmede alle direct bestede arbeidsuren van de arbeiders in de productie. Het totaal-bedrijfsleven wordt dus voorgesteld door:

(Pt+Gt)+At=Totaalproduct

Opmerking: De index t betekent: totaal.

Brengen we ook dit duidelijkheidshalve in fictieve getallen, dan krijgen we bijvoorbeeld:

Pt+Gt+At=Totaalproduct
108 miljoen uren+650 miljoen uren+650 miljoen uren=1.408 miljoen arbeidsuren

De productiemassa van het maatschappelijk totaalproduct belichaamt dus 1.408 miljoen arbeidsuren. Alle bedrijven tezamen onttrekken nu voor 108 miljoen arbeidsuren aan productiemiddelen aan deze massa, verder nog 650 miljoen aan grond- en hulpstoffen, terwijl de rest of 650 miljoen in de individuele consumptie van de arbeiders overgaat. Daarmee is dan het hele maatschappelijke product verbruikt, terwijl alle bedrijven gereproduceerd zijn, zodat een nieuwe productieperiode kan inzetten.

e. De reproductie van de arbeidskracht

Toch is het noodzakelijk, nog even stil te staan bij de individuele consumptie. Weliswaar is daartoe in ons voorbeeld 650 miljoen aan product beschikbaar, maar daarmee is nog niet gezegd, hoe het over de arbeiders wordt verdeeld!

Het zou bijvoorbeeld heel goed mogelijk zijn, dat ongeschoolde, geschoolde en intellectuele arbeid verschillend werd “gewaardeerd”. De verdeling zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn, dat de ongeschoolde ¾ uur “uitbetaald” kreeg voor één uur arbeid, de geschoolde juist een uur, de beambte 1½ uur en de bedrijfsleiders bijvoorbeeld 3 uur. In het bedrijf wordt dan voor een werkweek van 40 uur in de bedrijfsboeken genoteerd: voor de ongeschoolde 30 uur, voor de geschoolde 40 uur, voor de beambte 60 uur en voor de bedrijfsleider 120 uur.

Inderdaad stellen de heren economen zich op dit standpunt! Ze denken er niet aan, de arbeid gelijkelijk te “waarderen”, dus ieder een even groot aandeel in het maatschappelijk product te geven.

Dit is dan ook de betekenis van de “levensniveau’s” van Otto Neurath (zie blz. 14-15 van dit geschrift).

De “voedingsfysiologen” zullen een bestaansminimum vaststellen, dat dan het “inkomen” van de ongeschoolden zal zijn, terwijl de anderen naar verhouding hunner ijver en capaciteiten en de belangrijkheid hunner werkzaamheden meer krijgen.

Dit verschil in “lonen” acht Kautsky “noodzakelijk”, omdat hij meent, “dat toch voor onaangenaam en zwaar werk hogere lonen zouden moeten betaald worden dan voor aangename en lichte.” (Kautsky, Die proletarische Revolution und ihr Program, blz. 318).

Tevens meent hij, dat daardoor de arbeidstijdrekening niet praktisch doorvoerbaar is. Met z’n broeder Leichter gaat hij zover, dat hij zelfs de verschillen in loon binnen één bepaald beroep wil handhaven, omdat de individuele lonen al naar de routine van de vakman boven het grondloon behoren te kunnen stijgen. Zo staan ze bijvoorbeeld op het standpunt, dat het stukwerk ook in het communisme gehandhaafd dient te worden. Leichter merkt echter terecht op, dat dit geen bezwaar is voor de doorvoering van de arbeidstijdrekening, wat we dan ook reeds boven aangaven.

Hij zegt: “Er blijft alleen nog de zuiver technisch, ook in het kapitalisme bestaande moeilijkheid, de lonen voor de afzonderlijke arbeidsverrichtingen vast te stellen, maar dat betekent geen complicatie tegenover de kapitalistische methode.” (Leichter, Die Wirtschaftrechnung in der sozialistische Gesellschaft, blz. 76).

We stellen dus vast, dat voor dit soort communisten het in principe juist is, dat verschillende soort van arbeid, ja, zelfs de individuele verschillen binnen dezelfde soort van arbeid verschillend worden betaald. Dat komt hier op neer, dat bij hen ook in het communisme “de strijd voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden” niet opgehouden heeft, dat de verdeling van het maatschappelijk product een antagonistisch karakter draagt, dat de strijd om de verdeling van het product wordt voortgezet. Deze strijd is een machtsstrijd en zal ook als zodanig worden gevoerd.

Zeker kan niet duidelijker gedemonstreerd worden, dat deze heren zich geen samenleving kunnen denken, waarin de arbeidersklasse niet wordt beheerst. De mensen zijn voor hen gewoon tot voorwerpen geworden. De arbeiders zijn niet meer dan delen van het productieapparaat, waarvoor de voedingspysiologen zullen vaststellen, hoeveel levensmiddelen aan dit materiaal moet worden toegevoerd, opdat het zijn arbeidskracht opnieuw aan het productieapparaat kan geven. De arbeidersklasse moet met de grootste kracht tegen een dergelijk standpunt opkomen en voor allen een gelijk deel van de maatschappelijke rijkdom opeisen (54).

f. De waarde van de arbeidskracht

Dat de “communistische” economen het verschil in waardering van de arbeidskracht niet kunnen loslaten, wordt hun, menen we, gedicteerd door hun klassengevoel. Een gelijkmatige verdeling van het maatschappelijk product stuit op dit machtige bolwerk van de begripsvorming en verschijnt daarom als “onmogelijk”. Nu is het echter zoal geen oude, dan toch in ieder geval een juiste grondstelling, dat de begripswereld in hoofdzaak door de gevoelswereld wordt gevormd en het verstand dus niet veel anders zal vinden , dan het gevoel voelt. Hieruit is het te verklaren, dat Leichter bijvoorbeeld het waardebegrip voor de zakelijke productie wil opheffen, maar zich er ten opzichte van de arbeidskracht niet van vrij maken kan. Het verschil in waardering van de verschillende soorten van de arbeidskracht in het kapitalisme vindt z’n grond in het feit, dat de arbeidskracht een “waar” is, die je kopen kunt,juist zoals andere “waren”. De gemiddelde prijs, die de ondernemer er voor betaalt, is zoveel als nodig is, om de arbeidskracht te reproduceren. Voor de ongeschoolde arbeidskracht is de waarde zoveel, als de levensmiddelen voor het onderste “bestaansminimum” kosten. De kinderen van de ongeschoolden kunnen in het algemeen geen beroep leren, omdat ze direct en zoveel mogelijk moeten verdienen. Daarmee hebben de ongeschoolden zelf de ongeschoolde arbeidskracht gereproduceerd.

Om de geschoolde arbeidskracht te reproduceren is iets meer nodig. Hier leren de kinderen een beroep, waarmee de geschoolden zelf de geschoolde arbeidskracht hebben gereproduceerd. Voor de intellectuelen geldt hetzelfde. Dit “waren-karakter” van de arbeidskracht laat Leichter ook voor het communisme gelden. Hij zegt: “De verschillende soorten arbeidskracht (bootwerkers, beambten, ingenieursarbeidskracht – G.I.C.) brengen verschillende kosten mee, om hun arbeidskracht te reproduceren, geschoolde arbeiders hebben meer nodig dan ongeschoolden om hun arbeidskracht voor de volgende dag, voor het volgende jaar te reproduceren. Dat betekent, dat hun lopende uitgaven groter zijn. Er zijn in het algemeen hogere kosten om een hogere arbeidskracht als geheel, dat is, om een mens met dezelfde ontwikkelingsgraad en kennis te vormen, wanneer de vroegere drager van deze arbeidskracht niet meer in staat is te werken. Dit alles moet in de waardeberekening van de verschillende arbeidskrachten betrokken worden.” (Leichter, als boven, blz. 61).

g. De waarde van de arbeidskracht in het kapitalisme volgens Marx

Stellen we de marxistische analyse van de waarde van de arbeidskracht hier naast, dan blijkt volkomen duidelijk, dat de loonwetten voor het kapitalisme en voor het levensniveau-communisme volkomen dezelfde zijn!

Marx zegt:

“Welke zijn nu de productiekosten van de arbeidskracht? Het zijn de kosten, die gevorderd worden, om de arbeider in het leven te houden en hem tot arbeider te vormen.
Hoe minder oefeningstijd een arbeid dus vergt, des te geringer zijn de productiekosten van de arbeiders, des te lager is de prijs van zijn arbeid, z’n arbeidsloon. In takken van industrie, waarin bijna in het geheel geen leertijd nodig is, en het blote lichamelijke bestaan van de arbeider voldoende is, beperken zich de tot zijn schepping nodige productiekosten bijna slechts op de waren, die nodig zijn, om hem in een tot de arbeid geschikt leven te houden.
De prijs van zijn arbeid zal dus door de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen bepaald zijn.”

Er komt intussen nog een andere rekening bij. De fabrikant, die zijn productiekosten en daarnaar de prijs van de producten berekent, brengt de slijtage van de arbeidswerktuigen in rekening. Kost hem een machine bijvoorbeeld 1000 gulden en worden deze machine in 10 jaar versleten, dan slaat hij de prijs van de waren met 100 gulden jaarlijks op, om na 10 jaar de versleten machine door een nieuwe te kunnen vervangen. Op dezelfde wijze moeten tot de productiekosten van de arbeidskracht de voortplantingskosten bijgerekend worden, waardoor het arbeidersras in staat gesteld wordt, zich te vermeerderen en de versleten arbeiders door nieuw te vervangen. De slijtage van de arbeider wordt dus op dezelfde wijze in rekening gebracht, als de slijtage van de machine.

De productiekosten van de eenvoudige arbeidskracht komen dus neer op de bestaans- en voortplantingskosten van de arbeider. De prijs van de bestaans- en voortplantingskosten vormt het arbeidsloon. Het zo bepaalde arbeidsloon heet het minimum van het arbeidsloon.” (Marx, Loonarbeid en kapitaal, blz. 10) (55).

Zoals de reproductie van het “zakelijke” deel van het productieapparaat in het kapitalisme een individuele functie van de kapitalist is, zo is de reproductie van de arbeidskracht een individuele functie van de arbeider. Maar zoals de reproductie van het “zakelijk deel” van het productieapparaat in het communisme tot een zakelijke functie wordt, zo wordt ook de reproductie van de arbeidskracht een maatschappelijke functie. Ze valt niet meer ten laste van de afzonderlijke individuen, maar ze wordt gedragen door de samenleving. Het bezoeken van onderwijsinrichtingen is niet meer gebonden aan de portemonnee van papa, maar het is enkel gebonden aan de geestelijke eigenschappen van het kind. Het is toch bovendien al te gek, aan hen, bij wie het complex van erfelijkheidsfactoren zeer gunstig is, zodat deze mensen het grote voorrecht hebben, volop van de cultuur te kunnen genieten en daardoor in staat zijn hun makker uit hun rijke schatkamers van kennen en kunnen te kunnen mededelen, bovendien nog een groter aandeel in het maatschappelijk product te geven, dan fysisch of psychisch door de natuur minder rijk bedeelden!

Maar er komt nog iets bij.

De verdeling van het maatschappelijk product in het communisme is niet een eenvoudige reproductie van de arbeidskracht: het is de distributie van alle zakelijke en geestelijke rijkdommen, die de mensheid met haar techniek voortbrengt en gaat dus ver boven de eenvoudige reproductie van de arbeidskracht uit. Wat “communisten” à la Kautsky, Leichter, Neurath enzovoort met hun “levensniveau’s” willen, komt hier op neer, dat ze aan de “lagere” arbeiders een “bestaansminimum” verzekeren op de grondslag, zoals die door de voedingsfysiologen is bepaald, terwijl de “hogere” de overvloed verteren.

Dat wil zeggen: Ze denken er niet aan de uitbuiting op te heffen. Op de grondslag van het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen wordt de uitbuiting voortgezet!

In het “levensniveau-communisme” geven de producenten hun arbeidskracht aan een groot, ondefinieerbaar “iets”, dat men “samenleving” noemt. Maar waar zich dit “iets” doet gelden, is het een aan de producenten vreemd element, dat zich boven hen verheft, hen uitbuit en over hen heerst, als “iets”, dat de werkelijke beheerser van het productieapparaat is, als een “samenleving” waarin zij als “zakelijke” productiefactoren zijn opgenomen.


VIII. – Het maatschappelijk gemiddeld arbeidsuur als grondslag van de productie

a. Kautskyaanse moeilijkheden

Reeds vroeger wezen we er op (zie IV. c. De burgerlijke kritiek op “het algemene kartel”), dat Marx Weber en Ludwig Mises hun lauweren konden oogsten bij het verslaan van de arbeidstijdrekening en hoe Kautsky zich daarbij als heel bevattelijke leerling toonde. In zijn boek: Die proletarische Revolution und ihr Programm (Uitgave Dietz, Stuttgart, 2e druk, 1922) geeft hij daarvan de bewijzen. Maar hierbij komt hij in de moeilijkheid, dat hij zich nu ook tegen Marx keren moet. Zijn gewoonte getrouw doet hij dat natuurlijk niet en zo verklaart hij de arbeidstijdrekening voor theoretisch wel denkbaar, maar ongeschikt voor praktische doorvoering. Voor hij tot een uiteenzetting van deze overwegingen begint, geeft hij dan eerst een formulering van de arbeidstijdrekening, waarbij echter dient opgemerkt, dat hij per ongeluk vergeet, er bij mee te delen, dat dit de zienswijze van Marx was.

Kautsky toont eerst de onmogelijkheid van een productie zonder rekeneenheid en besluit daaruit, dat “het geld als maatstaf voor de boekhouding en de berekening van de ruilverhoudingen in een socialistische samenleving onontbeerlijk” is. Maar dan vraagt hij: “Zal daartoe hetzelfde geld nodig zijn, dat heden nog bestaat […], dat uit een aparte waar, meestal goud, gevormd wordt? Zou men dan niet in plaats van dit product en vertegenwoordiger van menselijke arbeid, deze zelf direct als maatstaf voor de waarde kunnen bepalen en een arbeidsgeld scheppen, dat de geleverde arbeid direct aangeeft? Dat zou bijvoorbeeld in deze vorm denkbaar zijn, dat ieder arbeider voor ieder arbeidsuur, dat hij gewerkt heeft, een bewijs krijgt; hiervoor krijgt hij het recht op het product van een arbeidsuur. Voor ieder product zou dan berekend moeten worden, hoeveel arbeid het gekost heeft. Voor het loon van een arbeidsdag kon de arbeider steeds producten kopen, voor welker vervaardiging een arbeidsdag nodig is. De berekening zou steeds volkomen moeten kloppen, iedere uitbuiting zou uitgesloten zijn en de arbeider zou volkomen vrijheid hebben, hoe hij zijn loon zou willen besteden. Iedere voogdij van een of andere overheid, die de afzonderlijke personenrantsoenen toewijst, zou vermeden zijn. Ongetwijfeld, zou zulk geld denkbaar zijn. Maar zou het ook praktisch zijn door te voeren?” (Kautsky, Die proletarische Revolution und ihr Programm, blz. 318).

Ach neen! Hoe jammer, dat het niet kan! En waarom kan het niet? Omdat Kautsky meent, dat het verschil in lonen en het stukwerk dit verhindert en omdat hij het communisme nog altijd als het monster-kartel van Hilferding ziet, waar de leiders van de productie vanuit hun centrale regeringsbureau’s het hele wereld-bedrijfsleven beheersen! Zodoende komt hij tot een volkomen foutieve probleemstelling. Het vraagstuk krijgt het volgende karakter:

Door de opheffing van het privaatbezit wordt het hele maatschappelijke bedrijfsleven tot één geheel verbonden. De producten gaan van het éne naar het andere, totdat tenslotte het “eindproduct” voor de consumptie geschikt is. Bij het doorgeven van de half-fabricaten en grondstoffen is zowat de hele wereld te pas gekomen: duizenden en nog eens duizenden arbeiders hebben hun arbeidskracht gegeven, vóór bijvoorbeeld een paar schoenen voor de consumptie geschikt waren, vóór ze als “eindproduct” verschenen. Hoeveel arbeidsuren bevat tenslotte dit eindproduct??

Ziedaar het raadsel, bij de oplossing waarvan Kautsky moedeloos het hoofd laat zinken. Ja, theoretisch moet de oplossing natuurlijk mogelijk zijn! Maar praktisch? Neen, want “welk een onmogelijke arbeid zou het zijn, voor ieder product het bedrag aan arbeid te berekenen, dat het vanaf het eerste begin tot volledig eindproduct inclusief transport en andere neven-werkzaamheden gekost heeft.” (Kautsky, als boven, blz. 318).

“De schatting van de waren naar de arbeid die ze belichamen [is zelfs met het] ontzaglijkste en volmaakste statistische apparaat [niet mogelijk].”
(Kautsky, als boven, p. 321).

Inderdaad. Kautsky heeft volkomen gelijk, dat het langs deze weg volkomen onmogelijk is. Echter: een dergelijke wijze van productieberekening bestaat alleen in de fantasie van Kautsky.

b. Het antwoord van Leichter

Moge Leichter het ook al roerend met Kautsky eens zijn, dat een samenleving zonder uitbuiting tot de fantasieën van het Duizendjarig Rijk behoort, zo weet hij toch veel beter hoe de berekeningen in de productie verlopen, dan zijn grijze partijgenoot. Hij wijst er met de meeste nadruk op, dat binnen een trust of kartel nooit goederen zonder “verrekening” worden overgedragen en dat dit ook in het communisme zo zal zijn.

“Er bestaan betrekkingen tussen de afzonderlijke bedrijven en deze betrekking zal zolang in de wereld bestaan, als er arbeidsdeling is en de arbeidsdeling in deze hogere zin zal zich met de vorderingen van de techniek nog verder ontwikkelen.”
(Leichter, Die Wirtschaftsrechnung in der sozialistischen Gesellschaft, blz. 54).
“Alle zakelijke voorwaarden van de productie, alle half-fabricaten, alle grond- en hulpstoffen, die door andere bedrijven in het verder verwerkende bedrijf geleverd worden, worden hem berekend, gefactureerd.” (Leichter, als boven, blz. 68).
“De kartelmagnaten, of – bij socialistisch bedrijfsleven – de leiders van het gehele bedrijfsleven zullen niet verschillende bedrijven met hetzelfde programma volgens verschillende methoden en met verschillende kosten laten werken. Dit is dan ook voor de vele zwakkere ondernemers een prikkel, zich in het kapitalisme willens of onwillens door een reuze-concern te laten “opslokken”, omdat zij hopen, dat zij nu ook voor “hun” bedrijf de binnen het kartel als doelmatigst erkende organisatie, de beste methode van fabricatie, de bekwaamste beambten, benut zullen worden, om de productiviteit van het bedrijf op te voeren.
Daartoe is het echter noodzakelijk, de resultaten van alle bedrijven afzonderlijk te berekenen en net te doen – zij het in kapitalistische of socialistische productie – alsof ieder bedrijf een eigen ondernemer had, die zich over de resultaten van de productie rekenschap wil geven. Daarom heerst binnen het kartel een strenge verrekening, en het behoort tot de lekenvoorstelling zowel van kapitalisme als van socialisme, als men meent, dat binnen het kartel waren zonder verrekening overgedragen kunnen worden, om kort te gaan, dat de afzonderlijke concern-bedrijven niet zeer goed tussen “mijn en dijn” weten te onderscheiden.” (Leichter, als boven, blz. 52/53).

Is er dus een “verrekening” tussen de verschillende bedrijven, ook binnen ieder afzonderlijk bedrijf wordt volgens de nieuwste en nauwkeurigste methoden de boekhouding gevoerd.

Uit hier niet nader te onderzoeken gronden was het kapitalistisch bedrijfsbeheer na 1921 gedwongen tot een “rationalisatie” van de bedrijven over te gaan. Zo ontstond omstreeks 1920 een geheel nieuwe literatuur, waarin de methoden ontwikkeld zijn, om met grote nauwkeurigheid “productiekosten” te berekenen voor iedere deelwerkzaamheid en voor ieder afzonderlijk procedé. Deze kosten worden uit zeer vele factoren opgebouwd: slijtage aan productiemiddelen, het verbruik aan grond- en hulpstoffen, een bepaalde norm voor sociale verzekeringen, alsook voor het beambtenapparaat enzovoort, enzovoort. Met behulp van algemene formules kunnen zodoende de “productiekosten” voor ieder apart artikel berekend worden.

Leichter zegt hieromtrent:

“De kapitalistische verrekening kan, als ze in een fabriek is doorgevoerd en glad verloopt, te allen tijde de waarde van een half-fabricaat, of van een werkstuk, dat nog in bewerking is een de kosten van iedere afzonderlijke werkzaamheid nauwkeurig vaststellen. Ze kan bepalen in welke van de werkplaatsen van een fabriek, op welke van de machines, met welke arbeidskrachten een stuk werk goedkoper is, ze kan dus te allen tijde de rationaliteit van het werkproces tot ’t hoogste opvoeren. Daarbij komt nog een andere mogelijkheid van de kapitalistische verrekeningsmethode; in iedere fabriek heeft men een aantal lasten en uitgaven, die niet direct in het eindproduct van het bedrijf gaan [bedoeld worden bijvoorbeeld het loon van beambten, de verwarming van de lokaliteiten, enzovoort – G.I.C.] […] het behoort tot de grote veroveringen van de kapitalistische verrekeningsmethoden, deze nauwkeurigheid in de bedrijfsberekening te hebben mogelijk gemaakt.” (Leichter, als boven, blz. 22/23).

Zeer zeker zijn de formules, zoals die nu in een bepaald bedrijf gelden, in het communisme niet bruikbaar,omdat verschillende factoren, die nu in de kostprijsberekening worden opgenomen, bijvoorbeeld rente van het kapitaal, voor ons wegvallen, maar de methode als zodanig is een blijvende winst.

Ook in dit opzicht wordt de nieuwe samenleving geboren uit de schoot der oude.

c. De aanwinst

Vanuit deze gezichtshoek gezien, verschijnt de “onmogelijk praktisch doorvoerbare berekening” van de arbeid, die in een bepaald product steekt, in een heel ander licht. Wat Kautsky vanuit z’n economische centrale niet kan, dat kunnen de producenten zelf heel goed. Het geheim is, dat ieder bedrijf, geleid door z’n bedrijfsorganisatie, als “zelfstandige” eenheid optreedt, juist als onder het kapitalisme.

“Op het eerste gezicht zal men vermoeden, dat ieder bedrijf tamelijk zelfstandig is, doch ziet men nauwkeuriger toe, dan zal men duidelijk de navelstreng zien, waardoor het afzonderlijke bedrijf met het overige bedrijfsleven en z’n leiding is verbonden.”
(Leichter, als boven, blz. 101).

Iedere “zelfstandige” eenheid heeft een “eindproduct” en door toepassing van de formule (p+g)+a kan ze altijd bepalen, hoeveel arbeid voor zijn productie nodig is. Als het “eindbedrijf” tenslotte haar “eindproduct” klaar heeft, zodat het in de consumptie kan overgaan, weten we meteen, hoeveel arbeid het heeft opgeslorpt “vanaf h et eerste begin tot volledig eindproduct inclusief transport en andere nevenwerkzaamheden”. Zoals de productie zich uit deel-processen opbouwt, zo bouwt zich ook de berekening van de arbeidstijd op, een berekening, die volkomen in handen de producenten berust en dus geen functie is van de economische centrale van Kautsky.

Kautsky ziet dus wel de noodzakelijkheid in, de arbeidstijd van de producten te berekenen, maar hij ziet geen kans het praktisch te verwezenlijken. Hij kan dus geen exacte vatting vinden voor de “maatschappelijk gemiddeld noodzakelijke arbeid”. Geen wonder dus, dat hij van de problemen, die zich rondom dit punt bewegen niets, maar dan ook helemaal niets terecht brengt. Zo vertelt hij allerlei dwaasheden over de “prijzen” van de producten (blz. 321), terwijl het verschil in productiviteit van de bedrijven en de vooruitgang van de techniek hem in de grootste moeilijkheden brengt.

Ofschoon het, nadat we de principiële fout hebben blootgelegd, overbodig is, ons nog nader met zijn bezwaren bezig te houden, willen we ter wille van een concrete begripsvorming van de categorie van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid zijn beschouwingen verder vervolgen.

d. Het verschil in productiviteit van de bedrijven

Daartoe geven we allereerst onze aandacht aan de “prijzen” van de producten. Hij vestigt de aandacht op het feit, dat niet alle bedrijven even productief zijn. Het ene bedrijf is gunstiger gelegen dan het andere, of het heeft een betere organisatie van de productie, ofwel er zijn betere machines: om kort te gaan, de productiekosten zullen in alle bedrijven, die hetzelfde product maken, iets,misschien zelfs veel verschillen. Zo zal bijvoorbeeld de ene schoenenfabriek de schoenen kunnen produceren in 3,125 uur, een andere in 3½ uur en weer een andere in 3 uur per paar. Ieder bedrijf krijgt dus een andere productietijd, ieder bedrijf heeft haar eigen bedrijfsgemiddelde.

Bij maatschappelijke productie gaat het er echter om, het maatschappelijk gemiddelde te bepalen, dat is,hoeveel arbeid er in een paar schoenen steekt, gerekend over de hele maatschappelijke schoenenproductie. Het is dus niet anders dan het gemiddelde van alle schoenenfabrieken uit het district. Zo zou het in de door ons genoemde voorbeelden heel goed mogelijk zijn, dat het maatschappelijk gemiddelde op 3,3 uur per paar komt.

Het is dus een eigenaardig geval. Het maatschappelijk gemiddelde zou in ons voorbeeld op 3,3 kunnen liggen, terwijl er geen enkel bedrijf is, dat volgens dit gemiddelde werkt! Er is dus een tegenstelling tussen de werkelijk bestede arbeid in ieder afzonderlijk bedrijf, het bedrijfsgemiddelde, en het maatschappelijk gemiddelde.

Deze tegenstelling zal altijd blijven bestaan,ook al is het communistische bedrijfsleven volkomen georganiseerd. Want zelden zullen twee bedrijven volkomen gelijk zijn. Reeds de vooruitgang van de techniek maakt, dat er wel altijd verschillen zullen zijn, omdat bij het invoeren van een nieuw type machine, die toch niet overal tegelijk in bedrijf wordt gebracht.

Het is deze tegenstelling die Kautsky voor onoverkomelijke moeilijkheid stelt en die hem tot de “onmogelijkheid” van de arbeidstijdrekening doet besluiten.

Hij vraagt: “En welke arbeid zou men moeten berekenen? Toch niet die, welke het product werkelijk gekost heeft. Dan zouden verschillende exemplaren van dezelfde soort verschillende prijzen dragen, die, welke onder ongunstige omstandigheden gemaakt werden een hogere dan de andere. Dat zou absurd zijn. Ze zouden alle dezelfde prijs moeten dragen en deze zou dan niet naar de werkelijk bestede arbeid berekend moeten worden, maar naar de maatschappelijk noodzakelijke arbeid.” (Kautsky, Die proletarische Revolution, blz. 319).

Kautsky verlangt hier zeer terecht, dat de prijzen van de producten (we zullen zijn terminologie maar even overnemen) overeen moeten komen met de maatschappelijk noodzakelijke arbeid. Dat is dus niet met de arbeid, die in ieder afzonderlijk bedrijf aan het product werd besteed, want deze ligt nu een boven, dan weer beneden de hoeveelheid maatschappelijke arbeid.

De oplossing van het vraagstuk ligt echter alweer hierin, dat de producenten zelf, dat is hier: hun afdeling boekhouding!, dit maatschappelijk gemiddelde bepalen en niet Kautsky! Wat de leiders van het “algemene kartel van Hilferding” niet kunnen, dat kunnen de producenten zelf heel goed!

Want, waarom gaat het eigenlijk?

Het gaat om het bepalen van he gemiddelde uit de hele schoenenbranche. We zien hieruit, dat de eis van het bepalen van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid al direct voert tot een boekhoudkundige verbinding van de gelijksoortige bedrijven, die horizontale aaneensluiting. In de allereerste overgangstijd zal het nog wel niet ver boven deze boekhoudkundige aaneensluiting uitkomen, maar mettertijd, moet uit de resultaten van de boekhouding een wederzijdse technische doordringing voortvloeien. Deze horizontale aaneensluiting is nu echter geen “vertrusting”, die het staatsbeambtenapparaat voltrekt en waarbij de producenten voor de leiding van het productieproces worden uitgeschakeld, maar de aaneensluiting groeit uit de bedrijven zelf. Het hoe en waarom is voor iedere arbeider volkomen duidelijk, “doorzichtig”, want eerstens begrijpen de arbeiders heel goed, dat ze niet tegen elkaar kunnen gaan “concurreren” en tweedens ervaren ze al heel gauw, dat planmatige productie alleen mogelijk is, op de grondslag van het maatschappelijk gemiddelde.

De verbinding van de afzonderlijke bedrijven tot industriële-branches lijkt uiterlijk dus veel op de kapitalistische “kartel-vorming”. De kapitalistische ondernemingen sluiten zich echter aaneen, om de winst zo groot mogelijk te doen zijn: ze stellen de prijzen zó vast, dat het slechtste bedrijf nog met winst kan werken, waardoor de goed ingerichte fabrieken een extra-winst in de wacht slepen. De communistische industrie-branche bepaalt echter het gemiddelde van alle bedrijven.

Tezamen hebben de bedrijven de maatschappelijk gemiddelde productiviteit.

Wat het ene bedrijf onder-productief is, moet het andere noodzakelijk boven-productief zijn,juist omdat het gemiddelde uit hen alle bepaald is. De afwijkingen naar onderen en naar boven zijn daarom altijd 0. Wanneer alle bedrijven, zowel de onder- als de boven-productieve, hun product volgens de maatschappelijke productietijd aan de samenleving doorgeven, moet de boekhouding van de industriebranche altijd “kloppen”.

Het opheffen van de tegenstelling van de in ieder afzonderlijk bedrijf werkelijk bestede arbeid en het maatschappelijk gemiddelde is dus een kwestie, die binnen de industriebranche haar oplossing vindt. Het is een kwestie van boekhouding. Hoe deze boekhouding verloopt, valt buiten het raam van algemeen theoretische beschouwingen, omdat deze bewerking al naar de aard van de bedrijven zal wisselen. Hier voeren vele wegen naar het doel.

In beginsel komt het echter op het volgende neer:

Schoenenbranche
Bedrijf 1 produceert40.000 paar schoenenà 3,125 uur=125.000 uur
Bedrijf 2 produceert65.000 paar schoenenà 3,5 uur=125.000 uur
Bedrijf 3 produceert100.000 paar schoenenà 3 uur=300.000 uur
In de hele branche205.000 paar schoenenbevattende652.500 uur

Dat is per paar 652.500 [arbeidsuren] gedeeld door 205.000 [paar schoenen] = 3,18 uur.

De bedrijfsgemiddelden zijn dus 3,125, 3,5 en 3 uur. Het maatschappelijk gemiddelde ligt op 3,18. Bedrijf 1 heeft een productietijd beneden het maatschappelijk gemiddelde en is dus boven-productief. Bedrijf 3 eveneens. Bedrijf 2 werkt “duurder” dan het maatschappelijk gemiddelde en is dus onder-productief. Als de schoenen tegen 3,18 in de consumptie gaan, houden de bedrijven 1 en 3 boekhoudkundig uren “over” maar dat is juist het bedrag, dat bedrijf 2 boekhoudkundig “tekort” komt.

e. De vooruitgang van de techniek

Maar Kautsky heeft voor het bewijs van de “onmogelijkheid” van de arbeidstijdrekening nog meer pijlen op zijn boog. Nadat hij er op gewezen heeft, welk een “reusachtige arbeid” het zou zijn, het bedrag aan arbeid te berekenen, vanaf het eerste begin tot volledig eindproduct, zegt hij: “En zou men hiermee gereed zijn, dan moest men weer van voren af aan beginnen, omdat de technische verhoudingen intussen in vele branches veranderd zijn.”

Ja, ja, het is een heel droevig geval! Vanuit zijn hoge zitplaats, waar alle draden van de productie samenkomen, heeft hij alle deelprocessen van de arbeid nauwkeurig nagegaan en berekend, hoeveel arbeid in de producten steekt. Dat is dan goddank klaar! Maar nu komt die duivelse techniek... en die stuurt weer al z’n berekeningen in de war!

We moeten ons echter haasten Kautsky gerust te stellen. Het bedrag aan arbeid dat het product heeft, als het alle deelprocessen doorlopen heeft, verschijnt niet plotseling onder het krampachtig geschrijf van zijn potloodje, maar de producenten bepalen de arbeidstijd voor ieder deelproces. Bij een vooruitgang van de techniek, of bij een andere toename van de productiviteit, daalt de maatschappelijke gemiddelde tijd voor dat deelproces. Is het product toevallig consumptie-artikel, dan gaat het met verlaagde productietijd in de distributie over en daarmee uit. Moet het echter als p of g (als productiemiddel of als grondstof) doorgegeven worden, naar een ander bedrijf, dan worden voor dit andere bedrijf de “onkosten” minder, zodat ook dit bedrijf “goedkoper” kan werken. Zo plant de verlaging van de maatschappelijke productietijd in één branche zich in het hele bedrijfsleven voort, zonder dat iemands berekeningen in de waar gestuurd worden.

De bezwaren, die Kautsky tegen de arbeidstijdrekening te berde brengt, spruiten alle voort uit de gekke opvatting, die hij van de maatschappelijke productie heeft. Hij zit vastgeroest in het “algemene kartel” en daarom praat hij wel over “maatschappelijk noodzakelijke arbeid”, maar ziet hij geen kans, om dit begrip in concrete vorm te geven. Dit is geen wonder. Het verkrijgt deze vorm eerst, door het beheer van de productie in handen van de producenten te leggen, door “de associatie van vrije en gelijke producenten” te verwezenlijken.

Zo zien we dus, hoe de revolutionaire klassenstrijd, die het radensysteem schiep, tegelijk een concrete vorm gaf aan de maatschappelijk noodzakelijke arbeid.


IX. – Het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur als grondslag van de consumptie

a. De consumptie als functie van de productie

Moge de arbeidersbeweging zich al heel weinig bemoeid hebben met de bewegingswetten van de communistische productie, nog veel groter nevel hang over de verhouding van de producenten tot de maatschappelijke consumptiegoederen. Dit is echter alleszins verklaarbaar. Het was toch juist de grote vooruitgang in het inzicht in de samenhang van het bedrijfsleven, dat Marx aantoonde, hoe productie, distributie en consumptie geen van elkaar onafhankelijke gebieden zijn, maar dat ze hun vormen wederkerig bepalen. Het was daarom “overbodig”, “utopisch” en dus “onwetenschappelijk” nu reeds nader op de communistische consumptie in te gaan.

De “wetenschappelijke” gedachtegang was daarom, volgens ons huidig inzicht, heel primitief. Het vraagstuk stond aldus: De proletarische revolutie brengt de productiemiddelen in gemeenschapsbezit en daarmee gaan we over tot het communistisch bedrijfsleven.

Dan moeten echter absoluut noodzakelijk de bewegingswetten voor de individuele consumptie daarmee in overeenstemming komen, juist omdat ze onverbrekelijk met de bewegingswetten van de productie verbonden zijn. Met de overgang naar het communistisch bedrijfsleven regelt deze zaak zich dus “vanzelf”.

Inderdaad is dit volkomen juist!

Alleen... de overgang naar het “gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen”... behoeft geenszins naar het communistisch bedrijfsleven te leiden!!

Er is een onmiskenbare drang naar het staatskapitalisme en bij zijn doorvoering regelt de consumptie zich naar de bewegingswetten van het staatskapitalisme!

b. De inzet van de revolutie

Heel typisch komt dit tot uiting bij de vertegenwoordigers van,laat ons maar zeggen het staatscommunisme. Men denkt er niet aan een vaste verhouding van producent tot product te leggen, men denkt er niet aan, de arbeider door zijn arbeid meteen zijn verhouding tot het maatschappelijk product te doen bepalen, hoewel hiermee “iedere uitbuiting uitgesloten zou zijn” (zie VIII. a. Kautskyaanse moeilijkheden). Nu echter zal het van de heren, die over het productieapparaat en het product beschikken, afhangen, hoeveel de arbeider van het maatschappelijk product zal krijgen. Zij zullen een “prijzenpolitiek” voeren, dat wil zeggen: zij stellen de prijzen van de producten vast, terwijl zij tevens de collectieve contracten met de vakverenigingen sluiten, om de lonen vast te stellen.

Hoe noodzakelijk het is, dat de arbeiders zich rekenschap geven van de plannen, die in de hoofden huizen van de heren, die morgen het “communistisch” bedrijfsleven hopen te leiden, moge uit onze volgende beschouwingen blijken. Er moge uit blijken, hoe absoluut noodzakelijk het is, de exacte verhouding van producent tot product tot inzet van de revolutie te maken.

c. Verbruiksgeld

De inzet van de revolutie is de werkelijke afschaffing van het arbeidsloon. De sociale revolutie, die de loonarbeid metterdaad afschaft, moet de verhouding van de arbeiders tot het maatschappelijk product op nieuwe grondslagen regelen (zie III. a.  De regeling van de productie).

Met andere woorden: de individuele consumptie moet naar nieuwe beginselen geordend worden.

De opheffing van de loonarbeid brengt direct mee: de opheffing van het arbeidsloon. Het communisme kent geen arbeidsloon. Het kent slechts de tot één geheel verbonden producenten, die tezamen de strijd tegen de natuur aanbinden, om consumptiegoederen voort te brengen, waarna ze deze gelijkmatig onderling verdelen. Het vaststellen van het arbeidsuur als maatstaf voor de consumptie is niet anders dan een technische noodzakelijke maatregel, om planmatig te kunnen consumeren en produceren.

De technische ordening van de consumptie eist daarom, dat de arbeiders in het bedrijf een “arbeidscertificaat”(Marx) krijgen, waarop is aangegeven, hoeveel uren arbeid zijn aan de samenleving gaven. Deze “arbeidscertificaten” of dit “arbeidsgeld” (Owen), of deze “verbruiksbonnen”, of dit “verbruiksgeld” is dus alleen een aanwijzing op de consumptiegoederen, die de arbeiders naar vrije keuze uit de maatschappelijke voorraden kunnen betrekken.

“Hier zij nog opgemerkt, dat bijvoorbeeld het ‘arbeidsgeld’ van Owen evenmin ‘geld’ is als bijvoorbeeld het entreebiljet van een schouwburg […]. Het arbeidscertificaat stelt slechts het individuele aandeel van de producent aan de gemeenschappelijke arbeid vast en zijn individuele aanspraak op het voor de consumptie bestemde deel van het gemeenschappelijk product.”
(Marx, Das Kapital, Bd. I, blz. 104) (56).

d. Het verbruiksgeld bij Leichter

Maar... als twee hetzelfde zeggen, dan is het nog lang niet hetzelfde, welke oude wijsheid nog een door Leichter wordt bevestigd. Hij voert in zijn productieapparaat-met-arbeidstijdrekening ook het “arbeidsgeld” voor de individuele consumptie in, waarmee hij de schijn wekt, als de arbeid de maatstaf voor deze consumptie zou zijn. Toch is dit geenszins het geval. In zijn “beeld van de samenleving” worden de arbeiders betaald naar de waarde van de arbeidskracht juist als onder het kapitalisme. Hij gebruikt het woord “arbeidsgeld” alleen, om de kapitalistische loonverhoudingen te versluieren. Heel onnozel zegt hij:

“In werkelijkheid ligt aan het hier neergelegde beeld van de samenleving de gedachte van de toewijzing van de producten in natura te grond en wel in de verhouding tot de door ieder afzonderlijke verrichte arbeid. Het arbeidsgeld is slechts een uit economisch-technische gronden gekozen vorm van aanwijzing op het aandeel in het nationale product.” (Leichter, als boven, blz. 75, vet van ons, G.I.C.).

Het schijnt, alsof Leichter hier hetzelfde zegt als Marx, maar in werkelijkheid ligt er een lelijke adder in het gras. Deze is dan te zoeken in de eigenaardige opvatting, die Leichter van de “door ieder afzonderlijk verrichte arbeid” heeft (zie blz. 58). Voor hem betekent het dat de kapitalistische loonverhoudingen gehandhaafd moeten blijven en hij gebruikt de term arbeidsgeld alleen, om het handhaven van de loonverhoudingen te versluieren. De producenten krijgen niet zoveel arbeidsuren aan consumptiegoederen terug, als ze aan de samenleving gaven, maar de regeling van de consumptie voltrekt zich naar normen, die met de arbeidstijdrekening niets te maken hebben.

Want hoe zijn deze normen?

“De voedingsfysiologen” bepalen, hoeveel en welke levensmiddelen “zo ongeveer het bestaansminimum voorstellen” (Leichter, als boven, blz. 64), waarmee dan “de normale, wetenschappelijke uitgebalanceerde hoeveelheid om te leven” is vastgesteld. En dat is dan de grondslag voor de uitbetaling. Wat heeft dit met de arbeidstijdrekening in de productie te doen?

Dit minimum is dan voor de ongeschoolden, terwijl het loon voor de half- en heel geschoolde arbeiders door “collectieve overeenkomsten” iets hoger wordt gezet. Deze overeenkomsten bepalen het grondloon, terwijl “de socialistische bedrijfsleider […] het loon voor de afzonderlijke arbeider vaststelt”, al naar zijn bekwaamheid.

Het is duidelijk dat de arbeiders de bedrijven nooit als een deel van zichzelf kunnen voelen, als er zulke tegenstellingen tussen hen bestaan. Zij kunnen nooit de verantwoording voor de productie dragen, wat bij de staatscommunisten trouwens ook in het geheel niet de bedoeling is. Bij Leichter zijn dan ook niet de producenten verantwoordelijk voor de gang van zaken, niet de bedrijfsorganisatie als geheel, maar de directeur.

Hij zegt, dat de “benoemde leider van een bedrijf de persoonlijke verantwoording er voor draagt. Hij kan zonder meer verwijderd worden, juist zoals een kapitalistische bedrijfsleider, die niet aan de hem gestelde eisen voldoet en krijgt dan het door de samenleving gegarandeerde minimum-inkomen, ingeval hij ‘werkloos’ is, of hij wordt in een overeenkomstige lagere en daarmee ook slechter betaalde plaats gebruikt. Op deze wijze kan het zogenaamde ‘particuliere initiatief’ van de kapitalistische bedrijfsleiders en directeuren en hun verantwoordelijkheidsgevoel, dat ook in hun persoonlijke belangen berust, vervangen en voor het socialistische bedrijfsleven behouden blijven.” (Leichter, als boven, blz. 101).

Niet onverdienstelijk van Leichter, om het als een van de zwaarste straffen te beschouwen, om in het bestaansminimum-op-voedingsfysiologische-grondslag geplaatst te worden.

e. Het arbeidsloon bij Leichter

Ofschoon uit het voorgaande duidelijk genoeg blijkt, dat de loonarbeid de hoeksteen van het Leichterse socialisme is, willen we het arbeidsloon nog iets nader beschouwen. Daartoe is het echter noodzakelijk, ook nog even de aandacht te vestigen op de “prijzenpolitiek”. Wie van mening mocht zijn, dat “de maatschappelijk gemiddelde productietijd” als “prijs” van de producten zou gelden, vergist zich grondig. Leichter is op dit punt niet al te duidelijk, maar toch is zeker, dat de producten tegen een hogere “prijs” in de samenleving overgaan. Zo spreekt hij bijvoorbeeld van de “winst” die gemaakt wordt, welke echter niet aan het bedrijf, maar aan de algemene kas ten goede zal komen (Rusland!). Uit deze “winsten” worden dan door de algemene kas de middelen voor de uitbreiding van de bedrijven ter beschikking gesteld.

Dit “winstfonds” blijkt dus een “accumulatiefonds” te zijn. Op de uitbreiding van de bedrijven komen we laten nog terug, maar nu stellen we alleen vast, dat de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd in dit productieapparaat-met-arbeidstijdrekening ook niet zijn uitdrukking vindt in de “prijzen” van de producten.

Daarmee worden onherroepelijk de kapitalistische loonverhoudingen weer binnen gehaald.

De marxistische economie onderscheidt bij de kapitalistische productie drie categorieën ten opzichte van het arbeidsloon:

1e: Het nominale arbeidsloon,
2.: Het reële of werkelijke arbeidsloon en
3e: Het betrekkelijke arbeidsloon.

Het nominale arbeidsloon is de geldprijs van de arbeidskracht. Dat is dus in het voedingsfysiologische communisme, hoeveel arbeidsuren iemand voor 40 uur werken uitbetaald krijgt.

Het werkelijke arbeidsloon is de hoeveelheid product, die we voor ons nominale loon kunnen krijgen. Ofschoon ons nominale loon, dus in geld uitgedrukt, gelijk kan blijven, wordt het werkelijke loon hoger, als de producten in prijs dalen. Prijsdalingen in een economische crisis werken bijvoorbeeld als een loonsverhoging voor de mensen met een “vast inkomen”. Ofschoon hun geldloon gelijk blijft, stijgt het werkelijke loon. Bij het inzetten van een nieuwe productiegolf lopen de prijzen meestal weer omhoog en daarmee daalt het werkelijke arbeidsloon van degenen, die een “vast inkomen” hebben.

In het toekomstbeeld van Leichter voeren de leiders van de productie een “prijzenpolitiek”, natuurlijk! in het belang van de consumenten. Maar met dat al stellen zij in werkelijkheid het werkelijke arbeidsloon vast, ondanks alle “collectieve overeenkomsten”, die alleen betrekking hebben op het nominale arbeidsloon. De producenten en de consumenten zullen door middel van de “democratie” wel een woordje over deze prijzenpolitiek mogen meespreken, maar de werkelijke verhoudingen, de werkelijke prijspolitiek, wordt toch door de heren van de “statistiek” bepaald.

Het betrekkelijk arbeidsloon is de verhouding van het werkelijke arbeidsloon tot de ondernemerswinst. Blijft het werkelijke arbeidsloon gelijk, maar stijgt de winst van de ondernemer, dan is daarmee het betrekkelijk arbeidsloon gedaald.

Leichter legt in zijn “beeld van de samenleving” de grootste nadruk op de rationalisatie van de bedrijven, dat is op grotere productiviteit, dat is op het scheppen van meer product in dezelfde of kortere arbeidstijd. De maatschappelijk gemiddelde tijd, die voor het vervaardigen van de producten vereist wordt, daalt daarmee voortdurend. Echter: de zakelijke verhouding van de producent tot het product is bij Leichter niet in de dingen vastgelegd. Leichter kent slechts op voedingsfysiologische-grondslag-gevoede-arbeidsmachines-met-verstand, die met de toename van het product, dat ze voortbrengen, niet extra voedsel toegevoerd behoeft te worden. Misschien, dat de arbeiders ook nog wat van de meer geschapen rijkdom krijgen, maar er is niet de geringste waarborg voor.

Zodat we maar willen zeggen, dat het invoeren van de arbeidstijdrekening in het bedrijfsleven geen zin heeft, als de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd niet meteen de grondslag van de consumptie is. Is de verhouding van de producenten tot het maatschappelijk product in de dingen zelf direct vastgelegd, dan is er geen plaats voor “prijzenpolitiek”, dan komt iedere verbetering van het productieapparaat alle consumenten automatisch direct ten goede, zonder dat iemand iets “toewijst”.

f. Het communisme in Sowjet-Hongarije

Ondertussen is Leichter niet de enige, die z’n heil in de prijzenpolitiek zoekt. Integendeel: het is het centrale punt, waar alle beschouwingen omtrent het communistisch bedrijfsleven draaien. Belangrijker dan alle beschouwingen is echter de praktische ervaring en daarom willen we nader onderzoeken, hoe de praktijk van de prijzenpolitiek en van het communistisch bedrijfsleven in Sowjet-Hongarije zich voltrok (57).

De vroegere volkscommissaris van Sowjet-Hongarije, Varga, heeft in Die wirtschaftlichen Probleme der proletarische Diktatur zijn ervaringen en theoretische inzichten betreffende de vroegere Raden-Republiek uiteengezet. Voor de studie van het communistisch bedrijfsleven is dit werkje van groot belang, omdat hier enerzijds de theorie van het staatscommunisme tot praktijk werd, terwijl anderzijds de praktijk tot theorie wordt omgesmeed. In Hongarije werd het communisme volgens de regels van de staatscommunistische kunst opgebouwd en wel onder zulke gunstige omstandigheden, dat “de omvorming van het proletarische bedrijfsleven zich sneller en energischer voltrok dan in Rusland.” (Varga, Die wirtschaftspolitische Probleme der proletarische Diktatur, blz. 78).

Het land is veel kleiner, en dichter bevolkt, waardoor “veel centraal georganiseerd kon worden, dat bij de geweldige oppervlakte van Rusland gedecentraliseerd worden moest.” (Varga, als boven, blz. 78).

De opbouw voltrok zich naar de Hilferdingse visie van het “algemene kartel” (zie Varga, als boven, blz. 122), waarbij de staat als algemene beheerder en leider van de productie en distributie het volle beschikkingsrecht over alle producten heeft. Wat nog in het “vrije” kapitalistische bedrijf aan goederen werd voortgebracht, werd door de staat opgekocht, zodat deze metterdaad meester was van het gehele product.

g. De distributie van de productiemiddelen

Hebben de leiders zo de beschikking over het gehele maatschappelijke product, dan moeten ze dit distribueren, waarbij zich allereerst de verzorging van de bedrijven met nieuwe productiemiddelen en grondstoffen doet gelden. Hiertoe waren door de Opperste Economische Raad verschillende Grondstoffen Centrales ingericht, die dan aan de bedrijven of takken van bedrijf zoveel grondstoffen enzovoort “toewezen”, als ze nuttig en nodig oordeelden. Deze centrales waren echter geenszins alleen distributieorganen: ze fungeerden tevens als politieke en economische machtsmiddelen tegenover de arbeidersklasse. Deze centrales moesten de concentratie van de bedrijven tot stand brengen, wat heel eenvoudig ging, door de bedrijven, die men stil wilde leggen, eenvoudig van de toevoer van grondstoffen af te snijden. Daarmee kwam het bedrijf vanzelf stop te staan en de betrokken arbeiders vlogen de straat op. Het ligt voor de hand, dat de arbeiders zich tegen een dusdanig concentratieproces, dat in z’n economische gevolgen voor hen even noodlottig, als het kapitalisme, zich verzetten.

Praktisch werd hun aan het verstand gebracht, dat de arbeiders niet het beschikkingsrecht over het productieapparaat hadden, maar dat dit recht berustte bij de ambtenaren van de Opperste Economische Raad, welke in onoplosbare tegenstelling tot de arbeiders kwam te staan! (Zie: Varga, als boven, blz. 71.).

Het is ons inziens wel waarschijnlijk, dat het concentratieproces zich “van bovenaf” sneller voltrekt, dan “van onderen op”, maar de prijs, die we er voor betalen, is veel te hoog: ze kost de beschikking van de producenten over het productieapparaat... en daarmee het communisme zelf!

h. De prijzenpolitiek in Hongarije

Komen we nu aan het gebied van de consumptie, dan dient opgemerkt, dat Varga in principe voor een gelijkmatige verdeling van het product opkomt. Deze verdeling zou dan zonder rekeneenheid “in natura” geschieden (zie blz. 14 van dit geschrift). Varga wijst er echter op, dat de arbeiders zich aanvankelijk zelf tegen een gelijkmatige verdeling van het maatschappelijk product verzetten en dat we rekening moeten houden met een “kapitalistisch-gecorrumpeerde, in een hebzuchtig-egoïstische ideologie opgevoede arbeidersgeneratie.” (Varga, als boven, blz. 42).

We kennen deze ideologie, die de geschoolde arbeiders minachtend doet neerzien op de ongeschoolden, terwijl het tevens tegen hun rechtsgevoel indruist, dat de dragen van de intellectuele beroepen, zoals dokters en ingenieurs, geen groter aandeel van het maatschappelijk product zouden krijgen. Wel zit de overtuiging vast, dat het verschil tegenwoordig wat ál te groot is, maar... een dokter is nu eenmaal geen vuilnisman. In hoeverre de arbeiders deze ideologie in de loop van de revolutie omvormen, dient afgewacht. Zoveel is zeker, dat deze omvorming zich na de revolutie snel moet voltrekken, omdat een ongelijkmatige verdeling van het product telkens opnieuw tot botsingen binnen (58) de arbeidersklasse zelf voert.

Voor de verdeling van de producten werden nu voor ieder product de rantsoenen vastgesteld, welke dan in de coöperaties betrokken konden worden.

Maar “daar voorlopig nog geldprijzen en geldlonen bestaan”, zullen we ons moeten bezighouden met “het vaststellen van de prijzen door de staat”.

Varga geeft eerst de “principiële oplossing”, welke echter geen toepassing kon vinden. Deze wordt dan als volgt geformuleerd:

“Hoe hoog moet de prijs van de door de staat geproduceerde goederen worden vastgesteld? Zouden de door de staat geproduceerde goederen tegen de eigen kostprijs verkocht worden, dan bleven geen inkomsten voor de bovengenoemde in-productieve groepen van de bevolking over (bedoeld worden soldaten, beambten, onderwijzers, werklozen, zieken, invaliden). Ook zou er dan geen mogelijkheid zijn voor een werkelijke accumulatie van productiemiddelen, die in de proletarische staat nog dringender nodig is, dan in de kapitalistische. Principieel moeten daarom alle staatsgoederen tegen de ‘maatschappelijke productiekosten’ verkocht worden. Wij verstaan daaronder de kostprijs plus een voldoende toeslag voor het dekken van de onderhoudskosten van de niet-arbeidenden, plus een toeslag, om de werkelijke accumulatie mogelijk te maken. Anders gezegd: de verkoopprijzen moeten zo vastgesteld worden, dat de staat niet alleen geen tekort heeft, maar nog over een overschot beschikt voor het oprichten van nieuwe productieve bedrijven. Dit is de principiële oplossing.” (Varga, als boven, blz. 147).

We zullen later deze “principiële oplossing” nader beschouwen. We wijzen er nu alleen op, dat het niet mogelijk was, deze “maatschappelijke productiekosten” te bepalen, zodat men z’n toevlucht tot een gewone prijzenpolitiek nam. Met andere woorden op verschillende producten werd een indirecte belasting gelegd.

Ongetwijfeld wil Varga, dat deze prijzenpolitiek een klassenpolitiek zal zijn, zodat de arbeidersklasse bevoorrecht wordt. Zo wil hij bijvoorbeeld de productie die voor de arbeiders van vitaal belang zijn, zoals brood en suiker bijvoorbeeld, heel weinig belasten en de artikelen, die een zekere “luxe” vertegenwoordigen, meer doen dragen. Hij verklaart echter, dat dit meer propagandistische dan economische betekenis heeft, omdat de ontzaglijke bedragen, die de staat verslindt, tenslotte toch van de massa, dat is van het proletariaat, moet komen.

Deze klassenpolitiek, hoe goed overigens ook bedoeld, legt de hele rotheid van de staatscommunistische distributie bloot. Ze demonstreert heel duidelijk, dat hier de producent door zijn arbeid níet meteen z’n aandeel in het maatschappelijk product bepaald, maar dat dit in de “hogere regionen” door persoonlijke beschikking wordt vastgesteld.

Daarmee wordt de oude strijd om de regeringsposten in nieuwe vorm voortgezet.

Ten duidelijkste blijkt, dat, wie over de politieke macht in de staat beschikt, tegelijk meester is van het gehele maatschappelijke product en door de “prijzenpolitiek” de verdeling van het “volksinkomen” beheerst. Het is de oude strijd om de machtsposities, die op de ruggen van de consumenten wordt uitgevochten. Nemen we daarbij nog in aanmerking, dat in Hongarije de lonen door de Opperste Economische Raad werden vastgesteld (Zie : Varga, als boven, blz. 75.), dan is het beeld van de massa-verslaving onder het staatscommunisme compleet.

De centrale leiding van de productie heeft het nu volkomen in de hand, een afgedwongen loonsverhoging onmiddellijk door haar prijzenpolitiek te niet te doen. Overduidelijk blijkt hier, dat de arbeidersklasse zich bij de opbouw van het staatscommunisme een productieapparaat schept, dat zich boven de massa’s verheft en uitgroeit tot een onderdrukkingsapparaat, waartegen de strijd nog veel moeilijker is dan tegen het kapitalisme.

Deze verhouding van beheerser en beheerste vindt haar versluiering in de democratische vormen van de distributieorganisaties. Zo werd op 20 maart 1919 in Rusland een decreet afgekondigd, waarbij de hele Russische bevolking verplicht werd, zich in verbruiks-coöperaties aaneen te sluiten. Als deze coöperaties, die binnen hun werkingssfeer een eigen bewegelijkheid hebben, werden zo tot één organisch geheel, tot één ontzaglijk distributie-orgaan aaneengesmeed, terwijl de consumenten door voortdurende vergaderingen en congressen de gang van de distributie bepaalden: ze waren “baas in eigen huis”. Hoewel de staat de stimulerende kracht voor de coöperatievorming en -aaneensluiting was, werd na de grondvesting van de organisatie de verdeling van het product aan de bevolking zelf overgelaten (Russische Korrepondenz, 20 januari 1920, zie Varga, als boven, blz. 126).

Volgens de Russische Korrespondenz zou deze organisatorische werkzaamheid van de staat reeds na vijf maanden zulk een distributieapparaat tot stand hebben gebracht.

Zoveel is zeker, dat de dictatuur van de Communistische Partij in Rusland in dit opzicht een ontzaglijk stuk werd heeft verricht en ongetwijfeld een schitterend voorbeeld heeft gegeven, hoe de consumenten in korte tijd hun apparaat voor de consumptie kunnen opbouwen. Echter: waarom het in het communisme gaat, de verhouding van de producent tot het product, wordt door hen niet beslist. Deze wordt “buitenshuis” vastgelegd door de centrale regeringsbureau’s. De consumenten mogen dan zelfstandig verdelen, maar naar de normen, zoals die door de “prijzenpolitiek” zijn bepaald.

i. “Rechtvaardige” verdeling?

Bij communistische productie verlangen we dus, dat de arbeidstijd de maatstaf voor de consumptie zal zijn. Iedere arbeider bepaalt door zijn arbeid tegelijk zijn aandeel in de maatschappelijke voorraden consumptiegoederen.

Of zoals Marx zegt: “De producent krijgt van de samenleving een aanwijzing, dat hij zo en zoveel arbeid geleverd heeft (na aftrek van zijn arbeid voor het maatschappelijk fonds) en onttrekt met deze aanwijzing zoveel aan de maatschappelijke voorraden consumptiemiddelen, als evenveel arbeid kost. Dezelfde hoeveelheid arbeid, die hij de samenleving in de een of andere vorm gegeven heeft, krijgt hij in andere vorm terug.” (Zie het eind van hoofdstuk III.).

Zeer ten onrechte wordt dit wel eens als een “rechtvaardige” verdeling van het maatschappelijk product opgevat. En dat is dan in zoverre juist, dat niemand met nietsdoen aan de kost kan komen, zoals de couponnetjes-knippers. Maar daarmee is de rechtvaardigheid dan ook uitgeput. Op het eerste gezicht lijkt het zeer rechtvaardig, dat alle loonverschillen worden opgeheven en alle functies in het maatschappelijk leven, zowel van hand- als van handarbeid, dezelfde rechten geven op de maatschappelijke voorraden. Maar bij nadere beschouwing werkt dit gelijke recht zeer onrechtvaardig.

Neem twee arbeiders, die beiden hun beste krachten aan de maatschappij geven. Maar de een is ongetrouwd, terwijl de ander een gezin met vijf kinderen heeft. Weer een ander is gehuwd, terwijl man en vrouw beiden werken, zodat ze een “dubbel” inkomen hebben. Met andere woorden: het gelijke recht op de maatschappelijke voorraden wordt in de praktische consumptie tot groot onrecht.

De verdeling van de goederen naar de maatstaf van de arbeidstijd kan dus nooit uit de rechtvaardigheid afgeleid worden. Aan de maatstaf van de arbeidstijd kleven dezelfde onvolkomenheden als aan iedere maatstaf. Dat wil zeggen: een rechtvaardige maatstaf bestaat niet en kan nooit bestaan. Welke maatstaf men ook kiest, ze zal altijd onrechtvaardig moeten zijn. En wel, omdat het gebruik van een maatstaf betekent het negeren van de individuele verschillen in de behoeften. De een heeft weinig behoeften, de ander veel. De een kan daardoor al zijn behoeften met zijn aanwijzingen op de voorraden rijkelijk bevredigen, de ander moet zich daarbij nog allerlei ontzeggen. Ze geven hun hele wezen aan de samenleving, en toch de de een zijn behoeften wel bevredigen en de ander niet.

Dit is de onvolkomenheid, die iedere maatstaf eigen is. Het aanleggen van een maatstaf bij de consumptie wordt daardoor juist de uitdrukking van de ongelijkmatigheid in de consumptie.

De eis van gelijk recht op de maatschappelijke voorraden heeft dus niets te maken met rechtvaardigheid. Het is dan ook een politieke eis bij uitnemendheid, die we als loonarbeider stellen. Voor ons is de opheffing van de loonarbeid het centrale punt van de proletarische omwenteling. Zolang níet de arbeid de maatstaf voor de consumptie is, zolang is er een “loon”, het moge hoog of laag zijn. In ieder geval is er geen direct verband tussen de voortgebracht goederenrijkdom en dit loon. Daarom moet de leiding van de productie, de verdeling van de goederen en daarmee tevens de voortgebrachte meerwaarde op “hogere instanties” overgaan. Is de arbeidstijd de maatstaf voor de individuele consumptie, dan wil dat niet anders zeggen, dan dat de loonarbeid is afgeschaft, dat er geen meerwaardevorming plaatsvindt en dat er dus geen “hogere instanties” nodig zijn, om “het volksinkomen” te verdelen.

De eis van gelijk recht op de maatschappelijke voorraden steunt dus geenszins op de “rechtvaardigheid” of op enigerlei morele waardering. Het steunt op de overtuiging, dat alleen op deze wijze de loonarbeiders de zeggenschap over het bedrijfsleven kunnen houden. Op de “onrechtvaardigheid” van het gelijke recht begint de communistische maatschappij zich te ontwikkelen.


X. – De algemeen maatschappelijke arbeid

a. Tweeërlei vorm van distributie

In de voorafgaande hoofdstukken hebben we ons reeds met de algemene grondslag van de distributie beziggehouden. Zolang de goederen zich nog in de kringloop van de productie bevinden, worden ze doorgegeven, “gedistribueerd” op de grondslag van de maatschappelijk gemiddelde productietijd. Treden ze uit deze kringloop, om in de individuele consumptie over te gaan, dan geschiedt de distributie naar dezelfde grondslag, terwijl de arbeidstijd de maatstaf voor de individuele consumptie is. Eén economische wet regelt dus h et hele bedrijfsleven, zowel de productie als de consumptie. Dezelfde economische wet regelt zowel ieder onderdeel van het bedrijfsleven, als het geheel. Of, zoals we het ook kunnen zeggen: De ene algemene wet, die het hele bedrijfsleven beheerst, manifesteert zich in iedere afzonderlijke verschijningsvorm van het maatschappelijk stofwisselingsproces.

We moeten nu echter een groep van bedrijven binnen de gezichtskring trekken, die deze algemene wet schijnen te doorbreken. In de eerste plaats bedoelen we dan die bedrijven, die buiten het eigenlijke gebied van de productie vallen, maar die toch voor het maatschappelijk leven onontbeerlijk zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld allerlei economische en politieke raden, de bedrijfsorganisaties voor algemeen maatschappelijke boekhouding, ziekenzorg, onderwijs, het aanleggen en onderhouden van parken, allerlei culturele en sociale instellingen, enzovoort. Het eigenaardige van deze bedrijven is, dat ze geen eigenlijk product vervaardigen, maar ze verrichten een “dienst” voor de samenleving. Al deze bedrijfsorganisaties verbruiken wel productiemiddelen, grondstoffen en levensmiddelen voor de betrokken arbeiders, maar het is voor sommige onmogelijk, voor andere onwenselijk deze “dienst” tegen inlevering van verbruiksgeld in de consumptie te doen overgaan. De aard van deze bedrijven brengt mee, dat ze hun “product”, hun “dienst”, zonder economische maatstaf in de consumptie overgeven. Ze werken dus “gratis” voor de consumenten, terwijl hier tevens het nemen naar behoefte verwezenlijkt is. We hebben hier dus een groep van bedrijven, voor welker “product” de arbeidstijd niet als maatstaf van de consumptie geldt.

Ten opzichte van de distributie van de “consumptiegoederen” onderscheiden we dus twee typen van bedrijf. Het eerste type, dat z’n product tegen inlevering van verbruiksgeld in de consumptie overdraagt, noemen we productieve bedrijven. De andere, die “gratis” werken, die volgens het principe van “nemen van behoefte” werken, noemen we openbare bedrijven, of bedrijven voor algemeen maatschappelijke arbeid (afgekort tot AMA-bedrijven).

b. De AMA-begroting

Het ligt voor de hand, dat dit verschil in distributie z’n verwikkelingen in het maatschappelijk bedrijfsleven meebrengt. “Diensten” als ziekenzorg, onderwijs, enzovoort, verbruiken wel allerlei maatschappelijke goederen, maar ze voegen geen nieuw product aan de maatschappelijke voorraden toe. De zaak komt dus hierop neer, dat de arbeiders van de productieve bedrijven niet “de opbrengst van hun arbeid” alleen kunnen consumeren, maar dat ze ook de arbeiders uit de openbare bedrijven moeten onderhouden, ja, dat ze zelfs ook productiemiddelen en grondstoffen voor deze “diensten” moeten vervaardigen.

Ziedaar de eigenaardige moeilijkheid.

Als de arbeiders bijvoorbeeld veertig uur per week in hun bedrijf hebben gewerkt, kunnen ze geen veertig uur aan arbeidsgeld krijgen, omdat dan niets voor de openbare diensten beschikbaar zou zijn! Ze moeten dus een deel van de opbrengst van hun arbeid aan deze diensten afstaan. Het is echter maar de vraag, welke deel? Hoeveel arbeid moeten ze voor de openbare bedrijven beschikbaar stellen?

Nu is deze laatste vraag gelukkig al heel gauw te beantwoorden. De boekhouding van de openbare diensten voltrekt zich op dezelfde wijze als van de productieve bedrijven. Ze berekenen evengoed hun verbruik aan productiemiddelen, grondstoffen en levende arbeid, zodat de samenleving precies weet, hoeveel arbeid door onderwijs, ziekenzorg enzovoort wordt verbruikt. In de grond van de zaak gebeurt dus precies hetzelfde, als nu onder het kapitalisme geschiedt: de verschillende takken van AMA-bedrijf maken ieder een begroting, hoeveel arbeider ze in de verschillende vormen van p, g en a in het lopende jaar denken te verbruiken. Het is de hoeveelheid arbeid, die de samenleving voor het lopende jaar voor de openbare bedrijven beschikbaar wenst te stellen.

Om deze begroting een overzichtelijke vorm te geven, bedienen we ons van dezelfde productieformule als voor de productieve bedrijven. Alleen plaatsen we de index o aan de voet van de letters, om aan te duiden, dat we met Openbare bedrijven te maken hebben.

De productieformule voor ieder willekeurig openbaar bedrijf wordt dus:

(po+go)+ao

Tellen we nu de “onkosten” van alle openbare bedrijven samen, dan hebben we een overzicht over het totaal-verbruik van alle openbare bedrijven, wat we eenvoudig willen voorstellen door de formule:

(Po+Go)+Ao

Vervangen we de letters duidelijkheidshalve door fictieve getallen, dan zou de algemene begroting voor de openbare diensten kunnen zijn:
(PoGo+Ao=AMA-begroting
8 miljoen50 miljoen+50 miljoen=108 miljoen

Het is nu maar de vraag, op welke wijze deze “sociale onkosten” gedragen worden.

c. De gebruikelijke oplossing

De gebruikelijke oplossing in het kapitalisme is deze, dat de staat zich de nodige middelen verschaft door het heffen van allerlei directe en indirecte belastingen, dat wil zeggen hij ontneemt de consument het recht op een deel van z’n consumptiegoederen. Rusland lost het vraagstuk op, door het grootste deel van de winsten van de staatsbedrijven in de staatskas te doen vloeien en door het heffen van indirecte belastingen. Zo verschafte Rusland zich ook de nodige middelen, door opnieuw de Wodka (jenever) in te voeren, omdat dit ettelijke miljoenen in de schatkist bracht. Sowjet-Hongarije bediende zich van dezelfde methoden: het verkreeg de nodige middelen door zijn “prijzenpolitiek”, met andere woorden uit de monopoliewinsten van de bedrijven en de meerwaarde van de arbeidskracht.

Dit is de praktische oplossing.

De theorie kent echter nog twee oplossingen. Ten eerste de oplossing, die voor het “algemeen kartel” van Hilferding geldt. In deze fantastische fantasie levert het vraagstuk in het geheel geen moeilijkheden. De centrale leiding van de productie bepaalt, waar productiemiddelen en grondstoffen heen moeten, terwijl ze tevens aan de consumenten “toewijst”, hoeveel er voor ieder ter individuele consumptie staat. Het is waar: deze theorie is nogal arm, maar dat kunnen wij niet helpen. De tweede oplossing is die van het berekenen van “de maatschappelijke productiekosten”, dus de zogenaamde “principiële oplossing” van Varga. Hij wil de “sociale onkosten” in de prijs van de producten opnemen. Toch is dit geen “prijzenpolitiek” te noemen, omdat hij ieder maatschappelijk product met een vast percentage verhoogd wil zien. Van een “politiek” omtrent de prijzen kan dan geen sprake zijn. Jammer genoeg, gaat Varga niet verder op z’n “principiële oplossing” in, zodat we met deze magere aanwijzing tevreden moeten zijn. Toch is deze theorie wel verder te volgen, maar bij Leichter. We hebben dan meteen het voordeel, dat we hiermee bij een auteur komen, die het probleem exact weet te vatten. Later zullen we nog zien, dat Leichter z’n exacte oplossing loslaat en zich ook aan de “prijzenpolitiek” te buiten gaat. Tenslotte moet hier nog gewezen worden op de oplossing van Marx (in de “Randglossen”), die zich niet een een “prijzenpolitiek” bemoeit, die de sociale onkosten niet in de prijzen van de producten opneemt, maar die de arbeiders minder aanwijzing geeft op het maatschappelijk product.

Vatten we theoretische zowel als de praktische oplossingen samen, dan blijkt, dat men het algemeen over één ding eens is: namelijk dat de onkosten op de prijs van de producten gelegd moet worden (uitgezonderd Marx).

Vanuit theoretisch gezichtspunt is deze methode echter zeer bedenkelijk, omdat we daarmee nooit een goed overzicht hebben “hoeveel arbeid de vervaardiging van ieder gebruiksvoorwerp kost” (zie VII. b. De productietijd). Het belemmert daarom een juist inzicht in de rationaliteit van de verschillende bedrijfsmethoden. Daarbij komt nog, dat het percentage, dat op de prijzen wordt gelegd, ieder jaar opnieuw vastgesteld moet worden, wat een “lastige schommeling in de prijzen” teweegbrengt. Er komt echter nog bij, dat de theoretici die alle producten in prijs willen verhogen, dit niet doorvoeren, maar tot de doodgewone “prijzenpolitiek” hun toevlucht nemen. Daarom kan bij de huidige stand van het onderzoek naar het communistisch bedrijfsleven geen sprake zijn van een exacte verhouding van producent tot product. Wat aan de consumenten ten goede komt, blijft altijd een greep in het duister: we moeten afwachten, wat ons wordt “toegewezen”.

We kunnen er echter niet genoeg de aandacht op vestigen, dat in dit probleem een van de belangrijkste vraagstukken van het communisme ligt. En daarom moeten de arbeiders bij alle toekomstfantasieën die hun van verschillende zijden worden voorgehouden steeds opnieuw weer de vraag stellen: hoe wordt het probleem van de sociale onkosten tot oplossing gebracht?

Want hier ligt een van de belangrijkste wortels van het staatscommunisme. Hier ligt een van de belangrijkste wortels van de overheersing van de arbeidersklasse.

De bevoorrechte klassen zullen als laatste positie, om hun bevoorrechting te handhaven, zich op het bolwerk van de prijzenpolitiek terugtrekken.

d. De oplossing bij Leichter

De eerste, die de oplossing van dit probleem naderbij gebracht heeft, is Otto Leichter, wat hem mogelijk was, doordat hij het bedrijfsleven op de bodem van de arbeidstijdrekening plaatste. De eerste “bron van inkomsten” voor de sociale onkosten vinden we in de “winsten” van de bedrijven. Eigenlijk is dat bij Leichter een eigenaardig geval. Ofschoon bij het “het meest voor de hand liggende vindt”, de productenstroom langs de baan van de “eraan bestede maatschappelijke arbeidstijd” (Leichter, blz. 38) te leiden, voert hij dit niet door. Wel verenigt hij de gelijksoortige bedrijven tot een “gilde”, maar hij benut dit niet, om de tegenstelling tussen de verschillende bedrijfsgemiddelden en het maatschappelijk gemiddelde op te lossen (zie hiertoe het hoofdstuk VIII. a. Kautskyaanse moeilijkheden). De productietijd van het slechtste, dus het “duurste” bedrijf geldt als “prijs” van het product, zodat de beter ingerichte bedrijven, juist als onder het kapitalisme, een “extra-winst” kunnen maken. Van deze “winstgevende” bedrijven zegt hij dan: “Deze zullen dan een differentiaal-rente, of – kapitalistische gesproken – een extra-winst maken, die natuurlijk niet deze fabriek alleen mag toevloeien, maar – alweer kapitalistisch gesproken – door belastingen vereffend moet worden.” (Leichter, als boven, blz. 31).

Natuurlijk zijn deze “inkomsten” niet voldoende en voor Leichter ook niet principieel. Als hij h et vraagstuk verder onderzoekt, tracht hij het exact te vatten, wat een wezenlijke vooruitgang is bij alles, wat we op dit gebied hebben. Hij wil ten eerste alle algemene onkosten samentellen, zoals wij dat in onze fictieve AMA-begroting hebben gedaan en dat tevens vaststellen, hoeveel arbeidsuren per jaar door alle arbeiders tezamen wordt gewerkt (dat hiervoor een algemeen maatschappelijke boekhouding noodzakelijk is, spreekt wel vanzelf). Brengt men deze twee getallen in verhouding, dan meent Leichter daarmee een getal gevonden te hebben, dat aangeeft, hoeveel arbeidstijd ieder arbeider per uur aan de samenleving moet afstaan, om alle sociale onkosten gedekt te krijgen. Deze “aftrek” laat hij dan tot stand komen, door de productietijd van de producenten overeenkomstig het er aan bestede aantal uren te verhogen. Alvorens dit nader te verduidelijken, geven we eerst woordelijk, wat hij daaromtrent opmerkt: “Ieder bedrijf zal dus met een jaarlijks bij het opstellen van de balans of – socialistisch gesproken – van het productieplan, vast te stellen norm voor algemene onkosten van het bedrijfsleven moeten berekenen […]. De totaal-som van de algemene onkosten, die daardoor op de totaal-productie rusten, zullen tot een of andere grootheid in betrekking gezet worden, waarschijnlijk het beste tot het totaal van de bij de productie en distributie gewerkte arbeidsuren en het zo ontstane verhoudingsgetal zal bij de berekening van de onkosten van het product op de uitgegeven loonsom toegeslagen worden, zodat in de kostprijs van de waren ook de kosten van de samenleving worden opgenomen.” (Leichter, als boven, blz. 65-66).

Omdat getallen altijd beter spreken dan woorden, willen we de bedoeling van Leichter in fictieve getallen weergeven.

Lichter stelt de kwestie zo: Laat de AMA-begroting in totaal zijn 108 miljoen arbeidsuren. Laat het aantal gewerkte uren van alle arbeiders tezamen 650 miljoen zijn. Per uur en per hoofd geeft dat aan sociale onkosten 108 : 650 = 0,166 uur.

Nu moeten de sociale onkosten nog in de prijs van de waren opgenomen worden. Daartoe nemen we weer eens ons voorbeeld van de schoenenfabriek (zie VII. d. De communistische reproductie). De prijs wordt nu bij Leichter als volgt:

(p+g)+AMA=prijs
1.250+61.2500+62.500×0,166=135.375

Dat is gemiddeld 3,384 uur per paar.

De “productiekosten” zijn nu dus hoger, dan in onze berekening, wat trouwens vanzelf spreekt. De “meeropbrengst” moet nu door alle bedrijven aan de algemene kas afgedragen worden, waarmee inderdaad alle kosten gedekt zijn.

We hebben deze nadere toelichting van het Leichterse principe niet weergegeven omdat we het er mee eens zijn. Integendeel. De formulering is fout. Dat zou zich daar in openbaren, dat bij deze wijze van berekening zelfs meer dan de sociale onkosten worden opgebracht. We willen deze “onreinheid” er echter niet uithalen, omdat we het heel principe van de hand wijzen. De fout is echter ontstaan, doordat Leichter in werkelijkheid geen klare voorstelling heeft, van wat er eigenlijk gebeurt. Dat blijkt hieruit, dat hij zegt, dat de sociale onkosten waarschijnlijk het beste tot de arbeid in verhouding gebracht kunnen worden. De werkelijkheid is echter, dat er geen andere mogelijkheid is!

e. De praktische oplossing bij Leichter

Ondertussen zijn bovenstaande beschouwingen van Leichter voor hem niet meer dan een theoretische aardigheid. Hij meent het evenwel niet zo ernstig. En voor wie het niet begrijpt, is het helemaal niet erg, want Leichter past het in de praktijk toch niet toe. In de praktijk stoort hij zich in het geheel niet aan z’n verhoudingsgetal. Ja, hij kijkt er zelfs niet naar! Het is zelfs een raadsel, waarom hij het eigenlijk berekend wil zien. Dit verhoudingsgetal heeft alleen dan zin, als alle producten volgens deze zelfde maatstaf in prijs verhoogd worden. En hoe past Leichter het toe? Wel, als volgt:

“Weliswaar zou het onrechtvaardig zijn, en zou het bijna als indirecte belasting werken, als men op alle goederen, op de primitiefste zowel als op de meest gecompliceerde, op de beslist noodzakelijke zowel als op de meest overbodige, dezelfde norm voor algemene onkosten werd gezet. Het zal tot de belangrijkste taak van het economisch parlement of de opperste leiding van het bedrijfsleven behoren, voor iedere tak van industrie of voor ieder product de norm voor algemene onkosten vast te stellen, altijd toch zo, dat de totaal-onkosten van de samenleving gedekt worden. Zo zal het ook mogelijk zijn, de prijspolitiek vanuit centrale gezichtspunten te beïnvloeden […].”
(Leichter, als boven, blz. 66).

Tot onze spijt moeten we hier verklaren, dat bij Leichter de spraak klaarblijkelijk dient, om de gedachte te verbergen. Om het verwijt van “indirecte belastingen” te ontgaan, wil hij niet alle leden van de samenleving de kosten van onderwijs, ziekenzorg enzovoort gelijkelijk doen dragen, maar klaarblijkelijk op hen met een “groter inkomen” zwaarder doen rusten, dan op hen, die door de voedingsfysiologen gelukkig gemaakt zijn. We moeten hier ronduit zeggen, dat het voor ons nu juist wel het karakter van indirecte belastingen draagt. De zaak waarom het hier gaat, betreft toch de kosten van de algemeen maatschappelijke inrichtingen. Waarom moeten de rijken hier meer bijdragen, dan de fysiologisch-wetenschappelijk-gevoeden?

Is dat misschien het kwade geweten van Leichter voor z’n antagonistische verdeling van het maatschappelijk product?

Overigens geloven we met Leichter, dat het inderdaad tot de belangrijkste taak van “het economisch parlement” zal behoren, om vast te stellen op welke producten en hoeveel indirecte belasting zal worden geheven. Natuurlijk! Dat is een strijd om de verdeling van het “volksinkomen” en hoe deze verdeling dan tenslotte tot stand zal komen, dat wordt beslist door de machtsverhoudingen in de Leichterse klassenmaatschappij.

Het zal daarvan afhangen, hoeveel macht de arbeidersklasse tegen de “opperste leiding” kan ontwikkelen.

f. De marxistische oplossing

Wanneer wij spreken van de “marxistische oplossing” van het probleem, dan bedoelen we daarmee geenszins, dat Marx deze gegeven heeft. Of hij zich wel of niet over het vraagstuk heeft uitgelaten, heeft daarmee niets te maken. Om dit duidelijk te maken, zij hier meegedeeld, dat we het belangrijkste geschrift van Marx op dit punt, de “Randglossen”, bij ons onderzoek naar de problemen van het communistisch bedrijfsleven niet kenden. Voor de oplossing van het probleem van de “sociale onkosten” moesten we ons daarom laten dragen door de marxistische denkwijze die ons direct tegenover alle communistische economen plaatste. Eerst later, na afsluiting van onze studie, kregen we de “Randglossen” in handen, waarbij bleek, dat onze zienswijze volkomen met die van Marx overeenkomt.

Bij het onderzoek naar de beweging van het communistisch bedrijfsleven moeten we ons laten dragen door het bewustzijn, dat iedere vorm van samenleving z’n eigen economische “bewegingswetten” heeft. Als centrale categorie, die zowel het bedrijfsleven als geheel, zowel als ieder deel afzonderlijk regelt en ordent, vonden we de maatschappelijk gemiddelde productietijd.

Deze bewegingswet bepaalt echter tegelijk de oplossing van het probleem van de “sociale kosten”. Zeer zeker is het “denkbaar”, dat de kosten langs de omweg van “prijsverhogingen” gevonden worden. Maar daarmee is dan de wet van de gemiddelde productietijd doorbroken, wat in de “internationale” goederenbeweging tot allerlei verwikkelingen voert en bovendien (zoals we nog zullen zien) de groei van het communisme belemmert. De regelende functie van de gemiddelde productietijd moet vol gehandhaafd worden, zodat de “sociale onkosten” alleen verkregen kunnen worden uit een directe aftrek van het verbruiksgeld. Dat is de principiële oplossing. Of deze aftrek direct in het bedrijf geschiedt, of op andere wijze wordt verrekend, doet niet ter zake.

g. De uitbetalingsfactor

Stellen we ons voor, dat alle bijvoorbeeld in een jaar vervaardigde goederen in één groot magazijn tezamen gebracht zijn. Uit deze maatschappelijke voorraad nemen allereerst de zogenaamde “productieve” bedrijven hun verbruikte productiemiddelen en grondstoffen, om een nieuwe productieperiode te kunnen beginnen. Daarna nemen de “openbare” bedrijven zoveel productiemiddelen en grondstoffen, als hun begroting aangeeft. De rest wordt door alle arbeiders tezamen geconsumeerd.

Dit is het wezenlijke van wat er eigenlijk gebeurt. Maar de wijze waarop de verdeling zich voltrekt, is natuurlijk niet zo. In de werkelijkheid geschiedt deze niet na een jaar, maar op iedere minuut van de dag. Ook dient niet uit het oog verloren te worden, dat het kenmerk van “productieve” bedrijven dit is, dat ze niet “gratis” werken en zich daardoor zelf reproduceren. Ze hoeven echter volstrekt geen eigenlijk “product” te leveren. Zo bijvoorbeeld transportbedrijven, voorzover ze niet onder de “openbare” bedrijven vallen. Al deze bijkomstigheden versluieren de wezenlijke gang van de dingen.

We laten deze versluieringen voorlopig voor wat ze zijn en willen de wezenlijke gang, zoals deze boven is geformuleerd, aan de hand van getallen nog eens geven. Daartoe nemen we aan, dat de begroting voor de “productieve” bedrijven er als volgt uitziet:

(Pt+Gt+At=PRODUCTENMASSA
100 miljoen+600 miljoen+600 miljoen=1.300 arbeidersuren

Uit deze productenmassa van 1.300 miljoen arbeidsuren vernieuwen deze bedrijven dus eerst hun productiemiddelen en grondstoffen, zodat er nog 600 miljoen product overblijft.

Van deze rest moet het benodigde voor de openbare bedrijven afgenomen worden. Waaruit blijkt, dat de “sociale onkosten” alleen door de levende arbeidskracht gedragen kunnen worden.

Vervolgen we de verdeling van het maatschappelijk totaal-product verder, dan moeten we de reeds vroeger aangeven begroting voor de sociale bedrijven nog een opzetten.

Deze was:

Po+Go+Ao=“diensten”
8 miljoen+50 miljoen+50 miljoen=108 arbeidsuren

Uit deze productenmassa van 1.300 miljoen arbeidsuren vernieuwen deze bedrijven dus eerst hun productiemiddelen en grondstoffen, zodat er nog 600 miljoen product overblijft.

Volgens deze begroting hebben de openbare bedrijven dus voor 58 miljoen arbeidsuren product nodig, om hun productiemiddelen en grondstoffen te vernieuwen. Deze worden dus van de rest van 600 miljoen afgetrokken, zodat nog 542 miljoen arbeidsuren product overblijft. Deze 542 miljoen staan voor alle arbeiders tezamen ter individuele consumptie.

De vraag is nu maar: hoeveel is dat voor iedere arbeider? Om dit te beantwoorden, zullen we vaststellen welk gedeelte ze ieder van het product krijgen. Daarmee is dan het vraagstuk opgelost.

Alle arbeiders tezamen verrichten 650 miljoen arbeidsuren (in de “productieve” bedrijven 600 miljoen en in de “openbare” 50 miljoen). Er staan echter nog slechts 542 miljoen arbeidsuren tet consumptie. Ieder krijgt dus slechts het 542 : 600 = 0,83 deel.

Het getal, dat op deze wijze verkregen wordt en dat dus aangeeft, voor welk gedeelte van hun arbeid de arbeiders gebruiksgeld ontvangen, willen we kortheidshalve de uitbetalingsfactor noemen, hoewel het juister zou zijn, te spreken van de “factor van de individuele consumptie”. Deze blijkt in ons voorbeeld 0,83 te zijn, zodat de arbeider, die 40 uur heeft gewerkt, slechts voor 0,83 × 40 = 33,2 uur ter consumptie ontvangt.

Nu zullen we hetzelfde vraagstuk voor de derde keer bekijken. Eerst geven we de “principiële oplossing”: daarna deze oplossing in getallen, en nu zullen we haar in een algemene vorm gieten. Het is dus telkens precies hetzelfde, maar anders uitgedrukt. Hoe luidt nu de algemene vorm voor de uitbetalingsfactor?

Het probleem is de verdeling van A. Daarvan wordt afgetrokken (Po  + Go), zodat overblijft A – (Po + Go).

Het restant wordt verdeelt over A + Ao arbeidsuren, zodat voor ieder beschikbaar is:

A – (Po + Go)
A + Ao

Vervangen we nu duidelijkheidshalve de letter van de formule door de concrete getallen uit ons voorbeeld, en noemen we de uitbetalingsfactor U, dan wordt deze:

U =600 – 58=542= 0.83
600 + 50650

Deze berekening, die zeer eenvoudig is, is mogelijk doordat alle bedrijven nauwkeurig boekhouden over hun verbruik aan productiemiddelen, grondstoffen en levende arbeid. De algemeen maatschappelijke boekhouding, die door eenvoudig “gireren” de stroom van de producten registreert, beschikt op eenvoudige wijze over alle gegevens, die voor het vaststellen van de uitbetalingsfactor nodig zijn; ze worden door eenvoudige optelling in het girokantoor verkregen.

Bij deze gang van zaken wordt door niemand iets “toegewezen”. Het is geen verdeling door personen, maar door de zakelijke productie zelf. De verhouding van de producent tot het maatschappelijk product ligt in de dingen zelf. Dat is dan ook de verklaring van het geheim, waarom een staatsapparaat in de productie niets te zoeken heeft. Het hele bedrijfsleven staat op een zeer reële grondslag, waarbij de producenten zelf het hele proces kunnen leiden en beheren, terwijl iedere voedingsbodem voor uitbuiting en onderdrukking ontbreekt. Alleen op deze grondslag worden dan ook de voorwaarden geschapen, waarop de staat kan “afsterven” en zijn plaats in het museum van oudheden kan krijgen, naast het spinnewiel en de bronzen bijl (Engels) (59).

h. Het groeiproces van het communisme

Het is van belang, bij onze beschouwingen over de uitbetalingsfactor hier tevens het groeiproces in de gezichtskring te brengen, omdat dit hiermee ten nauwste samenhangt.

Als een van de karakteristieke kenmerken van de openbare bedrijven noemden we, dat hier het “nemen naar behoefte” is verwezenlijkt, zodat hier de maatstaf van het arbeidsuur geen rol meer speelt in de individuele consumptie. Met de groei van het communisme zal dit type van bedrijf waarschijnlijk steeds meer worden uitgebreid, zodat verschillende takken van levensmiddelenvoorziening, het personentransport (dit is ook individuele consumptie), woningdienst, kortom: de voorziening van de algemene behoeften op deze grondslag komt te staan. Natuurlijk zal steeds vooraf overwogen moeten worden, of een dergelijke distributie voor een bepaalde tak van bedrijf niet te grote offers voor de samenleving met zich meebrengt. In ieder geval is deze ontwikkeling een proces dat zich echter voorzover het het technische gedeelte betreft, snel laat voltrekken. Hoe meer de samenleving groeit, hoe meer consumptiegoederen naar dit principe worden gedistribueerd, hoe minder de individuele arbeid de maatstaf zal zijn voor het individueel te consumeren deel van het maatschappelijk product. Hoewel de arbeidstijd dus de rol vervult van maatstaf te zijn voor de individuele distributie, wordt deze maatstaf in de loop van de ontwikkeling vernietigd!

“In dit verband herinneren we aan hetgeen Marx van de distributie zei (zie III. b. Het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur bij Marx en Engels): “De manier van deze verdeling zal verschillen met de bijzondere aard van het maatschappelijk productieorganisme en de daarmee overeenkomende ontwikkelingshoogte van de producenten. Slechts ter vergelijking met de warenproductie onderstellen wij, dat het aandeel van iedere producent in de levensmiddelen bepaald wordt door zijn arbeidstijd.”
(Marx, Das Kapital, Bd. I, blz. 91, Kiepenhauer Verlag, Berlin).

Wat wij met onze beschouwingen aantonen, is echter, dat de weg naar de vermaatschappelijking van de distributie van consumptiegoederen klaar en duidelijk is afgebakend. De arbeidstijd is steeds slechts de maatstaf voor het nog individueel te consumeren deel van het maatschappelijk product.

Deze vermaatschappelijking van de distributie voltrekt zich niet automatisch, maar ze is gebonden aan het initiatief van de arbeiders. Voor dit initiatief is echter ook plaats. Is de productie zo ver gevorderd, dat een bepaalde tak van productie, die een consumptiegoed aflevert, “glad” verloopt, dan staat niets in de weg, deze tak bij de openbare bedrijven te voegen. Alle berekeningen in de bedrijven blijven daarbij toch dezelfde.

Hier behoeven de arbeiders niet te wachten, of het de heren staatsambtenaren gelegen komt, of zij deze tak van bedrijf wel voldoende in de hand hebben, maar doordat ieder bedrijf of complex van bedrijven in hun berekeningen een gesloten geheel is, kunnen de producenten het zelf voltrekken. Juist door het eigen beheer is de productie zeer bewegelijk.

In dit verband dient er op gewezen, dat de groei van het communisme in verschillende gebieden verschillend snel zal gaan. In het ene gebied zal de behoefte aan “culturele” instellingen zich krachtiger doen gevoelen dan in een ander. Besluiten de arbeider in een district bijvoorbeeld meerdere leeszalen te openen, dan kunnen ze dit zonder bezwaar doen. Er komen dan instituten bij, die een meer plaatselijk belang hebben, zodat de kosten daarvoor ook door het betreffende district gedragen worden. Dat wil zeggen: voor dat district ondergaat de uitbetaling een correctie, wat dus als een “plaatselijke belasting” werkt. Zo kunnen de arbeiders dus het leven in z’n duizenderlei schakeringen zelf “maken”.

Juist dit groeiproces van het communisme maakt het ook noodzakelijk, dat de “sociale onkosten” door middel van een uitbetalingsfactor gevonden moeten worden en niet langs de omweg van “prijsverhogingen”, omdat dit direct de zelfactiviteit en de eigen-vorming-van-het leven aan banden zou leggen.

Het groeiproces van “nemen naar behoefte” is dus een bewuste handeling van de samenleving, terwijl de snelheid van deze groei in hoofdzaak bepaald wordt door de “ontwikkelingshoogte” van de verbruikers. Hoe sneller ze leren, spaarzaam met het maatschappelijk product om te gaan, dat wil zeggen, hoe sneller ze leren, het niet nodeloos te verbruiken, des te sneller kan de distributie vermaatschappelijkt worden.

Voor de berekeningen in de totaal-productie maakt het weinig verschil, of er veel of weinig openbare bedrijven zijn. Zodra een bedrijf, dat eerst z’n product tegen verbruiksgeld in de consumptie gaf, tot het openbare type overgaat, wordt de totaal-begroting van de openbare bedrijven groter en die van de “productieve” bedrijven kleiner. De uitbetalingsfactor wordt dus steeds kleiner, naar mate het communisme groeit. Geheel verdwijnen kan hij waarschijnlijk nooit, omdat uiteraard alleen de bedrijven tot het openbare type over kunnen gaan, die de algemene behoeften verzorgen. De vele behoeften, die aan de individuele eigenaard van de mensen ontspringen, zullen wel nauwelijks in de algemeen maatschappelijke distributie kunnen worden opgenomen. Hoe dit ook zij, dit is niet principieel. Hoofdzaak is, dat het algemene groeiproces van het communisme is afgebakend, terwijl de bijzondere schakeringen door de praktijk van het leven zullen worden gevormd.

i. Gemengde bedrijven

Ter voorkoming van misverstand dient nu echter nog even gewezen te worden op een complicatie, die de vermaatschappelijking van de distributie voor het vaststellen van de uitbetalingsfactor met zich meebrengt. Het gaat om het feit, dat deze vermaatschappelijking ook bedrijven tot het openbare type brengt, die niet uitsluitend voor de individuele consumptie werken. Zo bijvoorbeeld een elektriciteitswerk. Voorzover het licht en krachtstroom in de woonhuizen levert, werkt het voor de individuele consumptie. Voorzover de elektriciteit echter in de verschillende bedrijven overgaat, fungeert ze als grondstof. Met andere woorden: het elektriciteitswerk mag hier niet “gratis” leveren. Uit dien hoofde mag bijvoorbeeld ook nooit het goederen-transport onder het “nemen naar behoefte” vallen, want een product is niet eerder verbruiksgoed, dan wanneer het ter bestemder plaatse is.

Het is nu maar de vraag, welke complicaties dit voor de uitbetalingsfactor meebrengt, want het verbruik van de gemengde bedrijven komt niet geheel ten laste van de “sociale onkosten”, maar alleen voor dat deel, dat “gratis” werkt.

Zodra de AMA-begroting ook gemengde bedrijven heeft, omvat ze enerzijds een opgave,hoeveel productiemiddelen en grondstoffen aan de samenleving onttrokken worden en anderzijds hoeveel productiemiddelen en grondstoffen weer door hen in het productieproces worden doorgegeven. Door een eenvoudige aftrekking vinden we dan, hoeveel productiemiddelen en grondstoffen nog ten laste van de “sociale onkosten” komen.

Voor wie van formules houdt, willen we het bovenstaande in de uitbetalingsfactor tot uitdrukking brengen. En wie er niets voor voelt, die slaat het over, want er staat precies hetzelfde, maar alleen in een andere “taal”.

Noemen we het verbruik aan productiemiddelen en grondstoffen van de AMA-begroting (P + Go) en het in de productie doorgegeven bedrag (P'o + G'o) dan is de AMA-begroting alleen nog maar belast met een bedrag van:

(Po + Go) – (P'o + G'o)

Dienovereenkomstig wordt daarmee de uitbetalingsfactor:

U =A {(Po + Go) – (P'o + G'o)}
A + Ao

XI. – De boekhouding als ideële samenvatting van het productie- en distributieproces

a. De betekenis van de boekhouding in het algemeen

De boekhouding van een kapitalistisch bedrijf heeft in het algemeen deze zin, dat ze de ondernemer een inzicht moet verschaffen, of hij met winst of verlies gewerkt heeft, waartoe hij al zijn inkomsten en uitgaven of zijn bezittingen en schulden noteert. Behalve dit algemene overzicht, heeft hij door de afzonderlijke posten in de boeken ook een inzicht in alle bewegingen van zijn bezit. Als de kapitalist in zijn bureau z’n bedrijfsboeken controleert, vindt hij daar een samenvatting van het productie- en distributieproces van zijn bedrijf. Hij ziet, wat en hoeveel in het bedrijf werd opgenomen en wat en hoeveel er weer uit ging. Van belang is hierbij op te merken, dat de boekhouding een volkomen passieve functie is: de boekhouding is niet anders dan een soort foto, van wat in het bedrijf is gebeurd. Ze is een soort van verkleiningsspiegel, die de gebeurtenissen van de uitgestrekte fabrieksterreinen in beknopte vorm getrouw weergeeft.

De boekhouding is de ideële samenvatting van het bedrijf.

Ook het communistisch bedrijf heeft z’n ideële samenvatting in z’n boekhouding. Ook hier vinden we een nauwkeurige registratie van de goederenbeweging, zoals deze door het bedrijf gaat. Enerzijds krijgen we een overzicht van de hoeveelheid maatschappelijke arbeid, die in de vorm van grondstoffen en productiemiddelen het bedrijf binnen vloeit en anderzijds verschijnen de afgeleverde hoeveelheden product, die er weer uit stromen. Verder vinden we hier een nauwkeurige opgave, hoeveel uren levende arbeid voor het omvormingsproces van grondstof tot product nodig waren. Of, om het concreet aan ons meer genoemde voorbeeld te laten zien:

p+g+a 
machines+grondstoffen+arbeid=40.000 paar schoenen
1.250 arbeidsuren+61.250 arbeidsuren+62.500 arbeidsuren=125.000 arbeidsuren

b. Het giroverkeer als “verrekening”

Zodra echter goederen in het bedrijf worden opgenomen of er uit gaan, treedt het in verbinding met andere bedrijven. En omdat het tot de “lekenvoorstelling” zowel van kapitalisme als van communisme behoort, als men meent, dat goederen zonder verrekening overgedragen kunnen worden, zal het ontvangende bedrijf de binnengekomen goederen met het afleverende moeten “verrekenen”. Het is nu maar de vraag, op welke wijze het dit zal doen. In het kapitalisme gebeurt het óf door directe betaling in baar geld, óf (en dit is de gebruikelijke wijze van “verrekening”) door het bedrag door middel van een bank of girokantoor te doen uitbetalen. In dit geval is het eenvoudig een kwestie van overschrijven of overboeken. De betalingen voltrekken zich, zonder dat het geld circuleert, het is in zekere zin een “geldloos verkeer”.

Leichter is van mening, dat de praktijk van het leven zal moeten uitmaken, of deze twee wijzen van verrekening ook in het communisme behouden moeten blijven. Hij zegt daaromtrent: “Alle zakelijke voorwaarden van de productie, alle halffabricaten, alle grondstoffen, alle hulpstoffen, die door andere bedrijven in het verder-verwerkende bedrijf worden geleverd, worden haar berekend, gefactureerd. De vraag, of het daarbij tot directe betalingen in arbeidsurengeld of eenvoudig tot overboekingen, dus tot het baar-geldloze verkeer komt, zal het beste door de praktijk opgelost worden.” (Leichter, als boven, blz. 68).

Inderdaad zal de praktijk een hartig woordje meespreken, maar in principe is een verrekening in arbeidsurengeld buiten het girokantoor om, absoluut onjuist. Daarom wijzen we het hier, waar het toch om een theoretisch onderzoek gaat, volkomen van de hand. In de loop van de ontwikkeling moeten alle verrekeningen over een centraal girokantoor lopen. Want zoals ieder afzonderlijk bedrijf een ideële afspiegeling van z’n productieproces behoeft, zoveel te meer is dat nodig voor het totaal-bedrijfsleven van de samenleving. Verlopen alle verrekeningen over de giro, dan hebben we hier een volledige registratie van de goederenbeweging door de hele samenleving. Het is de algemene maatschappelijke boekhouding van het productie-distributieproces. Verloop echter een deel van de verrekeningen buiten deze boekhouding om, da hebben we deze registratie niet, dat wil zeggen: er kan geen sprake van een algemene maatschappelijke boekhouding zijn.

Dit is één van de gronden, waarom het communisme een directe verrekening in arbeidsurengeld van de hand moet wijzen en dit is dan ook de reden, waarom wij de term arbeidsgeld niet gebruiken, maar van verbruikersgeld spreken. Daarmee wil dan tot uitdrukking gebracht zijn, dat deze “aanwijzingen op product”alleen voor het betrekken van individuele consumptiegoederen gebruikt kunnen worden en niet voor de verrekening tussen de bedrijven.

c. Begripsomvormingen. Geen “inkomsten” – geen “uitgaven”

Na deze oriënterende opmerkingen kunnen we de communistische boekhouding van het afzonderlijke bedrijf nader beschouwen. Ofschoon het misschien voor velen op “haarkloverij” lijkt, willen we het toch doen, omdat het ons inzicht in het wezen van het communisme verdiept. We zullen zien, dat de boekhoudkundige termen: winst en verlies, inkomsten en uitgaven, bezittingen en schulden, in het communisme hun geldigheid verliezen. Wel zal een goed deel van deze termen ook nog in het communisme door spraakgebruik blijven voortleven, maar tot goed begrip is het noodzakelijk, in te zien, dat ze dan een heel andere inhoud gekregen hebben.

Om het karakter van de begripsomvormingen te zien, moeten we van de nieuwe sociale verhoudingen uitgaan, namelijk van de nieuwe rechtsorde. Deze is, dat noch het bedrijf, noch het vervaardigde product het eigendom van de bedrijfsorganisaties is: het is alles gemeenschapsgoed, dat door haar “in naam van de samenleving” wordt beheerd. De gebeurtenissen in het bedrijf kunnen daarom niet verschijnen als een verandering in de bezittingen en schulden van het bedrijf, en daarom kan het ook geen eigenlijke “inkomsten” en “uitgaven” hebben. Het bedrijf kan wel spreken van de hoeveelheid goederen, die het uit de samenleving heeft opgenomen en die het weer in de samenleving doorgeeft. Zodra het bedrijf product heeft afgeleverd, noteert het dit wil in de bedrijfsboeken en wordt dit bedrag door de giro uit de rekening van het ontvangende bedrijf op die van het leverende geboekt. Maar dit betekent niet anders, dan dat de samenleving deze goederenbeweging heeft geregistreerd. Het bedrag verschijnt dus wel in de bedrijfsboeken, maar het heeft niet het karakter van “inkomsten”. Het is een registratie zonder meer.

Hetzelfde is het geval, wanneer het bedrijf productiemiddelen of grondstoffen van een ander bedrijf betrekt. Wel noteert het, hoeveel arbeidsuren product het in deze vormen uit de samenleving heeft opgenomen, wel schrijft het algemene girokantoor dit bedrag over op een andere rekening, maar het zijn geenszins “uitgaven”, net zo min als het voor het andere bedrijf “inkomsten” zijn. Ook hier is het een registratie van de goederenbeweging zonder meer. In plaats van het debet-credit van de tegenwoordige boekhouding zoude de benamingen daarom moeten luiden:

Uit de gemeenschap opgenomenIn de gemeenschap doorgegeven
Wat als productiemiddel of als grondstof in het bedrijf gaat, uitgedrukt in arbeidsuren. Verder het verbruik aan verbruiksgeld.De afgeleverde hoeveelheid product.

d. Begripsomvormingen. Geen “winst” – geen “verlies” (60)

Net zo min als het bedrijf “inkomsten” of “uitgaven” heeft, net zo min kent het “winst” of “verlies”. De bedrijfsorganisatie registreert slechts, hoeveel maatschappelijke arbeid ze in de vorm van p, g en levende arbeid uit de gemeenschap heeft opgenomen en ditzelfde bedrag geeft ze aan de samenleving terug, maar in andere vorm, in de vorm van het door haar vervaardigde product. Ze kan daarom geen “overschotten” of “tekorten” hebben. Ditzelfde verschijnsel kunnen we ook anders uitdrukken: we kunnen ook zeggen, dat de rentabiliteit onbekend is!

Maar al ontbreekt de rentabiliteit, dat rationaliteit van het bedrijf is zeer goed bekend. Het kan namelijk zeer goed voorkomen, dat de gemeenschap meent, dat de afgeleverde hoeveelheid product te gering is. Dit zou zich dan niet daarin openbaren, dat het bedrijf met een “tekort” met “verlies” zou werken, maar dat zou daarin tevoorschijn treden, dat in dit bedrijf de productietijd van het product te hoog boven het maatschappelijk gemiddelde zou liggen.

De gemeenschap, of, in opdracht van deze de bedrijfsorganisaties van de gehele industriebranche, zou dit bedrijf daarvoor ter verantwoording kunnen roepen, zodat het zou moeten verklaren, waardoor zijn productietijd zoveel hoger ligt, dan in andere gelijksoortige bedrijven.

e. De zin van de communistische boekhouding

En hiermee zijn we dan gekomen aan het karakteristieke verschil tussen de kapitalistische en communistische boekhouding. Beide geven een ideële samenvatting van het bedrijf, maar bij de kapitalistische heeft ze de zin van het vaststellen, of er met winst of verlies is gewerkt en bij de communistische betekent ze, behalve zelfcontrole op de productie in het bedrijf, ook een verantwoording omtrent het beheer van de maatschappelijke goederen, die aan de samenleving wordt afgelegd.

f. De algemeen maatschappelijke boekhouding

De ideële samenvatting van het bedrijfsleven in de algemeen maatschappelijke boekhouding is niet een of andere “bedachte” of geconstrueerde maatregel, maar ze is het “natuurlijke” resultaat van de strenge doorvoering van de maatschappelijk gemiddelde arbeidstijd als dragende kracht van de productie en distributie. Deze smeedt het hele bedrijfsleven aaneen en regelt het, terwijl het noteren van de goederenoverdracht “vanzelf” tot een totaal-overzicht van de gehele maatschappelijke werkzaamheid voert. Zo ontstaat dus de algemene boekhouding over voortbrenging en verbruik van de hele samenleving. We vinden hier een overzicht van de hele maatschappelijke “inventaris” (zie III. b. Het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur bij Marx en Engels) alsmede een opgave, hoe deze wordt aangewend.

Natuurlijk verschijnt in deze “inventaris” geen opgave als bijvoorbeeld: zoveel boormachines, zoveel draaibanken, zoveel pikhouwelen, enzovoort, enzovoort. Er verschijnt echter wel, met hoeveel productiemiddelen iedere tak van bedrijf werkt, alsook, hoeveel grondstoffen en levende arbeid deze verbruikt. Met andere woorden: er verschijnt wel hoe de maatschappelijke arbeid in gestolde vorm (productiemiddelen en grondstoffen) en in vloeiende vorm (levende arbeid) over de verschillende maatschappelijke werkzaamheden is verdeeld. Dat betekent echter niet anders, dan dat alle elementen voor een zogenaamde “planmatige” productie hier te vinden zijn.

Deze boekhouding is boekhouding in de ware zin des woords: het is niet meer dan boekhouding. Wel is hier het centrale punt, waar alle stralen van het bedrijfsleven samenvloeien, maar deze economische centrale heeft niet de leiding, niet het beheer en ook niet het beschikkingsrecht over productie en distributie. De “Bedrijfsorganisatie voor Algemeen Maatschappelijke Boekhouding” heeft over slechts één bedrijf iets te zeggen: over haar eigen. Dit vloeit echter geenszins voort uit een of ander decreet van het radencongres, of uit de goede wil, die de arbeiders van het verrekenkantoor zou bezielen, maar dit wordt zo bepaald door de gang van de productie zelf.


XII. – De opheffing van de markt

a. Bij de Bolsjewiki. De Opperste Economische Raad verdeelt het maatschappelijk product

Behalve dat de Russische revolutie aantoonde, dat een productie zonder rekeneenheid tot de kinderlijkste hersenschimmen van naïeve fantasten behoort, heeft ze ons ook aanschouwelijk onderricht gegeven omtrent het geheimzinnige, veel omstreden vraagstuk van het “opheffen van de markt”. Dat is altijd een heel moeilijke kwestie geweest. Ja, Marx had gemakkelijk praten! Hij kon wel vertellen, dat in het communisme de markt opgeheven zou zijn, maar hoe zouden de bedrijven aan hun productiemiddelen en grondstoffen komen, als ze deze niet meer op de markt konden betrekken? En hoe zouden de arbeiders aan hun levensmiddelen moeten komen, als de markt niet als bemiddelaar tussen producenten en consumenten optrad?

De Bolsjewiki trachten het vraagstuk op te lossen, door het “algemene kartel” van Hilferding door te voeren. Het hele productie- en distributieapparaat zou tot één ontzaglijk monster-bedrijf zonder geld, zonder markt, zonder prijzen van de producten, functioneren. De groei naar de opheffing van de markt verliep heel snel, doordat de waarde van de roebel zo snel achteruit liep, dat de goederenprijzen met het uur omhoog liepen. Voor geld was weldra bijna niets meer te krijgen, zodat de hele levensmiddelenvoorziening nagenoeg volkomen in handen van de staat overging.

Zinovjev” (61) schrijft daaromtrent:

“Als bij ons in Rusland de geldwaarde daalt, dan is dat voor ons zeer zeker moeilijk te dragen […]. Maar wij hebben een uitweg, een hoop. We gaan de volledige opheffing van het geld tegemoet. Wij brengen het arbeidsloon over in “natura”, we voeren het kosteloos gebruik van de tram in, we hebben kosteloos onderwijs en kosteloos, zij het voorlopig ook slecht, middageten, vrije woning, verlichting enzovoort. We voeren dat heel langzaam door onder uiterst moeilijke omstandigheden, we moeten ononderbroken strijden, maar we hebben een uitweg, een hoop, een plan […].”
(Zinovjev, Zwolf Tagen in Deutschland [Twaalf dagen in Duitsland], geciteerd bij Pollock, blz. 73).

Inderdaad werd op deze wijze het hele bedrijfsleven in de steden geregeld (de boeren vielen er buiten), zodat het commissariaat voor voedselvoorziening (de Narcomprod) 38 miljoen mensen dusdanig verzorgde. Rekent men, dat telefoon, waterleiding, gas, elektra, huur, transportmiddelen en brandstof gratis werden geleverd, dan kan men welgevoeglijk stellen, dat de “markt” in de steden opgeheven was.

Het schijnt dus, dat we hier een uitstekende bodem hebben, om de vraagstukken van het opheffen van de markt te onderzoeken. Toch is dit slechts in zeer beperkte mate het geval, omdat deze “vermaatschappelijking van de distributie” onder zeer ongunstige omstandigheden doorgevoerd moest worden. Rusland werd door burgeroorlogen geteisterd, zodat het productieapparaat voor een groot deel op de oorlogsproductie ingesteld moest worden, terwijl ook een aanzienlijk deel van de industriearbeiders aan de productie onttrokken werd. Het gevolg was, dat de boeren absoluut niet van industrieproducten voorzien konden worden en ze dus hun graan moesten afleveren, zonder er iets voor terug te krijgen. Het ligt voor de hand, dat de boeren onder deze omstandigheden weigerden, hun land verder te bebouwen, met het gevolg, dat er steeds minder te verdelen viel.

We geven deze feiten, om te doen zien, dat de Russische opvatting van het opheffen van de markt heel slechte kansen tot verwerkelijking had. Het fiasco, dat het stelsel tenslotte leed, zou daarom door de voorstanders van deze opvatting op de omstandigheden te schuiven zijn. Wil men de mogelijkheid van een dergelijk systeem beoordelen, dan zou men dit alleen kunnen doen, waar het werkelijk vol doorgevoerd kon worden. We zouden de problemen van het opheffen van de markt in Rusland dus pas uit de praktijk kunnen onderzoeken, wanneer de boeren wel van alle mogelijke producten voorzien konden worden. Helaas, dit was niet het geval en zodoende is het enige resultaat, dat we een klare voorstelling gekregen hebben, van wat de Russen onder het opheffen van de markt verstaan. Dat is op zichzelf echter al van grote betekenis.

De Russische opvatting blijkt te zijn als volgt: De Bolsjewiki wilden de markt vervangen door een productie- en verbruiksstatistiek. De Opperste Economische Raad zou in verbinding met de Narcomprod statistisch vaststellen, hoeveel brood, vlees, suiker, textielgoederen enzovoort enzovoort nodig zijn, om in de behoeften van de bevolking te voorzien. Dienovereenkomstig zou de Opperste Economische Raad dan de opdrachten voor de productie aan de bedrijven geven. De Opperste Economische Raad had een overzicht over de behoeften, hij kende de productiekrachten en zou nu de productie voor de behoeften van de mensen doen werken. De allereerste voorwaarde, om de productie dusdanig te leiden was, dat beheer en leiding van het gehele bedrijfsleven in handen van de Opperste Economische Raad geconcentreerd was.

Feitelijk levert het onderzoek, voorzover we dit tot hiertoe gevoerd hebben, dus geen nieuwe gezichtspunten op. Het is de verwezenlijking van een oude theorie, die we reeds bij de bespreking van het “libertaire-communisme” van Sébastian Faure ontmoet hebben.

De praktijk heeft echter reeds beslist, dat er in werkelijkheid geen sprake kan zijn van enige productieberekening in een dusdanig systeem (zie II. d. De distributie van productiemiddelen en consumptiegoederen in natura als bolsjewistisch ideaal) zodat er tevens geen sprake kan zijn van planmatige productie.

b. De Opperste Economische Raad “verdeelt” de arbeidskracht

Ondertussen zijn deze praktische ervaringen voor de arbeiders misschien niet van overtuigende betekenis. We zullen daarom nu de praktijk van een heel andere kant doen spreken! De praktijk heeft namelijk al bewezen, dat de producenten in dit systeem niet anders dan de speelbal zijn van hen, die beschikking over de productiemiddelen en het maatschappelijk product hebben. De Opperste Economische Raad is belast met de verdeling van het “volksinkomen”. Hij beslist, welk deel van het product aan de consumenten toevalt, hoeveel er gebruikt zal worden voor uitbreiding van het productieapparaat... en welke deel zij zullen aanwenden, om hun machtspositie in het staatsapparaat te versterken.

Moge het daarom voor de arbeiders nog niet overtuigend gebleken zijn, dat een dergelijke productie onmogelijk is, de politieke betekenis spreekt veel duidelijker.

In de steeds grotere concentratie van het productieapparaat in handen van de staat zien we de vormen waarin de dictatuur van het proletariaat overgaat in de dictatuur over het proletariaat!

Dit is de politieke les, die we uit de Russische “opheffing van de markt” hebben te leren. En dat is hoog nodig! Want we vinden onder de revolutionaire arbeiders nog heel veel de mening verbreid, dat de eerste jaren van de Russische revolutie een ontwikkeling naar het communisme toonden, maar dat deze met de invoering van de N.E.P, het de hernieuwde invoering van de markt, in kapitalistische banen werd omgebogen. Ons onderzoek toont aan, dat deze opvatting fout is. De ontwikkeling van de eerste jaren was een ontwikkeling naar een steeds grotere verslaving van de arbeidersklasse, een verslaving, die gelijke tred hield met de concentratie van de productiekrachten, met de groei van het “communisme”. Iedere verdere stap naar de verzorging in “natura” betekende een grotere afhankelijkheid van het centrale apparaat. De toestand was tenslotte deze, dat de leiders van de productie er een ontzaglijk slavenleger op na hielden, waarbij zij vaststelden, hoeveel product ze aan dit leger als loon zou toewijzen.

Misschien zullen vele lezers deze formulering overdreven achten. Toch is dit geenszins het geval. We zullen dat bewijzen! En deze verslaving kwam niet, omdat Lenin, Trotski enzovoort zulke machtswellustelingen waren, maar omdat het niet anders kon. Als de leiding en het beheer van het ontzaglijke productieapparaat in handen van een Opperste Economische Raad berust, dan moet deze ook de beschikking over het mensenmateriaal hebben!

Dat heeft de praktijk van de Russische revolutie bewezen. We willen nu doen zien, hoe in dit systeem iedere individuele vrijheid opgehouden heeft en ieder slechts de aanwijzingen van de leiders van de productie heeft te volgen.

Trotski neemt gewoonlijk geen blad voor de mond en zo verklaart hij:

“Als we ernstig van een planmatige productie willen spreken, als de arbeidskracht in overeenstemming met het productieplan in een gegeven ontwikkelingsstadium verdeeld moet worden, mag de arbeidersklasse geen Nomaden-leven voeren. Ze moet net als de soldaten vertransporteerd, verdeeld, afgecommandeerd worden.”
(Trotski, Russische Korrespondenz, nr. 10, blz. 12).

Het hoofdcomité voor algemene arbeidsplicht besloot dan ook onder voorzitterschap van Trotski in december 1919:

“dat de uit het leger komende geschoolde arbeider met het arbeidsboek in de hand, in naam van het productieplan van het land, daarheen moet gaan, waar zijn aanwezigheid noodzakelijk is.”
(Russische Korrespondenz, nr. 8/9, blz. 39).

Verder bepaalde het comité voor arbeidsplicht, dat de arbeiders gedwongen konden worden, hun huisbedrijf op te geven, om in staatsondernemingen te werken, terwijl het tevens “de overplaatsing van arbeidskracht uit de ene onderneming in de andere, in overeenstemming met het productieplan […].” (als boven) kon gebieden.

Voor de doorvoering van het productieplan werden daarom de arbeiders eenvoudig opgecommandeerd, terwijl ze dikwijls zonder enige vergoeding tot arbeid verplicht waren. Grote afmetingen nam dit aan bij de houtkap, waar ze onder de punt van de bajonet zonder betaling gedwongen werden, het hout uit de bossen te kappen. De “herendiensten” werden onder het “communisme” weer ingevoerd!

Geen wonder, dat de arbeiders voor dit soort van communisme niet al te veel voelden. Zo beklaagt Trotski zich dan ook, dat honderdduizenden arbeiders “deserteerden”. Hij zegt (62):

“In de voornaamste takken van industrie zijn bij ons 1.150.000 arbeiders ingeschreven, maar in werkelijkheid werken er slechts 850.000 […]. Waar zijn die 300.000 gebleven? Ze zijn weggegaan. Waarheen? In het dorp, misschien in andere takken van industrie, misschien houden ze zich met speculatie bezig.”
(Trotski, Russische Korrespondenz, 1920, nr. 10, blz. 12).

Wij besluiten hieruit, dat de praktijk reeds heeft beslist, dat de opheffing van de markt door een centrale beschikking over productie en distributie, tevens een centrale beschikking over het “mensenmateriaal”, dat “als soldaten vertransporteerd, verdeeld, afgecommandeerd moet worden”. En daarmee is dan tevens de vraag gesteld, of dit wel de “opheffing van de markt” in communistische zin is.

Alvorens dit nader te beschouwen, willen we toch nog even dieper op de bolsjewistische opvatting ingaan, al kan dit dan ook niet aan de hand van de praktijk.

c. De verbruikersstatistieken

De eigenlijke bedoeling van de Bolsjewiki was, zoals we weten, te produceren voor de behoeften van de arbeiders. Nu is dit eenvoudiger gezegd, dan uitgevoerd. Want hoe zal de Opperste Economische Raad de behoeften van de arbeiders leren kennen? Welke graadmeter voor de behoeften heeft hij? Zeer zeker kan hij wel zo ongeveer vaststellen, hoeveel brood, vlees enzovoort voor alle arbeiders tezamen nodig zullen zijn, zodat van deze zaken betrekkelijk gemakkelijk een productie- en verbruiksstatistiek is vast te stellen. Toch heeft dit z’n bezwaren, omdat men statistisch al heel moeilijk rekening kan houden met de schakeringen in de behoeften. Zodoende wordt het al moeilijk, om boven het eenheidsbrood, het eenheidsconfectiepakje en de eenheidsworst uit te komen. De bezwaren worden echter ernstiger, als men de producten in de gezichtskring trekt, die niet door iedereen gebruikt worden, maar die aan de bijzondere eigenaard van de verschillende mensen ontspringen. Hoe groot is de behoefte aan deze goederen? Zeer zeker kan de statisticus er een slag naar slaan..., dat dit is nu juist niet de productie richten naar de behoeften van de mensen. En tenslotte komt nog als groter bezwaar, dat bij een productie naar statistieken het economisch leven verstart. Als de bedrijven de producten volgens de opgaven van de verbruikersstatistiek gemaakt hebben, dan zijn de behoeften hoogstwaarschijnlijk alweer gewijzigd en dus is het apparaat niet in overeenstemming met de behoeften.

De zaak is dus deze, dat het vloeiende leven zich niet in de formules van de verbruiksstatistiek laat persen en dat het daarom zinloos is, de behoeften statistisch te willen bepalen. Statistieken reiken niet boven het zeer algemene: het bijzondere kunnen ze geen baas. We mogen daarom zeggen, dat de productie naar verbruiksstatistieken in het geheel geen productie naar de behoeften is, maar dat het een productie is naar bepaalde normen, die de centrale leiding van het bedrijfsleven voor ons vaststelt.

d. Bij de burgerlijke economen. De markt als graadmeter voor de behoeften

Voor de burgerlijke critici van het communisme is de “opheffing van de markt” het centrale punt van hun bestrijding en tegelijk hun sterkste wapen. Het is niet toevallig, dat hier hun sterkste wapen ligt. Bij de bestrijding van het communisme kunnen ze zich alleen wenden tegen de opvatting van het communisme, zoals deze tot nu toe overheerst, en welke geen andere is, dat de vervanging van de markt door een statistisch apparaat. Terecht wijzen de critici er op, dat dit niet anders is, dan een spelen met woorden, dat het ontbreken van klare begrippen moet versluieren.

De burgerlijke critici zijn het er allen over eens, dat, hoeveel kwaad men overigens ook van de markt moge zeggen, ze toch in ieder geval een graadmeter voor de behoeften is. De markt lost het vraagstuk van de aanpassing van het productieapparaat aan de behoeften “spelenderwijze” op. Het “marktmechanisme” zorgt er voor, dat een verandering in de behoeften terstond op het productieapparaat overgedragen wordt, zonder dat daar enige statistiek bij te pas komt. Stijgt de behoefte aan een zeker product, dan wordt de vraag op de markt groter, de prijzen stijgen en de kapitalisten breiden de productie voor dat artikel uit. Vermindert de behoefte aan zeker product, dan voert dat over de omweg van de markt terstond tot een inkrimping van de productie, om deze in overeenstemming met de verminderde behoeften te brengen. Wat de verbruiksstatistieken niet kunnen, dat kan het “marktmechanisme” volgens hen heel goed, en daarom verklaren ze het communisme voor onmogelijk, zolang niet aangegeven kan worden, wat in de plaats van dit “mechanisme” treden zal.

De econoom Block formuleert dit als volgt: “Is de individuele ruil opgeheven, dan is de productie daarmee noodzakelijkerwijs maatschappelijk, dus zijn ook de producten maatschappelijk noodzakelijk. Over de methoden, hoe de maatschappelijke noodzakelijkheid verkregen en vastgesteld zal worden, brak Marx zich verder niet het hoofd […]. Zolang niet aangetoond kan worden, waardoor het marktmechanisme vervangen zal worden, is een productieberekening in de gemeenschapsproductie, dus een rationeel socialisme, niet denkbaar.” (Block, Die marxsche Geldtheorie, blz. 121-122”).

Alvorens op deze kwestie in te gaan, moeten we het verschil in karakter van kapitalistische en communistische distributie in het oog vatten. Inderdaad is de markt een graadmeter voor de behoeften..., maar alleen in kapitalistische zin. De zaak toch is deze, dat de arbeidskracht een “waar” is, die je op de markt kunt kopen, terwijl de prijs zich om het bestaansminimum beweegt. Het maatschappelijk product moge in het onmetelijke groeien, de arbeider krijgt daarvan toch niet meer dan een door de waarde van zijn arbeidskracht bepaalde hoeveelheid. Ongetwijfeld zijn zijn behoeften veel groter: ze worden juist gewekt door de grote hoeveelheid maatschappelijk product, die voor hem echter onbereikbaar is.

Het kapitalisme mag dus met een breed gebaar op zijn “marktmechanisme” wijzen, dat een graadmeter voor de behoeften heet te zijn, in waarheid kent het de behoeften absoluut niet, ja, zelfs nog veel minder dan zij, die de markt door een statistisch apparaat willen vervangen. Het is voor het kapitalisme echter ook helemaal niet nodig, de behoeften te kennen, omdat het niet voor de behoeften, maar voor de winst werkt. Het kapitalisme functioneert het beste, het is het “gezondste” als er behoorlijke winsten worden gemaakt, dat wil zeggen, als er zo weinig mogelijk aan de arbeiders gegeven wordt. Het hele fameuze “marktmechanisme” beweegt zich daarom voor het proletariaat slechts binnen de enge grenzen die de kapitalistische winstproductie voor de “waar” arbeidskracht toelaat, waarbij van een kennen van de behoeften in communistische zin geen sprake is.

e. De opheffing van de markt in marxistische zin

Ondertussen zijn we met het vraagstuk van het opheffen van de markt nog geen stap verder gekomen. We zullen daarom onderzoeken, hoe het eigenlijk met de marxistische opvatting van “het opheffen van de markt” staat.

De markt is de plaats, waar de bezitters van de producten elkaar ontmoeten, om hun “waren” te ruilen. Door de markt voltrekt zich dus de goederenbeweging tussen de bedrijven en voltrekt zich de distributie van consumptiegoederen. Deze goederenbeweging en deze distributie moet zich ook in het communisme voltrekken, zodat dit geen specifiek kapitalistisch verschijnsel is. Daarin kan het opheffen van de markt dus niet schuilen.

De markt bezorgt echter niet alleen de goederendistributie zonder meer, maar ze geeft tegelijk uitdrukking aan de sociale verhoudingen, waaronder we leven. Ze geeft tegelijk uitdrukking aan het feit, dat de goederen in privaatbezit zijn. De markt geeft tegelijk uitdrukking aan de bezitsverhoudingen. Dit is het wezenlijke van de markt.

In het communisme is de markt daarom enkel en alleen opgeheven, “omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets geven kan, behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niets in het eigendom van enkelingen over kan gaat, behalve individuele consumptiegoederen.” (Marx, Randglossen, blz. 25) (63).

Dat is de fameuze opheffing van de markt! De opheffing van de markt is in marxistische zin niet anders, dan het resultaat van de nieuwe rechtsverhoudingen. Het zegt geen woord over de organisatie van de productie of van de consumptie, noch over de aansluiting van de productie op de behoeften. Het bolsjewisme vat de opheffing van de markt als een organisatorisch vraagstuk op, namelijk hoe het hele bedrijfsleven in één hand te verenigen is. Het marxisme drukt met de opheffing van de markt enkel en alleen de verandering in de sociale verhoudingen, de verandering in de bezitsverhoudingen, uit.

Zoals gezegd, blijft de goederenbeweging natuurlijk ook in het communisme. Alleen wordt de prijs van de goederen niet door vraag en aanbod bepaald, maar bewegen ze zich op de grondslag van hun productietijd.

In de “Associatie van vrije en gelijke producenten” zullen de verschillende bedrijfsorganisatie dus met elkaar verbinding moeten treden, als ze goederen willen betrekken. Doordat er een “verrekening” tussen de bedrijven is, schijnt het uiterlijk dus een kwestie van koop en verkoop te zijn en daarmee schijnt de markt dus nog aanwezig.

Hetzelfde zien we bij de distributie van de consumptiegoederen optreden. De consumenten betrekken hun producten in hun coöperatie tegen verbruiksgeld, waarbij ze volkomen vrij zijn in de keuze van de goederen. Ook hier schijnt het daarom, of er gekocht en verkocht wordt, hoewel het niet anders is, dan het inwisselen van verbruiksbonnen voor product. Men kan ook zeggen, dat de consument een aantal bonnen heeft, waarop hij de goederen zijner keuze afhaalt.

Het opheffen van de markt is daarom zo te verstaan, dat ze naar de uiterlijke schijn ook in het communisme voortleeft. Maar de sociale inhoud van de goederenbeweging is volkomen veranderd: het doorgeven van de goederen op de grondslag van de productietijd is de uitdrukking van de nieuwe sociale verhoudingen.

Feitelijk hebben we hier dus met een begripsomvorming te doen, zoals we die vroeger al bij de waarde, inkomsten en uitgaven enzovoort ontmoet hebben. En zoals het spraakgebruik al die oude benamingen voorlopig wel conserveren zal, zo zal ze ook wel de naam “markt” conserveren, omdat “hier klaarblijkelijk hetzelfde beginsel heerst, als dat, wat de warenruil regelt, voor zover het het uitruilen van gelijkwaardigheden betreft”, maar “inhoud en vorm zijn veranderde” (Marx) (64).

f. Het aanpassen van de productie aan de behoeften

De econoom Block is echter met een dergelijke verklaring van de opheffing van de markt niet tevreden, omdat het probleem, waarom het bij hem eigenlijk gaat, daarmee niet opgelost is. Hij wil weten, waardoor het “marktmechanisme” vervangen zal worden, welke graadmeter het communisme voor de behoeften heeft, met andere woorden: hoe het productieapparaat aan de behoeften wordt aangepast. Ons antwoord luidt dan, dat het kapitalisme geen graadmeter voor de behoeften heeft en dat we deze dus in het geheel niet behoeven te “vervangen”. Het communisme zal deze pas scheppen, doordat ze de distributie-organisaties direct op de productie koppelt, zodat de behoeften het directe richtsnoer van de productie worden.

Dankzij het driedubbel-heiligverklaarde marktmechanisme, dat de productie zogenaamd aan de behoeften heeft aangepast, zit de arbeidersklasse bij de overname van het bedrijfsleven met een productieapparaat opgescheept, dat de arbeidskracht voor helft improductief verslindt, terwijl het niet naar de behoeften van de miljoenen, maar naar de koopkracht is uitgegroeid.

“Van de arbeiders, die zich met de productie van consumptieartikelen, welke tot verbruik van het inkomen dienen, bezighouden, zal een groot gedeelte zulke consumptieartikelen voortbrengen, die dienen voor de consumptie van de kapitalisten, grondbezitters en hun aanhang (staatsbeambten, dienaren van de kerk enzovoort), voor het verbruik van hun inkomen. Slechts een klein deel zal zulke producten voortbrengen, die voor het verbruik van het inkomen van de arbeidersklasse bestemd zijn […]. Met de verandering van de sociale verhouding tussen arbeider en kapitalist, met de revolutionaire omvorming van de kapitalistische productieverhoudingen, zou dat terstond veranderen […]. Is de arbeidersklasse aan het roer, heeft ze de macht, voor zichzelf te produceren, dan zal zij het kapitaal (om met de vulgair-economen te spreken) zeer snel en zonder veel moeite tot de hoogte van haar eigen behoeften heffen.”
(Marx, Theorien über den Mehrwert, II, blz. 376, geciteerd bij Varga, als boven, blz. 49) (65).

Het instellen van de productie op de behoeften van de massa’s brengt dus een hele omvorming van het productieapparaat met zich mee. De bedrijven, die uitsluitend werken voor de weelde-behoeften van de bourgeoisie komen tot stilstand, of moeten zo spoedig mogelijk omgevormd worden, zodat ze kunnen werken voor de behoeften van de arbeidersklasse. Hoe snel zulk een omvorming zich kan voltrekken, hebben we gedurende de oorlogsjaren in alle landen kunnen waarnemen. Toen werd het hele productieapparaat op de vervaardiging van oorlogsmateriaal ingesteld, terwijl na 1918 een nieuwe omvorming plaatsvond, het werd weer op de “vredes”-productie ingesteld. Terloops zij nog opgemerkt, dat het kapitalisme zelf zijn “marktmechanisme” uitschakelde, toen het inderdaad de productie naar zijn behoeften ging richten: naar zijn oorlogsbehoeften.

De organisatorische opbouw voor de communistische productie kan zich ondanks de grote moeilijkheden, toch snel voltrekken. De behoeften aan voeding, kleding, behuizing worden allereerst de richtsnoeren voor de omvorming. Deze voedings- en genotsmiddelenindustrie wordt zo omgevormd, dat de producten, die vroeger uitsluitend voor de bourgeoisie werden aangemaakt, niet meer worden vervaardigd, omdat men zich met volle kracht aan de bevrediging van de proletariërsbehoeften kan wijden. De behuizing is voor de arbeidersklasse een brandend vraagstuk. Een goed deel van de productie dient daarom te worden ingesteld op de vervaardiging van materialen, die bij de woningbouw verbruikt worden. Kortom: de hele productie ondergaat een omvorming naar de nieuwe behoeften.

De eerste tijd van de organisatie van het bedrijfsleven kenmerkt zich daardoor door het ver uitgroeien van sommige takken van bedrijf en het verschrompelen van andere. Het is een omvormingsproces, dat zeker niet zonder horten en stoten verloopt. Vastgesteld dient echter te worden, dat deze opbouw niet zo maar in het wilde weg kan verlopen, maar dat ze “planmatig” dient tot stand te komen. In dit opzicht leveren de verschillende pogingen, die daartoe in Rusland werden en worden ondernomen, ongetwijfeld waardevol materiaal. Weliswaar staat het Russische bedrijfsleven op de grondslag van de rentabiliteit van het staatskapitaal en niet op de behoeften van de arbeiders, maar het is het enige, wat we op dit gebied aan praktische ervaringen kunnen opdoen en we moeten maar roeien met de riemen die we hebben.

g. De coöperaties en de “graadmeter” van de behoeften

De behoeften zijn dus de drijvende kracht en het richtsnoer van de communistische productie. Of, zoals we ook kunnen zeggen: de productie richt zich naar de “vraag”. Maar niet de “vraag” in het wilde weg, zoals het kapitalisme deze kent. We moeten niet uit het oog verliezen, dat de vormen van productie en distributie geenszins onafhankelijk van elkaar verlopen, maar dat ze elkaar wederkerig bepalen. En daarom maakt de “Associatie van vrije en gelijke producenten” tegelijk de “Associatie van vrije en gelijke consumenten” noodzakelijk. Zoals de productie door de bedrijfsorganisaties collectief geschiedt, zo verloopt ook de distributie collectief: namelijk door de coöperaties van allerlei aard. In deze coöperaties vinden de individuele wensen van de consumenten hun collectieve uitdrukking. En doordat in het communisme de “tussenhandel” wegvalt, en de coöperaties direct op de bedrijven gekoppeld zijn, worden de behoeften, zoals deze zich in de coöperaties openbaren, direct op de productie overgedragen.

Dit is zeker, dat het huidige productieapparaat zo slecht aan de behoeften is aangepast, dat in de eerste tijd van het communisme zeker niet aan de behoeften kan worden voldaan. de bedrijven zullen nu echter niet maar in het wilde weg willekeurig de productie uitbreiden, om snel aan de binnenlopende aanvragen te kunnen voldoen, maar ze kunnen daarbij niet boven het algemene raam, zoals dit in het algemene productieplan is vastgelegd, uitgaan. Ze kunnen zich vrij bewegen, maar binnen het plan, omdat ander andere takken van bedrijf in moeilijkheden komen, zodat van een doelbewuste ombouw geen sprake zou kunnen zijn.

Deze aansluiting van het productieapparaat op de behoeften is een vraagstuk, dat alleen door het vloeiende leven opgelost kan worden, waarbij het productieplan het richtsnoer is voor het zelfinitiatief ende zelfactiviteit van de producenten.

Zoals de bevrijding van de arbeiders slechts het werk van de arbeiders zelf kan zijn, zo heeft dat hier de zin, dat de organisatorische aansluiting van de productie op de behoeften slechts het werk van de producenten-consumenten kan zijn.


XIII. – Het uitbreiden van de productie

a. De enkelvoudige reproductie als uitgangspunt

Het aanpassen van de productie aan de behoeften trekt echter een afzonderlijk onderwerp binnen de gezichtskring, at we hier nog aan een nadere beschouwing moeten onderwerpen. Het is het vraagstuk van het vergroten van de oude, bestaande bedrijven en het oprichten van nieuwe; met andere woorden het is het vraagstuk van de uitbreiding van het productieapparaat, of de “accumulatie”. Deze uitbreiding brengt voor de verdeling van het maatschappelijk product verschillende moeilijkheden mee, die we tot nu toe buiten beschouwing lieten.

Ons onderzoek naar de bewegingswetten van het communistisch bedrijfsleven mogelijk te maken, zijn we uitgegaan van een maatschappelijke toestand, zoals deze in de praktijk nooit zal voorkomen. We gingen namelijk uit van de toestand, dat alle bedrijven ieder jaar op dezelfde voet produceren. Met andere woorden we gingen uit van de toestand, dat het productieapparaat niet uitgebreid wordt. We namen als uitgangspunt, at ieder jaar alleen de slijtage wordt aangevuld en de rest van het maatschappelijk product als consumptie wordt verbruikt.

Als voorbeeld namen we daartoe:

Laat de totale slijtage van alle productiemiddelen 108 miljoen arbeidsuren zijn, de grondstoffen 650 miljoen arbeidsuren en de arbeid van alle arbeiders tezamen eveneens 650 miljoen uren. De totaal-productie wordt dan:

Pt+Gt+At=Totaal-product, of
108 miljoen arbeidsuren+650 miljoen arbeidsuren+650 miljoen arbeidsuren=1.408 miljoen arbeidsuren

Deze massa product wordt nu als volgt over de bedrijven en de consumenten verdeelt (66):

I.De productieve bedrijven nemen daarvan hun slijtage en hun nieuwe grondstoffen af700 miljoen
II.De openbare bedrijven nemen daarvan hun slijtage en hun nieuwe grondstoffen af58 miljoen
III.De consumenten verbruiken juist zoveel als hun aantal gewerkte uren bedraagt650 miljoen
Totale goederenvoorraad1.408 miljoen

Opmerking:
We moeten bij deze goederenvoorraad niet alleen aan “materiële” dingen denken. Ook de “geestelijke consumptiegoederen” (theatervoorstellingen, tentoonstellingen) zijn er in begrepen. Deze productie verloopt dan ook volgens de gewone berekening van het verbruik aan arbeidstijd (p + g) + a = theatervoorstelling. De arbeiders die zo’n voorstelling bezoeken, kunnen deze “consumeren” tegen inwisseling van hun verbruiksgeld, tenminste voorzover dit soort zaken nog niet onder het “nemen naar behoefte” valt. In ons begrip “goederenvoorraad” is dus het resultaat van alle maatschappelijke arbeid opgenomen.

b. De uitbreiding gaat altijd ten koste van de consumptie

Nu blijkt echter uit bovenstaand productieplan, dat de benodigde goederen voor de uitbreiding van het apparaat niet aanwezig zijn!

Het hele maatschappelijk product is namelijk reeds verbruikt. Het blijkt dus noodzakelijk, dat er voor de uitbreiding extra-werk geleverd moet worden. Zo zou de arbeidstijd bijvoorbeeld met vijf uur per week verlengd moeten worden, welke dan uitsluitend voor bedrijfsuitbreiding bestemd zou zijn. Met andere woorden: we kunnen niet de “volle opbrengst van onze arbeid” verbruiken, maar er moet een deel worden “overgespaard”. De uitbreiding van de bedrijven gaat dus altijd ten koste van de maatschappelijke consumptie. De snelheid van bedrijfsuitbreiding zal daarom in het communisme een van de belangrijke punten van bespreking uitmaken, omdat deze snelheid in werkelijkheid de lengte van de arbeidsdag bepaalt, of anders gezegd: deze snelheid bepaalt, hoeveel product er nog voor consumptie overblijft. Het komt er nu maar op aan, hoe deze vermindering van de consumptie tot stand komt, het komt er op aan, langs welke weg deze “onkosten” voor de bedrijfsuitbreiding gevonden moeten worden.

c. De algemene regel voor de bedrijfsuitbreiding

De algemene regel, die in Rusland toepassing vindt en die in Sovjet-Hongarije toepassing vond, is deze, dat de prijzen van de producten zo hoog gesteld worden, dat de bedrijven voldoende winst afwerpen, om tot uitbreidingen over te kunnen gaan. Verder komen daar dan de directe en indirecte belastingen hun steentje toe bijdragen. Rusland geeft een uitstekend voorbeeld, hoe de gang van het bedrijfsleven daarmee buiten de beslissingen van de arbeiders zelf omgaat en geheel in handen van de heersende bureaucratische kaste ligt. Waar we deze methode van “prijzenpolitiek” reeds bekeken hebben bij de behandeling van de Algemeen Maatschappelijke Arbeid, hoeven we er nu niet nog eens op in te gaan.

Hoe vindt de “associatie van vrije en gelijke producenten” echter de oplossing van de “accumulatie”? Deze oplossing wordt bepaald door de wezenlijke taak van de sociale, proletarische revolutie.

Naar onze (en we zeggen marxistische) opvatting ligt de eigenlijke taak van de proletarische revolutie in het doorvoeren van algemeen geldende regels, waarnaar producenten en consumenten productie en distributie zelfstandig ordenen. Voor de productie vonden we als algemene regel, dat alle bedrijfsorganisaties de productietijd van hun product moeten berekenen. Voor de consumptie vonden we als algemene regel, dat de arbeidstijd de maatstaf voor de consumptie zal zijn. Omdat de leiding van het bedrijf een functie van de producenten zelf is, komt hier nu nog als derde algemene regel een vaste regel voor de bedrijfsuitbreiding bij. Zijn deze regels doorgevoerd, dan nemen alle producenten onder gelijke economische voorwaarden aan het productieproces deel en zijn ze dus tot gelijke producenten geworden.

Als we nu de algemene regel voor bedrijfsuitbreiding nader beschouwen, dan dient terstond opgemerkt te worden, dat we ons bij de behandeling van dit vraagstuk niet in de eerste plaats door economische overwegingen laten leiden, maar door politieke. De oplossing van alle vraagstukken betreffende het communistisch bedrijfsleven moet uit ’t gezichtspunt behandeld worden, dat de arbeiders zelf de leiding van het bedrijfsleven in handen houden. Zeer zeker kan er dikwijls genoeg een tegenstelling ontstaan tussen deze zelfstandige leiding en een rationeler productie. In dergelijke gevallen werken we maar wat minder “rationeel” en nemen dan een langzamer ontwikkeling van het bedrijfsleven in de koop mee. Wijken we van onze eis van zelfstandig bedrijfsbeheer af, dan heeft al heel gauw een bureaucratische kaste het beheer in handen, die dan al gauw tot een haar inziens “rechtvaardiger” verdeling van het “volksinkomen” overgaat. Daarom moet ook het vraagstuk van de bedrijfsuitbreiding van het gezichtspunt van de zelfstandige leiding worden behandeld.

Om de behoeften van de arbeiders direct op de productie over te dragen, bleek het noodzakelijke, dat de verbruikersorganisaties direct op de productie gekoppeld worden. Dit houdt echter tevens in, dat de bedrijfsorganisaties de mogelijkheid moeten hebben, de bedrijven uit te breiden, als dit in verband met de behoeften noodzakelijk is. Ze moeten dus het recht van bedrijfsuitbreiding hebben. Deze omvorming van de sociale verhoudingen voert dus ook hier tot nieuwe rechtsverhoudingen.

De bedrijfsuitbreiding kan echter niet in het wilde weg verlopen, omdat dan van een maatschappelijke regeling van de productie geen sprake zou kunnen zijn. Het Algemeen Congres van de Bedrijfsraden zal daarom een bepaalde algemene norm moeten vaststellen, waarbinnen de uitbreiding zich zal moeten bewegen. Zo kan het congres bijvoorbeeld vaststellen, dat het bedrijf met niet meer dan 10% van de productiemiddelen en grondstoffen uitgebreid mag worden.

Door dit simpele besluit is dan het hele economische leven, voor zover het bedrijfsuitbreiding betreft, geregeld, zonder dat de producenten in afhankelijkheid van een centraal economisch lichaam gebracht zijn. Iedere bedrijfsorganisatie weet nu precies tot hoever ze kan gaan, zonder de maatschappelijke productieberekening in de war te sturen. Nemen we het meer gebruikte voorbeeld van de schoenenfabriek, dan verloop de productie volgens de berekening:

(p+g)+a=40.000 paar schoenen
1.250 arbeidsuren+61.250 arbeidsuren+62.500 arbeidsuren=125.000 arbeidsuren

Dat is gemiddeld 3.125 uur per paar.

Voor dit bedrijf staat nu 10% van zijn productiemiddelen en grondstoffen ter beschikking voor bedrijfsuitbreiding, dat is dus 10% van 62.500 = 6.250 arbeidsuren. Het volgende jaar verschijnt dus in de bedrijfsboeken en in de boeken van de Algemeen Maatschappelijke Boekhouding onder het hoofd “uit de gemeenschap opgenomen” een bedrag van 62.500 + 6.250 arbeidsuren.

Maken nu alle bedrijven van hun recht gebruik, dan worden ze dus alle met 10% uitgebreid en daarmee is dan het gehele productieapparaat met 10% uitgebreid.

Is de productievergelijking voor het lopende jaar:

(Pt + Gt) + At = Totale productie

dan wordt ze voor het volgende jaar:

1,1 × (Pt + Gt) + At = Totale productie

d. De toepassing van de algemene regel

Een dergelijk besluit tot bijvoorbeeld een algemene uitbreiding met ten hoogste 10% kan echter geen verdere strekking hebben, dan de productie en de consumptie in grote trekken te regelen, om in grote trekken vast te stellen, hoeveel product aan de consumptie onttrokken kan worden, zonder storingen te weeg te brengen. Het heeft alleen de zin, de beweeglijkheid van het bedrijfsleven te waarborgen, opdat de producenten de productie inderdaad aan de behoeften kunnen aanpassen. Het is echter duidelijk, dat niet iedere bedrijfsorganisatie van haar recht tot bedrijfsuitbreiding gebruik zal hoeven te maken, omdat verschillende takken van bedrijf aan alle aanvragen zullen kunnen voldoen. Daartegenover staan echter andere takken van bedrijf (woningbouw, levensmiddelenindustrie), die voorlopig lang niet in de behoeften kunnen voorzien. Dergelijke industrieën verlangen een veel sterker uitbreiding van 10% van het verbruik aan productiemiddelen en grondstoffen. Toch zullen ze niet verder mogen gaan, dan de vastgestelde norm, omdat anders een tekort in de consumptie zou kunnen optreden. Het is echter zeer goed mogelijk dat, vooral in de beginperiode, verschillende bedrijven hun recht tot uitbreiding op dergelijke “behoeftige” industrieën overdragen, zodat voor deze een groter uitbreidingsfonds ter beschikking komt.

Hoe dit ook zij: beslissend is, dat de bedrijfsorganisaties zich het recht van uitbreiding verzekeren, indien deze uitbreiding in verband met de behoeften noodzakelijk is. Op deze grondslag zijn dan vele organisatorische vormen, die een regelmatige gang van de productie moeten verzekeren, mogelijk. Hoe het economisch principe zich organisatorisch verwezenlijkt, kan alleen door de praktijk worden opgelost; het wisselt met de omstandigheden, waaronder de arbeidersklasse aan de macht komt en met de aard van de bedrijven. De organisatie van het bedrijfsleven en in het bijzonder een rationele productie, staat niet aan het begin van de revolutie, maar deze verwerkelijken zich in het ontwikkelingsproces. De revolutie vernietigt de oude sociale verhoudingen en legt nieuwe bewegingswetten voor de goederenbeweging. De organisatorische, maatschappelijke beheersing van het bedrijfsleven groeit op de nieuwe bewegingswetten. Daarbij zijn dan de organisaties de telkens wisselende verschijningsvormen waarin zich steeds weer de algemene, maatschappelijke grondslag weerspiegelt.

e. De invloed op de uitbetalingsfactor

We hebben hierboven reeds gezien, dat de kosten voor de uitbreiding van de bedrijven naar onze opvatting niet gevonden kunnen worden door “winsten” uit de bedrijven, dus door een soort van indirecte belastingen. Grondslag voor de goederenbeweging is en blijft de maatschappelijk gemiddelde productietijd van de producten. De vermindering van de consumptie kan dus niet langs de omweg der “prijzenpolitiek” gevonden worden, maar ze dient tot stand te komen, door een directe korting op het verbruiksgeld.

Hoeveel zal nu iedere arbeider voor deze bedrijfsuitbreiding moeten bijdragen?

Voor wie onze beschouwingen over de uitbetalingsfactor nauwkeurig gevolgd heeft, is de oplossing heel eenvoudig.

Voor de totale productie hebben we aangenomen:

(Pt+Gt)+At=Totale productie
108 miljoen arbeidsuren+650 miljoen arbeidsuren+650 miljoen arbeidsuren

De onkosten voor bedrijfsuitbreiding bedragen nu 10% van (Pt + Gt) = 10% van 758 miljoen = 75,8 miljoen. Dit bedrag zal door alle arbeiders tezamen gedragen moeten worden, zodat ieder 75,8 : 650 = 0,12 van zijn consumptie moeten missen.

f. Bijzondere accumulatie

Naast de gewone accumulatie willen we nu nog de bijzondere bedrijfsuitbreiding in de gezichtskring trekken. We bedoelen daarmee het uitvoeren van grote werken, die meerdere jaren duren, zoals het aanleggen van spoorlijnen, kanalen, het bouwen van bruggen, zeeweringen, het ontginnen van woeste gronden enzovoort. Dergelijke werkzaamheden drukken eveneens de hoeveelheid product, die ter individuele consumptie staat, omlaag. Bijvoorbeeld, zolang er aan een spoorweg gebouwd wordt, worden wel allerlei werktuigen en grondstoffen verbruikt, maar er komt voorlopig geen nieuw product voor in de plaats. Verder zijn de arbeiders, die er aan werken, aan de gewone productie onttrokken, zodat ook zij wél verbruiken, maar gedurende die jaren geen prodct teruggeven. Deze tak van uitbreiding slorpt dus een flink deel van het maatschappelijk product op, waaruit al direct volgt, dat een belangrijk deel van de discussies op de Economische Congressen van de Bedrijfsraden er over zal lopen, in welke mate deze werken ter hand genomen zullen worden en welke het meest dringen zijn. Hoe hoger de productiviteit van het arbeidsproces is, hoe gemakkelijker we in onze behoeften kunnen voorzien, op des te groter schaal kunnen we ze uitvoeren.

“Denken we ons de maatschappij niet kapitalistisch, maar communistisch, dan valt allereerst het geldkapitaal geheel weg, dus ook de versluieringen […] die er door binnenkomen. De zaak wordt eenvoudig hierop teruggebracht, dat de samenleving vooruit berekenen moet, hoeveel arbeid, productiemiddelen en levensmiddelen ze zonder enig nadeel kan besteden aan takken van bedrijf, die, zoals de bouw van spoorwegen bijvoorbeeld, gedurende een langere tijd, een jaar of langer, noch productiemiddelen, noch levensmiddelen, noch enig nuttig effect opleveren, maar wel arbeid, productiemiddelen en levensmiddelen aan de jaarlijkse totaalproductie onttrekken. In de kapitalistische maatschappij daarentegen […] kunnen en moeten zo voortdurend grote storingen intreden, terwijl omgekeerd de ruimte van de geldmarkt van haar kant zulke ondernemingen massaal te voorschijn roept, die later de druk op de geldmarkt bewerkstelligen.”
(Marx. Das Kapital, II, blz. 314-315, Verlag für Literatur und Politik) (67).

Blijkt het dus wenselijk een nieuwe spoorweg aan te leggen, dan zal allereerst een begroting gemaakt dienen te worden, hoeveel maatschappelijk product (dit is hoeveelheid arbeidsuren) dit in totaal zal opnemen en over hoeveel jaar het verdeeld wordt. Het karakter, dat dit werk krijgt, is, dat het tot het “openbare” type behoort, dat wil zeggen: het drukt op de begroting voor Algemeen Maatschappelijke Arbeid. Daarmee wordt dan wel de uitbetalingsfactor omlaag gedrukt, maar de kosten van een dergelijke bedrijfsuitbreiding worden door de gehele samenleving gedragen, zonder dat de verhouding van de producent tot het maatschappelijk product doorbroken wordt. Is het werk gereed, dan kan het in beheer en leiding van de bedrijfsorganisaties overgaan, die nu de gewone bedrijfsberekening doorvoert. Daarmee kan het dan bijvoorbeeld, indien noodzakelijk, tot het “productieve” type overgaan.

g. Het Algemene Fonds

Ten laatste wijzen we nog op een omstandigheid, die ook invloed op de uitbetalingsfactor uitoefent. En dat is de noodzakelijkheid, dat de samenleving er toe moet overgaan, om van verschillende producten voorraden aan te leggen, om bij natuur- of technische rampen hulp te kunnen bieden. We herinneren hier aan grote overstromingen, cyclonen, veenbranden enzovoort, waarbij de slachtoffers op de hulp van “particuliere weldadigheid” aangewezen zijn. In het communisme zal deze soort tegenspoed door de hele samenleving gedragen moeten worden, zodat het vanzelf spreekt, dat met behulp van de uitbetalingsfactor een “algemeen fonds” gevormd dient te worden. De snelheid, waarmee deze voorraadvorming geschiedt, ligt in de handen van de Raden, die op de congressen hebben vast te stellen, hoe hoog het bedrag voor dit fonds zal zijn.


XIV. – De controle op het bedrijfsleven

a. Het ontstaan van de arbeiderscontrole in de Kerensky (68)-tijd

De Russische en de Hongaarse revolutie hebben ook het vraagstuk van de controle op de productie vanuit de praktijk belicht. Onderzoeken we nu, wat met de controle op de productie bedoeld werd, dan blijkt direct, dat hiermee zeer verschillende zaken werden samengevat, zodat we allereerst moeten nagaan, in welke betekenissen ze optrad.

Voor de Bolsjewiki was behalve de eis van vrede, de controle op de productie, uitgeoefend door de arbeiders, zoveel als het centrale programmapunt, waarmee ze de revolutie in gingen. Het bedrijfsleven, dat door de oorlog steeds meer ontwricht werd, kon niet door de sociaal-democratische regering van Kerensky in normale banen gebracht worden. De inflatie van het geld verrichte haar verwoestende werking op de koopkracht van de massa’s, er was gebrek aan grondstoffen voor verschillende bedrijven, terwijl hamsteraars en speculanten de algemene warboel wisten te benutten, om ongehoorde winsten ten koste van het arbeidende volk te maken (69).

Onder deze toestand ontstond vooral in Petrograd (70) een beweging onder de arbeiders, dat ze zich niet zonder meer bij de beslissingen van de ondernemers wilden neerleggen. De bedrijfsraden traden dikwijls op tegen het ontslag van arbeiders of tegen het sluiten van fabrieken. In juni 1917 eisten ze voor het eerst de boeken van een bedrijf te mogen controleren, om toe te zien, dat de grondstoffen het bedrijf “niet zonder gegronde reden” verlieten. In oktober wilde een metaalfabriek het bedrijf inkrimpen “wegens gebrek aan materiaal”, waarop de bedrijfsraad het recht nam, de boeken te controleren, terwijl iedere order van de bedrijfsleiding ook door de vertegenwoordiger van de bedrijfsraad getekend moest zijn. In ’t algemeen kan men dus zeggen, dat deze beweging het medebeslissingsrecht eiste bij: het aannemen en ontslaan van arbeiders, bij het vaststellen van prijzen en veelal de inmenging van de arbeiders in de dagelijkse leiding van het bedrijf. Soms ook eisten ze het ontslag van een bijzonder gehate directeur of van bepaalde ambtenaren. Kort samengevat kan men zeggen: ze eisten medezeggenschap. Hierbij dient echter in het oog gehouden te worden, dat de vakverenigingen, die feitelijk pas in de loop van 1917 werden opgericht, aan deze beweging volkomen onschuldig waren. Deze eis van medezeggenschap vloeide voort uit het bruisende initiatief, het zelfhandelen van de arbeiders en een dergelijke beweging kan natuurlijk niet door vakverenigingsbeambten worden doorgevoerd. Anderzijds dient echter opgemerkt te worden, dat de strijd niet ging om de onteigening van de bezitters, dus om de opheffing van het kapitalisme: de controle op de productie betekende alleen, het onder controle zetten van de kapitalisten.

Ter illustratie geven we hieronder een statistiekje van het aantal directeuren en ambtenaren, dat onder de drang van de arbeiders ontslagen moest worden.

In 1917 ontslagen ambtenaren en directeuren
Maart
April
Mei
Juni
Juli
Augustus
September
59
5

4
5
17
21

(Fr. Pollock, Die planwirtschaftlichen Versuche in der Sowjet-Union 1917-1927, blz. 25, Leipzig, 1929.)

De mensjewistische minister van arbeid Skobolev (71) kon deze beweging natuurlijk niet laten voortwoekeren en dus gaf hij de instructie uit, dat de bedrijfsraden zich niet in de leiding van het bedrijf mochten mengen (72). Dit was voor de Bolsjewiki koren op de molen. Ze schakelden de elementaire beweging voor bedrijfscontrole bij hun propaganda in, waarbij ze de bedrijfsraden in een federatief verband organiseerden. Hoe weinig deze bedrijfsraden met de vakverenigingen samenvielen, blijkt wel uit het feit, dat bij de overname van de macht in het revolutionaire Petrograd slechts 30% van de bedrijfsraden in vakverenigingen georganiseerd was. Later, toen de Bolsjewiki aan de macht gekomen waren, werd het werkingsveld van de bedrijfscontrole door het Decreet van 14 november afgebakend, waarbij de verschillende maatregelen van de arbeiders, die vroeger als onwettig golden, nu als wettelijke rechten werden vastgelegd (we komen daar straks op terug).

b. De “arbeiderscontrole” bij Marx

Het is één van de grote verdiensten van Lenin, dat hij (vóór de bolsjewistische staatsgreep op 7 november 1917 (73)) in zijn boekje Staat en Revolutie duidelijk naar voren bracht, welke veranderingen de opvattingen omtrent het communisme in de loop van de jaren bij Marx hebben ondergaan. In het Communistisch Manifest (1847) ziet Marx de ontwikkeling naar het communisme in een steeds verder om zich heen grijpend staatskapitalisme, zoals we dit nu in Rusland kunnen waarnemen (zie hiertoe blz. 31-32 van het Communistisch Manifest, vertaling H. Gorter). De arbeidersklasse maakt zich meester van het regeringsapparaat van de bourgeoisie en de nieuwe regeringspartij(en?) zal (zullen) dan een radicaal hervormingsprogram doorvoeren met behulp van dit oude apparaat. In het Communistisch Manifest is de doorvoering van het communisme niet de taak van de revolutionaire massa’s, maar de onteigening van de bezitters komt tot stand door de nieuwe regering, die “aan de bourgeoisie stuk voor stuk alle kapitaal ontrukt”. De grondeigendom wordt wel opgeheven, maar de boeren moeten evenals vroeger de grondrente opbrengen, die dan aan de staat toevalt. Het particuliere kapitaal blijft voorlopig functioneren, maar de bezitters zullen “zware progressieve belastingen” hebben op te brengen. De nationale kredietbank krijgt het “kredietmonopolie”, terwijl er ook een staatsmonopolie voor het transportwezen wordt doorgevoerd. Dan zal de staat er toe overgaan, steeds meer bedrijven te onteigenen, om ze in staatsexploitatie te nemen, terwijl tevens een snelle vermeerdering van het aantal “nationale fabrieken” tot stand moet komen (in Rusland het vijfjarenplan).

De revolutionaire bewegingen van 1848 en vooral de Commune van Parijs (1871) zetten het mes van de kritiek in dit radicale hervormingsprogram. Marx zelf constateerde dan ook, dat de praktijk van de klassenstrijd had aangetoond, dat deze opvattingen voor ontwikkeld-kapitalistische landen onjuist waren. Vooral 1871 toonde, dat de revolutionaire massa’s niet alleen de oude heersers hadden weg te jagen, maar dat ze bovendien het militair-bureaucratische apparaat van de staat moesten vernietigen. Zo komt Marx dan in z’n Burgeroorlog in Frankrijk tot de conclusie, dat de arbeidersklasse de staat niet van de bourgeoisie kan overnemen, maar dat ze deze moet “vernietigen”, moet “stukbreken” (74).

Wat is nu dat “stukbreken” van de staat? De staat is geen porseleinen vaas, die je in scherven kunt slaan. Wie de staat wil breken, moet de militair-bureaucratische kaste, die zich als een duizendkoppig monster boven de massa’s verheft, onschadelijk maken. De Commune van Parijs deed dit, door een volledig zelfbestuur door te voeren. Ze erkende geen ambtenaren, die door de centrale staatsregering aangesteld waren, maar ze hield het recht van benoemen en ontslaan van alle functionarissen aan zich. Deze waren daardoor niet meer verantwoordelijk tegenover het centrale staatsgezag, maar uitsluitend tegenover hen, die hen hadden afgevaardigd. Daarmee hadden de revolutionaire massa’s de wetgevende en de uitvoerende macht tegelijk aan zich getrokken. Er was geen bureaucratische kaste meer, die van de massa’s was afgekapseld, maar de functionarissen waren tot een levend deel van de massa’s zelf geworden. Het recht van benoemen en ontslaan door de leden van de Commune zelf stelde alle functionarissen onder controle van de massa’s: ze werden tot werkelijk uitvoerende organen van de massa’s. De Commune “bezette alle plaatsen, besturende, rechtsprekende, lerende, door keuze volgens het algemeen kiesrecht van de belanghebbenden, en wel met het recht tot terugroeping ten alle tijde door diezelfde belanghebbenden. En ten tweede betaalde zij voor alle diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon, dat andere arbeiders ontvangen.” (Marx, De Burgeroorlog in Frankrijk.

De algemene doorvoering van het principe van de “verantwoording naar beneden” is in werkelijkheid niet anders, dan dat het directe beheer en de directe leiding van het hele maatschappelijke leven in handen van de arbeiders is overgegaan, zonder de omweg over de staat te nemen. De algemene doorvoering van dit principe staat ook in directe tegenstelling tot de staatskapitalistische opvattingen van de “nationalisatie” van de “rijpe” bedrijven. Uit deze opvatting blijkt, dat in de marxistische gedachtegang de maatschappij als geheel “rijp” voor het communisme is en daarom ook als geheel tot de nieuwe productiewijze overgaat.

De propaganda, die de communistische partijen voeren, om het langzamerhand aan de staat brengen van bedrijven voor een groei naar het communisme uit te geven, werkt hoogst verderfelijk op de ontwikkeling van de communistische gezindheid van de arbeidersklasse. Ze legt niet het zwaartepunt in het besef, dat de arbeidersklasse de directe controle over het maatschappelijk leven moet veroveren, maar deze moet slechts als een werktuig dienen, om de communistische partijen aan de regeringsmacht te helpen. Daarna zal dan het “communisme” vanuit de regeringsbureau’s geleidelijk worden doorgevoerd, onder de dictatuur van de communistische partij.

Echter: een werkelijke proletarische revolutie kan in de hoog-kapitalistische landen niet langs deze banen verlopen. Het doorzetten van een revolutie betekent, dat de revolutionaire energieën van de massa’s tot ontlading komen (75). En deze massa’s zijn zó talrijk (anders dan in Rusland!), dat de vernietigde en de opbouwende krachten niet binnen de decreten van regeringspartijen te bannen zijn. Bij een werkelijke proletarische revolutie kan een partijdictatuur zich niet handhaven. Een partijdictatuur heeft alleen een kans van slagen, als de revolutie niet doorzet, als ze halverwege blijft steken. Een partijdictatuur krijgt hier alleen een kans als product van een onvoldragen revolutie, waarbij de bourgeoisie zich als laatste toevlucht aansluit, “om erger te voorkomen”, omdat een partijdictatuur op z’n best het staatskapitalisme verwezenlijken kan, dat wil zeggen ze laat het kapitalisme voortbestaan, zij het in gewijzigde vorm.

c. De arbeiderscontrole bij de Bolsjewiki

Het verloop van de Russische revolutie laat praktisch de onverenigbaarheid van het “Communistisch Manifest” en de “Burgeroorlog in Frankrijk” zien. Of anders gezegd: vanuit de praktijk wordt aangetoond, dat de beginselen van de Commune van Parijs, de “verantwoordelijkheid naar beneden”, dit is de heerschappij van de arbeidersklasse, onverenigbaar is met het staatskapitalisme. De Bolsjewiki wilden beide verenigen, wat onmogelijk bleek: ze moesten de leiding van het maatschappelijk leven steeds meer uit de handen van de arbeiders nemen, om haar naar de oude bourgeoisie en de centrale regering-bureau’s te verleggen.

Toen de Bolsjewiki aan de macht kwamen, voerden ze de maatregelen door, zoals die in het Communistisch Manifest zijn aangeven. Allen de banken en het transportwezen zouden in handen van de staat overgaan, terwijl de industrie nog particulier bezit moest blijven.

“Wij nemen het Duitse staatskapitalisme als voorbeeld, het is ons ver vooruit […] Het opbouwen van zulk een staatskapitalisme bij ons in Sovjet-Rusland […] zou onze redding zijn.”
(Lenin, op het Congres van de C.P.R, zitting van 29 april 1918, naar onze tijdrekening 11 mei 1918).

In de C.P.R is alleen onenigheid omtrent het tempo, waarmee dit staatskapitalisme doorgevoerd zal worden. De “linksen”, onder leiding van Radek (76) en Boecharin (77), dringen er op aan, dat de industrie terstond aan de staat gebracht zal worden, maar Lenin weet dit nog tot het einde van juni tegen te houden.

Dat het inderdaad niet in de bedoeling lag, de bourgeoisie te onteigenen, blijkt zonneklaar uit de brochure van Lenin “De dreigende catastrofe”. Deze brochure werd één maand voor de revolutie geschreven. Lenin behandelt hier het vraagstuk van de nationalisatie van de banken en daaromtrent zegt hij dan:

“Als de nationalisatie van de banken zo dikwijls met het in beslag nemen van de particuliere vermogens verwisseld wordt, dan komt deze verwarring door de burgerlijke pers, wier belangen bestaan in het bedriegen van de lezers. Het eigendom aan kapitalen, waarmee de banken werken en die in de banken geconcentreerd zijn, wordt door gedrukte en geschreven stukken verzekerd, die men aandelen, obligaties, wissels, kwitanties enzovoort noemt. Geen enkele van deze stukken gaat verloren of verandert, als de banken genationaliseerd worden, dat is, als alle banken tot één staatsbank versmolten worden. Wie 15 roebel op de spaarbank heeft, blijft eigenaar van deze 15 roebel, ook na de nationalisatie van de banken, en wie 15 miljoen heeft, zal ze in de vorm van aandelen, obligaties, wissels, goederennota’s en dergelijke, ook na de nationalisatie behouden.”
(Lenin, Die drohende Katastophe, blz. 10.

De nationalisatie van de banken (27 december 1917) werd dan ook in deze zin doorgevoerd, wat blijkt uit het feit, dat de industrie tot einde juni 1918 in particulier bezit bleef en de ondernemers de bedrijven ook na de nationalisatie van de industrie in “gratis pacht- en vruchtgebruik” behielden.

Toch zou dit systeem, volgens de Bolsjewiki geen gewoon staatskapitalisme zijn, zoals we dit in West-Europa kennen. Dit systeem zou gedragen worden door de beginselen van de Commune van Parijs, door de “revolutionair-democratische controle” van de arbeiders uit te bedrijven.

“Opdat de controle over de industrie werkelijk doorgevoerd wordt, moet er een arbeiderscontrole (cursief van Lenin) zijn, moet er in alle instellingen een meerderheid van arbeiders zijn, en moet het bestuur aan alle bevoegde arbeidersorganisaties verantwoording afleggen.” (Lenin, in de Prawda, nr. 72, 16 juni 1917).

Dienovereenkomstig bepaalde dan ook het eerste decreet op de Arbeiderscontrole (14 november 1917), dat de bedrijfsraden met de controle over de productie, over het vaststellen van de prijzen,over het aanschaffen van grondstoffen en over de financiële politiek van het bedrijf werden belast. Ze mochten zich echter niet in de dagelijkse leiding mengen, of zich in de plaats van deze leiding stellen, terwijl een “onteigening” verboden werd. Deze bepalingen golden zowel voor de staats- als voor de particuliere bedrijven. Houdt men daarbij in het oog dat in het eerste decreet meteen besloten werd tot een landelijke verbinding van alle controle-comité’s, dans zou daarmee het hele maatschappelijk leven onder controle van de arbeiders vallen.

Bij doorvoering van dit decreet zouden de leiders van het economisch leven en het beambtenapparaat dus naar beneden verantwoordelijk zijn. Ze zouden niet van de massa zijn afgesloten, maar ze zouden de uitvoerende organen van de arbeiders zijn. Onder deze omstandigheden was dan ook niet de bedrijfsleider voor de gang van de productie verantwoordelijk, maar de arbeiders van het bedrijf als geheel. Er zou geen individuele verantwoordelijkheid zijn, maar een collectieve.

In de praktijk kwam van dit decreet echter niets terecht. Dat wil zeggen: de samenwerking van Kapitaal en Arbeid, waarop het gegrondvest was, liet zich niet doorvoeren. De bezitters weigerden onder deze controle te werken... en saboteerden de productie... of sloten het bedrijf. De bourgeoisie en haar beambtenapparaat lieten zich niet onder de arbeiderscontrole stellen.

“Het decreet van de Radenregering verplichte de ondernemers, de arbeiderscontrole in alle bedrijven in te voeren. Ondertussen bleek echter, dat de arbeiderscontrole een halve maatregel was en daarom niet was door te voeren. Als leuze betekende de arbeiderscontrole de groeiende en tevens nog onvoldoende macht van het proletariaat, dat betekent, ze was de uitdrukking van de nog niet overwonnen zwakheid van de beweging.” (Larin (78) en Kritzman (79), Wirtschaftsleben und wirtschaftlicher Aufbau in Sowjet-Rusland – 1917-1920, geciteerd bij A. Rosenberg (80), Geschichte des Bolschewismus, p. 114).

Daarmee stonden de Bolsjewiki voor de keus, de arbeiderscontrole op te heffen, of de leiding van het economische leven inderdaad op de arbeiders te doen overgaan, door van hun staatskapitalistische plannen af te zien. In werkelijkheid was er echter geen keus: de arbeidersklasse was veel te zwak, ideologisch en in aantal, om de leiding van het economisch leven op zich te kunnen nemen. Er waren slechts twee miljoen industriearbeiders met familie, die voor een aanzienlijk deel nog in het boerenbedrijf stonden, tegenover 120 miljoen boerenbevolking (familie inbegrepen). En zo besloten de Bolsjewiki dan tot opheffing van de arbeiderscontrole.

Van het staatskapitalisme onder revolutionair-democratische controle bleef alleen het staatskapitalisme over.

d. De vernietiging van de arbeiderscontrole door de Bolsjewiki

We willen er nu toe overgaan, in zeer korte trekken de ontmanning van de arbeidersklasse door de Bolsjewiki aan te geven. Daartoe moeten we de aandacht richten op de verhouding van de arbeidersraden tot de vakbeweging.

Gedurende de Kerensky-periode waren er twee organisaties van de industriearbeiders naast elkaar: de vakverenigingen en de arbeidersraden. De arbeidersraden waren de directe vertegenwoordiging van de arbeiders in de fabrieken, ze stonden zelf ook in het bedrijf. De arbeidersraden ware het eigenlijke wapen voor de “directe actie”. Een revolutionaire kern van arbeiders uit een bedrijf riep het hele personeel op voor een bedrijfsvergadering en daar werd dan de houding in de verschillende vraagstukken bepaald. Hier werd dus niet gevraagd: Tot welke partij of vakvereniging behoor je? Dat was volmaakt onverschillig. Als bedrijfseenheid werden de besluiten genomen, de klasse-eenheid ging boven de versplinterde geest van de lidmaatschapskaarten. Het handelen van de massa’s werd daarmee uit het kader van de leiderspolitiek van de verschillende partijen en vakverenigingen gehaald en werd tot klassenpolitiek gemaakt.

Natuurlijk waren de vakverenigingen en de sociaal-democraten heftige tegenstanders van de arbeidersraden. Alleen de Bolsjewiki steunden ze direct krachtig, en organiseerden ze in een landelijk verband, omdat deze levende activiteit van de massa’s een belangrijke rol zou spelen bij de strijd om de macht voor de Bolsjewiki.

Dat duurde echter slechts, tot de massa’s de Bolsjewiki aan de regeringsmacht geholpen hadden. Toen draaiden ze de arbeidersraden de nek om en gingen ze naar het vakverenigingsfront over. Reeds 22 december 1917 werd de arbeiderscontrole aan de Moermansk-spoorweg aan de Bolsjewiki ontbonden en daarvoor kwam een directeur in de plaats, die door het Volkscommissariaat van Verkeer was aangewezen. In dit teken stond het verdere verloop van de revolutie.

De Bolsjewiki gaan nu de revolutie in “ordelijke” banen leiden, en om hun leiderspolitiek door te zetten, kwam het er dus vóór alles op aan, zich van die lastige bedrijfsraden te ontdoen. Ze deden dat op dezelfde manier, die de Duitse sociaal-democratie en de vakbeweging een jaar later in Duitsland zouden toepassen: za schakelden ze bij het centrale bestuursapparaat van de vakbeweging in (wettelijke bedrijfsraden in Duitsland.)! Het was wel een pijnlijke, maar een korte operatie.

In januari 1918 (dus toen de Bolsjewiki de macht twee maanden in handen hadden), organiseerden ze een gemeenschappelijk congres van vakverenigingen en bedrijfsraden, om tot een “samenwerking” van de veelal tegengestelde bewegingen te komen. Omdat volgens de Bolsjewiki de vakverenigingen geroepen zouden zijn, tezamen met de Opperste Economische Raad de leiding van het bedrijfsleven op zich te nemen, moesten enerzijds de vakverenigingen tot industrie-bonden omgebouwd worden en anderzijds moesten de bedrijfsraden de centrale leiding volgen. De bedrijfsorganisaties zouden de onderste “cellen” van de industrie-bonden zijn. Aldus werd besloten. Toch geschiedde dit niet, dan na belangrijke tegenstand van de arbeidersraden. Dit was volkomen begrijpelijk, omdat alle zelfstandige beweging, het eigenlijke levensbeginsel van de Raden, had opgehouden: alle geldmiddelen werden in handen van de centrale besturen gelegd. Alle zelfstandige kassen in de bedrijven (stakingskas, ondersteuningskas) werden verboden, waarmee de zelf-beweging van de bedrijfsraden aanzienlijk werd beknot. Deze zelf-beweging was naar de mening van de Bolsjewiki ook volkomen overbodig, want op het daarop volgende vakverenigingscongres (20 april 1918), waar ze de meerderheid hadden, namen ze de volgende resolutie aan:

“Conflicten tussen de arbeiders en de bedrijfsleiding moeten terstond aan het Centrale Hoofdbestuur van de Vakbeweging ter beslissing voorgelegd worden. Ingeval de arbeiders weigeren zich aan de beslissingen van de vakverenigings-instanties te onderwerpen, moeten ze terstond uit de vakvereniging geroyeerd worden, en hebben ze alle daaruit voortvloeiende gevolgen te dragen.” (Bode van de Arbeid – 1918, no. 5/7 – Orgaan van het Volkscommissariaat van Arbeid).

Een tweede gevolg van de gecombineerde vergadering van vakverenigingen en bedrijfsraden (januari 1918) was de enorme groei van de vakbeweging. Behalve dat de arbeidersraden, die eerst voor een groot deel buiten de vakverenigingen stonden er nu in opgenomen werden, werd tevens, zoals niet wettelijk, dan toch praktisch het verplichte lidmaatschap doorgevoerd. Door de partijcel van een bedrijf werd een bedrijfsvergadering uitgeschreven, waar ze het voorstel deed, collectief tot de vakvereniging toe te treden, wat dan door handopsteken werd beslist. Was het bedrijf zo tot de vakvereniging overgegaan, dan werden alle nieuw-aangenomen arbeiders automatisch als lid ingeschreven, terwijl de contributie van het loon werd afgehouden. Het groeien van de vakbeweging was dus geenszins het groeien van het “klassenbewustzijn” van de arbeiders, maar het lid zijn van de vakvereniging was tot “een ambtelijke verplichting” (Tomsky (81)) geworden en “de arbeiders aanvaarden het afhouden van de contributie als een van boven komend bevel, dat volkomen van hun wil onafhankelijk was.” (Tomsky, Beginselen van de Vakorganisatie, blz. 69).

Het derde en belangrijkste gevolg van de gecombineerde vergadering van vakverenigingen en bedrijfsraden (januari 1918) was echter van heel andere aard. Alleen de arbeidersorganisaties die door de Centrale Raad van Vakverenigingen erkend werden, waren wettelijk toegestaan. Gezien het feit, dat het lid zijn van de officiële vakvereniging “een ambtelijke verplichting” was, betekende dit niet meer of minder, dan dat de arbeidersklasse in werkelijkheid van het recht van organisatie beroofd werd. Men “mocht”, neen, men moest lid zijn van de bondgenoot van de regeringspartij. In werkelijkheid mocht (en mag!) de arbeidersklasse zich niet organiseren, om voor de verdediging van haar belangen op te komen.

e. “Het recht van benoemen en ontslaan door de leden van de commune zelf, stelde alle functionarissen onder controle van de massa’s, ze werden de werkelijke uitvoerende organen van de massa’s […]” (Marx, De Burgeroorlog in Frankrijk, blz. 40 (82)).

Waar de arbeidersklasse al in de allereerste periode van de revolutie van het recht van organisatie beroofd werd (de regeringspartij zou wel voor haar belangen opkomen!) ligt het voor de hand, dat het met de leiding van de productie door de arbeiders, de verantwoording “naar beneden” van alle functionarissen, zo mogelijk nog droeviger gesteld moet zijn. Dat is dan ook inderdaad zo. We wezen reeds vroeger op de tegenstelling tussen de Opperste Economische Raad en de bedrijfsorganisaties, hoe bijvoorbeeld de stijfselfabriek Jivilov “genationaliseerd” werd, maar dat de arbeidersraad weigerde, de fabriek aan een vertegenwoordiger van de Opperste Economische Raad over te dragen. Zo voerde de Opperste Economische Raad. Een stelsel van inspecteurs in, om de metaalbedrijven van Petrograd onder z’n controle te brengen, maar er ontstonden ernstige conflicten tussen de inspecteurs en de bedrijfsraden. Ook is het niet toevallig, dat het Verbond van Arbeidersafgevaardigden, dat de “autonomie van de bedrijfsraden” verdedigde, juist in de spoorwegwerkplaatsen ontstond, omdat hier het opzij schuiven van de arbeidersraden (Moermansk-spoorweg) het eerst begon. De eigenlijke slag werd echter op het reeds bovengenoemde vakverenigingscongres van 20 april 1918 geleverd. De Bolsjewiki deden het voorstel, de verantwoording “naar beneden” af te schaffen, doordat ze voorstelden, voortaan de individuele verantwoordelijkheid van de directeur door te voeren. Aldus werd besloten. De directeur was daarmee geen verantwoording meer schuldig aan de arbeiders van het bedrijf, maar wel aan de “hogere autoriteiten”, een verantwoording, die natuurlijk alleen mogelijk is, als hij het bedrijf “individueel” leidt, zonder de arbeiders. De arbeiders werden dus uit de leiding van het bedrijfsleven teruggedrongen en de “arbeiderscontrole” werd teruggebracht tot het controleren, in hoeverre de directeur de arbeidswetten en de collectieve contracten met de vakverenigingen naleefde, een toestand dus, die met de functie van de wettelijke bedrijfsraden in Duitsland overeenkomt. Na de invoering van de Nieuwe Economische Politiek in maar 1921 werden ook de vakverenigingen uit de leiding van de productie verdrongen, welke in naam op de Opperste Economische Raad, maar in werkelijkheid op de tsaristische bourgeoisie en haar “spetsen” (specialisten) overging. Dat deze toestand ook heden nog zo is, bleek duidelijk uit het in 1930 gevoerde zogenaamde “Ramsin-Proces”; alle frases, die over de dictatuur van het proletariaat in Rusland verkocht worden, kunnen toch niet het feit versluieren, dat de oude bourgeoisie de leiding van de productie in handen heeft. Deze “rode directeuren” zijn aan de arbeiders natuurlijk geen verantwoording verschuldigd... want ze zijn ook niet door hen aangesteld. In dit verband herinneren we aan de reeds vroeger door ons gepubliceerde “Maatregelen tot de nieuwe ordening van het beheer van de productie en het vastleggen van de dictatoriale rechten van de leider in de bedrijven”, een resolutie, die door het Centrale Comité van de Russische Communistische Partij op 7 september 1929 werd aangenomen.

Van het gezichtspunt van “het stukbreken van de staat”, de vernietiging van het oude beambtenapparaat, het stellen van alle functionarissen onder de controle van de massa’s, beweegt de Russische revolutie zich dus steeds verder van het communisme af. De afkapseling van de massa’s van de leiding van de productie is een voldongen feit geworden en daarmee is de oude toestand van bureaucratische overheersing in nieuwe vorm hersteld. De Bolsjewiki moesten tenslotte zwichten voor de achterlijkheid van de sociale structuur in het Russische boerenland en waren gedwongen, de proletarische elementen, die in de Russische revolutie aanwezig waren “stuk te slaan”, en het oude beambtenapparaat over te nemen.

Wij hebben het oude staatsapparaat overgenomen, maar dat was ons ongeluk. Het staatsapparaat werkt dikwijls tegen ons. De zaak was deze, dat in 1917, nadat we de macht aan ons getrokken hadden, het staatsapparaat ons saboteerde. Wij waren toentertijd erg geschrokken en zeiden: keer alstublieft tot ons terug en ze kwamen terug. Dat was ons ongeluk.” (Lenin, Protocol 4e Wereldcongres van de IIIe Internationale, 1922, blz. 228, cursief van ons, G.I.C.) (83).

f. Controle onder het staatskapitalisme

Vestigen we nu echter de aandacht op de controle op het bedrijfsleven in boekhoudkundige zin, dan ligt het voor de hand, dat de vorm van deze controle ten nauwste samenhangt met de rechtskundige grondslagen van de samenleving. Het karakter van de controle wordt dus door het karakter van de nieuwe eigendomsverhoudingen bepaald. Gaan de productiemiddelen in staatsbezit over, dan wordt de regeling van productie en distributie ook een staatsfunctie en de controle verschijnt als een toezicht van bovenaf op het naleven van de staatsdecreten. De staat stelt een legen inspecteurs, accountants enzovoort aan, die het financiële beheer moeten nagaan. Het is een improductief apparaat, dat voor de staat alleen dient, zich de toe-eigening van de goederen te verzekeren. Voorzover de staat hier een “arbeiderscontrole” wil inschakelen, kan deze geen andere zin hebben, dan controle op het naleven van de bepalingen, die door de opperste leiding van het bedrijfsleven zijn vastgesteld. In ’t staatskapitalisme kan de “arbeiderscontrole” daarom nooit uitgaan boven de zogenaamde “medezeggenschap” in de bedrijven.

Varga schildert ons de controle onder het staatskapitalisme als volgt:

“Tot de functies van de organisatorisch-centrale leiding behoort de controle op de bedrijfsleiding en ’t financiële beheer over het staatsvermogen, een probleem dat in Rusland bijzonder grote moeilijkheden meebracht […].
Het lichtvaardig omgaan met de staatsgoederen, met het onteigende vermogen van de bourgeoisie, komt in ’t bijzonder voort uit de hebzuchtig-kapitalistische tendens van de hele maatschappij, wier moraal nog in ’t bijzonder ondergraven werd door de langdurige oorlog. Hier speelt echter ook een zekere onklaarheid omtrent de nieuwe eigendomsverhoudingen een rol. De proletariërs, die de onteigende bedrijven beheren, vervallen ál te licht in de mening, dat de bedrijven hun eigendom zijn en niet dat van de hele samenleving. Dit maakt een goed-werkende controle bijzonder belangrijk, daar het tegelijk een uitstekend opvoedingsmiddel is […].
Het vraagstuk van de controle was in Hongarije zeer goed opgelost [oorspronkelijk cursief van Varga]. De controleurs, die vroeger de kapitalisten dienden, werden met advocaten en leraren van het middelbaar onderwijs, die tot dit beroep opgeleid werden, als staats-ambtenaren in een aparte afdeling van de economische raad samengevat. De afdeling was volgens de beroepsgroepen ingedeeld, zodat dezelfde controleurs voortdurend de bedrijven van bepaalde industrie-branches controleerden. De controle strekte zich niet alleen uit over het geld en materiaalverbruik, maar ook over de juiste aanwending van de arbeidskrachten, over het onderzoek naar de oorzaken van een slechts arbeidsprestatie of de ongunstige resultaten in het algemeen. De betreffende controleur onderzocht op bepaalde tijden bedrijf en boekhouding ter plaatse en stelde een bericht samen, waarin niet alleen de fouten werden aangewezen, maar ook voorstellen tot verbetering werden gedaan. De controleurs hadden zelf in het geheel geen beschikkingsrecht over de dor hen gecontroleerde bedrijven, zij brachten slechts hun berichten aan de betreffende organisatie-besturen. Ondertussen vormde zich spoedig een samenwerking tussen de controleur, de productiecommissaris en de bedrijfsraad. De voorstellen van de controleur werden dikwijls spontaan opgevolgd. Ook werd een orgaan “Het Blad van de Controleurs” opgericht, dat aan alle onteigende bedrijven werd toegestuurd en dat er veel toe bijdroeg, de organisatorische kwesties van de bedrijfsleiding in arbeiderskringen duidelijk te maken. De systematische controle strekt zich niet alleen uit over de bedrijven, maar ook over het doen en laten van alle volkscommissarissen.” (Varga, als boven, blz. 67-68).

Wat Varga hier de controle op de productie noemt, is het door elkaar hutsen van twee zeer verschillende dingen. Het éne heeft betrekking op de controle in boekhoudkundige zin – de controle op de bedrijfsboeken; dus een kwestie van inkomsten en uitgaven. Het andere is de technische controle. Het houdt zich bezig met de rationalisatie van de productie.

Het samenkoppelen van deze verschillende functies is voor het staatskapitalisme niet toevallig. Ze zijn de uitdrukking van de grondslag, waarop de productie staat: de rentabiliteit. Controlekaarten, prikklokken, Taylorstelsel en lopende band (84) zijn in dit systeem de functies van de rentabiliteit, het is rationalisatie die tegelijk controle is; maar de controle is een hogere macht over de dienstbaar gemaakte arbeid. Controle op de productie betekent hier, controle op de producenten, of ze rendabel genoeg werken, of ze voldoende overschot afwerpen voor de beheerders van het apparaat. De controle draagt het karakter van de heerschappij over de producenten.

g. De controle in het communisme

In de associatie van vrije en gelijke producenten op de grondslag van de arbeidstijdrekening is de controle van heel ander karakter, omdat we hier met andere rechtsverhoudingen te doen hebben. De arbeiders ontvangen de gebouwen, machines en grondstoffen van de gemeenschap, om hiermee nieuwe goederen vóór de gemeenschap voort te brengen. Ieder bedrijf vormt dus een collectieve rechtseenheid die aan de gemeenschap rekenschap aflegt omtrent haar beheer. Openbare boekhouding voor alle bedrijven is daarvan een natuurlijk gevolg.

Zoals we gezien hebben, kent het bedrijf geen “inkomsten en uitgaven”, het kan nooit met “overschotten en tekorten” werken, met andere woorden: de rentabiliteit bestaat niet onder het communisme. Geld bestaat niet; alle goederenoverdracht is niet anders dan een kwestie van overboeking op ’t girokantoor, terwijl niemand ooit iets anders dan invididuele consumptiegoederen in z’n bezit kan krijgen. Het “inkomen” kan bij niemand groter zijn, dan de producten, die hij voor zijn gewerkte uren uit de consumptie kan wegtrekken.

Wanneer we de controle op het bedrijfsleven in het communisme bespreken, bedoelen we daarmee niet, verschillende commissies uit te denken, die zich met deze controle hebben te belasten. Niet dat dergelijke organen er niet zullen zijn, maar ze vallen buiten de gezichtskring van de mogelijkheden van theoretisch onderzoek. We willen daarom alleen onderzoeken, welke vormen van controle direct in de zakelijke gang van het bedrijfsleven besloten liggen. We bedoelen, op welke wijze het bedrijfsleven zichzelf controleert, zonder toedoen van een “controleur”.

In de associatie van vrije en gelijke producenten geschiedt de controle op het bedrijfsleven niet door personen en instanties, maar ze wordt voltrokken door de openbare registratie van het zakelijk verloop van het bedrijfsleven. Dat betekent: de productie wordt gecontroleerd door de reproductie.

Daarbij is dan te bedenken, dat het communisme niet maar in het wilde weg produceert, maar werkt volgens een vooraf opgesteld productieplan, waarbinnen het economisch leven zich in grote lijn zal bewegen. Dit productieplan is niet anders dan het vaststellen van de omvang van de verschillende productiesferen. Het bepaalt dus, hoeveel arbeid de samenleving wil besteden aan het vervaardigen van productiemiddelen, van grondstoffen, levensmiddelen, amusementsbedrijf enzovoort enzovoort. Deze plannen worden niet door de economen “uitgedacht”, maar ze groeien uit de maatschappij omhoog. Doordat de consumptie door alle mogelijke soorten van verbruiksorganisaties direct op de productie gekoppeld is, weten de bedrijven precies in hoeverre ze in de behoefte aan hun product kunnen voorzien. Blijkt het, dat de textielbranche niet aan alle aanvraag kan voldoen, dan zal ze bij de vaststelling van het volgende productieplan met voorstellen komen, deze tak van bedrijf meer dan normaal uit te breiden. Zo “groeit” het productieplan uit de praktijk van het leven. Is dit plan echter eenmaal vastgesteld, dan zullen de verschillende bedrijfsorganisaties zich ook binnen dit raam moeten bewegen en kunnen ze hun productiebudget niet overschrijden. Dat behoort tot de algemene regels, waarnaar het bedrijfsleven verloopt.

In de Algemeen Maatschappelijke Boekhouding van het girokantoor, in deze verkleiningsspiegel van het bedrijfsleven, hebben we al direct een overzicht, of iedere branche zich binnen het productieplan houdt. Is ieder bedrijf afzonderlijk bij de giro aangesloten, dan valt ieder bedrijf afzonderlijk onder deze boekhoudkundige controle. Is de productiebranche als geheel aangesloten (bijvoorbeeld: de suikerindustrie als geheel) dan valt de boekhoudkundige controle van de afzonderlijke bedrijven binnen het raam van deze productiegemeenschap.

Op welke wijze controleert het bedrijfsleven nu zichzelf? Het is de maatschappelijk gemiddelde productietijd, die dit doet. In hoofdstuk VIII gaven we een voorbeeld, hoe de maatschappelijk gemiddelde productietijd bepaald kan worden.

We hebben daar gezien, dat de bedrijven niet alle even productief zijn, maar dat het ene boven (85) en het andere beneden het maatschappelijk gemiddelde komt. Blijkt in de productie, dat een bedrijf ver boven het gemiddelde komt met z’n productietijd, dan wijst de zakelijke productie zelf aan, dat een onderzoek naar de oorzaken noodzakelijk is.

Het is ook mogelijk, dat de maatschappelijke productietijd zelf fout berekend is. Was h et te hoog, dan ontstaat in de boekhouding een groter bedrag aan uren in de maatschappij “doorgegeven” dan in de vorm van p, g en a in het bedrijf werd opgenomen. Waar de in- en uitgaande stroom echter altijd gelijk moet zijn, geeft een dergelijke toestand dus een fout in de berekening weer. Het maatschappelijk gemiddelde kan ook te laag berekend zijn. In dat geval demonstreert zich dit in de boekhouding, doordat de binnenvloeiende stroom groter is dan de uitvloeiende. Voor het bedrijf of de industrie-branche doet zich dat pijnlijk gevoelen, doordat de bedrijven zich niet kunnen reproduceren. Dat wil zeggen de productie komt tot stagnatie. Hieruit blijkt dus, dat de maatschappelijk gemiddelde productietijd een onverbiddelijke “controleur” is, die zich telkens doet gevoelen, als het bedrijfsleven hem gewild of ongewild komt doorbreken. Of zoals men ook kan zeggen: de productie wordt door de reproductie gecontroleerd. Het zijn de bewegingswetten van het bedrijfsleven zelf, die de controle oefenen en een inbreuk direct aangeven.

De controle op de openbare bedrijven biedt niet zoveel vormen van automatische controle, doordat het product “gratis” in het verbruik overgaat. Er is hier meestal geen maatschappelijk gemiddelde productietijd en in de bedrijfsboeken kan meestal niet verschijnen, hoeveel product is “doorgegeven”.

Deze bedrijven werken volgens de formule p + g + a = “dienst”. Ook het reproductieproces treedt hier niet op als controlerende factor. Hier kan de maatschappelijke boekhouding alleen controleren, of de “dienst” zich binnen haar productiebudget blijft bewegen, dus of ze haar verbruik aan p, g en a niet overschrijdt. Of de “dienst” voldoende productief werkt, kan hier niet blijken. Daartoe moet men dus naar andere middelen grijpen. Bijvoorbeeld hoeveel arbeidsuren bij een kilometer tramverbruik worden besteed, of het vergelijken van de “kosten” van het onderwijs in de verschillende communes per hoofd enzovoort. Maar dergelijke soort van controle valt buiten de onderzoekingen in dit geschrift.


XV. – De doorvoering van het communisme in het boerenbedrijf

a. De ontwikkeling naar de warenproductie

Het is een bekende uitspraak, dat ieder nieuwe samenleving uit de schoot van de oude geboren wordt. Het kapitalisme schept in z’n razend-snelle industriële ontwikkeling een steeds machtiger en sterker geconcentreerd productieapparaat, waardoor enerzijds het aantal bourgeois, dat de beschikking er over heeft, vermindert en anderzijds brengt het een steeds groter deel van de bevolking tot loonarbeid. Deze ontwikkeling schept tegelijk de voorwaarden, waardoor het kapitalisme ten onder gaat. De noodzakelijke voorwaarde voor deze groei van het proletariaat is een steeds intensere uitbuiting, terwijl de strijd om het bestaan en de onzekerheid van bestaan zich steeds scherper doen gevoelen (zie: Marx, Loonarbeid en Kapitaal). Onder deze verhoudingen blijft voor het proletariaat slechts één uitweg over: het communisme.

Beschouwen we de ontwikkeling van de landbouw naast die der industriële, dan krijgen we een heel ander beeld. Ondanks alle voorspellingen, dat ook de landbouw zich zou moeten concentreren, dat de kleine en de middelboer door grote landbouwconsortiums verdrongen zouden worden, is hiervan tot nu toe al heel weinig te zien. Niet alleen de middelboer, maar ook de kleine heeft zich weten te handhaven, terwijl van een groei naar het groot-bedrijf in bovenbedoelde zin geen sprake is.

Deze gang van zaken is voor de theoretici van het staatscommunisme zeer teleurstellend. De arbeid in de industrie krijgt een steeds meer maatschappelijk karakter, terwijl dat van de boer, volgens hen, even afgesloten blijft. In de industrie worden de bedrijven steeds meer “rijp” voor het communisme, of wat ze daar dan onder verstaan, en in het boerenbedrijf willen ze maar niet “rijpen” voor centraal staatsbeheer.

Vanuit de gezichtshoek van het staatscommunisme is en blijft de landbouw daarom een struikelblok voor de doorvoering van het communisme. Naar onze mening echter, heeft het kapitalisme de objectieve voorwaarden voor de doorvoering van het communisme ook in de landbouw reeds volkomen doorgevoerd. Het hangt er slechts van af, hoe mens de dingen ziet, of men het beheer van de productie in de centrale regeringsbureau’s wil leggen, of dat men het in handen van de producenten zelf legt.

Om te doen zien, dat het boerenbedrijf nu reeds volkomen “rijp” voor het communisme is, willen we in korte trekken de toestand van de agrarische bedrijven geven, zoals deze in West-Europa, Amerika en Australië is (voor uitvoeriger beschouwing verwijzen we naar de door ons uitgegeven brochure: “Ontwikkelingslijnen in het Boerenbedrijf”) (86). We zullen dan zien, dat het boerenbedrijf door en door kapitalistisch geworden is en dat de productie net zo verloopt, als in de industrie.

Eén van de kenmerken van de kapitalistische productie is, dat het een “waren”-productie is. “Waren” zijn gebruiksvoorwerpen, die de producent niet voor zichzelf maakt, maar voor anderen, voor de maatschappij, en zijn arbeid is daardoor maatschappelijke arbeid. In het stofwisselingsproces van de samenleving zijn zodoende alle “waren”-producenten onderling verbonden, ze leven in volkomen onderlinge afhankelijkheidspositie en daarmee vormen ze in werkelijkheid een gesloten geheel.

Het oude boerenbedrijf kende de “waren”-productie slechts als bijkomstigheid. Het was een wereldje op zichzelf, dat nagenoeg alles, wat het voortbracht ook zelf verorberde. De boer was zijn eigen kleermaker, metselaar, textielfabricant en levensmiddelenleverancier. De boer werkte dus niet voor anderen, voor de samenleving, maar voor z’n eigen familiekring. De boer bracht dus heel weinig ter markt, waardoor hij weliswaar ook heel weinig geld in handen kreeg, maar waardoor hij in ieder geval een “onafhankelijk” bestaan had.

De industriële warenproductie heeft deze geslotenheid echter doorbroken. Wist ze enerzijds een stroom goedkope producten over de aarde te strooien, anderzijds werd door de werkingen van het kapitalisme de pacht verhoogd, terwijl tevens de staat steeds hogere belastingen verlangde. Het is hier niet onze taak het kapotslaan van het gesloten boerenbedrijf na te gaan (zie: Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals). We willen alleen het resultaat vaststellen, dat voor ieder duidelijk zichtbaar is: het boerenbedrijf had steeds meer geld nodig, om aan z’n verplichtingen te kunnen voldoen. Geld kan het echter alleen krijgen, door meer product op de markt te brengen. En hierbij lagen nu voor de boer twee wegen open: óf de boer moest, bij gelijke productiviteit zelf minder verbruiken, óf hij moest de productiviteit van zijn arbeid opvoeren. Nóg minder verbruiken dan een boer van de oude stempel behoort echter tot de onmogelijkheden, zodat alleen het opvoeren van de productiviteit als uitkomst verscheen.

Hier ligt het punt, waar de economen zich tot nu toe vergist hebben: zij namen voor het boerenbedrijf dezelfde ontwikkeling aan, als voor de industrie. In de industrie werd een steeds grotere productiviteit bereikt door de samenvloeiing van kapitalen, door steeds nieuwere, productiever machines in te voeren, die alleen in reuzenbedrijven toegepast kunnen worden. Dienovereenkomstig meenden ze, dat ditzelfde concentratieproces zich ook in de landbouw moest voltrekken, zodat de klein- en middelboer in hoofdzaak zou verdwijnen, terwijl de landbouwconsortiums de beslissende rol in de productie zouden spelen. De kleine en middelboeren zouden daarmee allen tot loonarbeiders van het naamloze vennootschappenkapitaal in de landbouw gemaakt worden.

De economen hebben zich tot nu toe in dit opzicht grondig vergist. Het is echter wel merkwaardig, dat de industriële ontwikkeling, die de concentratie in de landbouw tot stand zou moeten brengen, zelf de grondslag legde, waardoor de landbouw een heel andere ontwikkeling nam. Het waren in het bijzonder de motor, de kunstmeststoffen en de landbouwwetenschap, die de productiviteit van de arbeider menigvuldig wisten te doen stijgen, zonder tot die grote samenvloeiing van kapitalen te leiden. Door de moderne bemesting speelde de aard van de grond een ondergeschikte rol, de opbrengst per hectare nam geweldig toe, zodat de boer veel meer “waren” dan vroeger op de markt kon brengen, terwijl het moderne verkeer voor een alzijdig transport zorg kon dragen.

Tegelijk met het opvoeren van de opbrengst per hectare voltrok zich een ander verschijnsel van grote betekenis. Zodra de productie op wetenschappelijke grondslagen komt te staan, treedt het verschijnsel van de specialisatie met dwingende kracht op. “De specialist is een holbewoner. Hij ziet slechts een klein streepje van het Heelal, maar dat ziet hij heel scherp”, zegt Multatuli ergens. Zo zien we, hoe de boeren zich inrichten, om slechts bepaalde producten te lveren, maar hierin dan ook het hoogste bereiken, wat bij de huidige stand van de wetenschap... en z’n financiële draagkracht mogelijk is. Naar deze specialisatie richten ze dan hun bedrijf in, dat wil zeggen: ze hebben slechts die bepaalde gereedschappen en werktuigen, die voor hun speciale product nodig zijn.

Zo is de toestand van het boerenbedrijf heden in West-Europa, Amerika en Australië. Daarmee is de boer tot warenproducent geworden in de volste zin van het woord!! De boer brengt nu niet meer z’n “overschot” op de markt, als hij in z’n eigen behoeften voorzien heeft, maar hij verkoopt al z’n product. Wat hij maakt verbruikt hij zelf niet en wat hij zelf nodig heeft, wordt door hem niet vervaardigd. De boer werkt dus niet meer voor de eigen familiekring, maar voor de maatschappij en hij verricht dus maatschappelijke arbeid. Het gesloten huisbedrijf van de boer is door de specialisatie vernietigd: het boerenbedrijf is overgegaan tot de “industriële productie”.

Moge daarbij de boer de “bezitter” van z’n stukje land gebleven zijn, toch is zijn positie enorm verslechterd. Zeker, hij kan bij goede conjunctuur goede zaken maken, maar hij is nu volkomen van de wisselvalligheden van de markt afhankelijk. Zijn bestaansonzekerheid hield gelijke tred met zijn specialisatie. Dat ging natuurlijk niet onopgemerkt aan de boeren voorbij en ze zochten dus aan de fatale strekkingen van hun specialisatie te ontkomen. Ze deden dat, door allerlei soorten van boerencoöperaties op te richten, zodat ze de prijszetting van hun producten iets beter in de hand hadden en ze zich collectief van moderne werktuigen konden voorzien, om de oogst te verwerken. Door dit alles is het hele boerenbedrijf sterk geconcentreerd, terwijl toch van een samenvatting van de bedrijven in industriële zin geen sprake is.

b. De betekenis van deze ontwikkeling voor de proletarische revolutie

Door bovengeschetste ontwikkelingsgang werd het verhinderd, dat tot nu toe een belangrijk landbouwproletariaat gevormd werd. Zeer zeker is het nog altijd groter dan het aantal bezittende boeren, maar toch liggen de verhoudingsgetallen werkelijk heel anders dan bij de stedelijke bevolking. Hier komt nog bij dat de klassentegenstellingen op het land niet zo sterk op de voorgrond treden, juist doordat de kleine voer met z’n gezinsleden zelf meewerken. Heeft het bezit in de steden tot zuiver parasitisme gevoerd, zo is dit bij het kleine en middenbedrijf niet het geval. Een communistische revolutie is daardoor op het land veel moeilijker dan in de steden.

Toch liggen de verhoudingsgetallen niet zo ongunstig, als dat het op het eerste gezicht schijnt. Zeer zeker is er een betrekkelijk groot aantal “bezitters” op het land, maar deze weten heel goed, dat ze in de grond van de zaak niet veel méér zijn, dan de zwoegende zaakwaarnemers van het hypotheekkapitaal, terwijl de last van de bestaansonzekerheid zwaar op hen drukt. Ongetwijfeld is het waar, dat de “bezittende” boer nooit een voortrekker van het communisme zal worden, maar de strijd van de arbeidersklasse tegen het kapitaal slaat hij met welgevallen gade. Hoe de houding van de kleine en middelboeren bij een proletarische revolutie zijn zal, is niet met zekerheid te zeggen. Het enige middel, om nu reeds dienaangaande te weten te komen, is het nagaan van de houding van de boeren bij de proletarische bewegingen in Duitsland gedurende de jaren 1918-1923. Meerder ervaringsmateriaal hebben we nog niet. We komen daar straks op terug.

Het feit, dat de voer tot “wapenproducent” is geworden, is van de grootste betekenis voor de proletarische revolutie. Dit wordt binnen de arbeidersklasse nog te veel uit het oog verloren. Daardoor horen we allerlei bedenkingen omtrent de tegenstand, die de boeren aan een overwinnende arbeidersklasse zullen bereide, die echter in werkelijkheid geen hout meer snijden. Ze berusten nog op een toestand, zoals die vroeger was. Zo horen we bijvoorbeeld voortdurend, dat de arbeidersklasse de boeren moet zien te “lijmen”, omdat de steden in hun voedselvoorziening van het platteland afhankelijk zijn.

Nu is dit ongetwijfeld juist. Maar de boeren zijn tegenwoordig net zo sterk van de stad afhankelijk. Leveren de boeren hun product niet aan de steden, dan zijn ze evenzeer aan de honger overgeleverd als de arbeidersklasse, hoe tegenstrijdig dat ook moge klinken. De boer moet ondanks alles zijn product verkopen, omdat hij anders zelf niet te eten heeft, omdat hij alleen verbouwt, wat hij zelf niet verbruikt en nodig heeft, wat hij zelf niet vervaardigt. Dan hoort men meestal de opmerking dat de boer z’n producten liever aan de beesten voert, dan dat hij het aan de revolutionaire arbeidersklasse overdraagt. Ook dit is een misvatting, die op de oude gang van zaken berust. De veeboer heeft alleen vee en verder niets (natuurlijk afgezien van de bijproducten), de landbouwer heeft wel granen, maar geen vee, de kippenboer heeft ettelijke honderden kippen, de groentekweker heeft alleen een beperkt aantal soorten groenten. Ze zijn allen specialisten geworden.

Dan hoort men nog de vrees uiten, dat de boer zal weigeren zijn bedrijf verder voort te zetten en tot het gesloten huisbedrijf van vroeger zal terugkeren. Ook dit kan hij niet. Ook een boer kan geen paar honderd jaar teruggaan en zelf alle producten, die hij nodig heeft vervaardigen, zoals vroegere geslachten deden, omdat hij daartoe noch de nodige vaardigheden, noch de benodigde werktuigen bezit. Nu de arbeid volkomen vermaatschappelijkt is, kan niemand meer zich daaraan onttrekken. Hoe men de zaak ook wendt of keert: de boeren zitten in de schuit en moeten mee!

c. Het landbouwproletariaat en de kleine en middelboeren in de Duitse revolutie

We willen er nu toe overgaan, de houding van de boeren in de Duitse revolutie nader te beschouwen. Daartoe is het echter noodzakelijk, met een enkel woord de algemene situatie in november 1918 weer te geven.

Toen in november 1918 de keizerlijke macht ineenstortte, was dit zeer zeker niet door de bewuste, proletarische activiteit van de massa’s. Het oorlogsfront was ineen gezakt, de soldaten deserteerden bij duizenden en in deze catastrofe wilde de Duitse marine nog een laatste grote krachtsinspanning wagen, door een hardnekkige slag tegen de Engelsen op de Noordzee te leveren. De matrozen meenden terecht of ten onrechte, dat ze hierbij allen de dood zouden vinden, wat aanleiding werd, dat op één van de oorlogsbodems massa-dienstweigering uitbrak. Eenmaal op deze weg moesten de matrozen verder, omdat anders het muitende schip door de “trouwe” troepen in de grond geschoten zou worden. Ze hesen dus de rode vlag, wat ook op de andere oorlogsschepen tot de opstand voerde. Hiermee was de verlossende daad gedaan. Met ijzeren noodzakelijkheid ontwikkelt de ene gebeurtenis zich uit de andere. De matrozen moeten verder, op straffe van door het landleger neergeschoten te worden. Ze marcheren dus naar Hamburg, om de hulp van de arbeiders in te roepen. Hoe zullen ze hier ontvangen worden? Zullen ze teruggeslagen worden?

Er was geen sprake van enige tegenstand. Bij honderdduizenden verklaarden de arbeiders zich met de matrozen solidair waarbij de activiteit zich in Arbeiders- en Soldatenraden ontlaadde. Hiermee begon de zegetocht van de revolutie over heel Duitsland. En dit was het merkwaardige: hoewel de Duitse censuur alle berichten over de Russische revolutie van november 1917 onder controle had, hoewel er in het geheel geen propaganda voor de radengedachte gemaakt was, ja, hoewel de Russische radenstructuur bij de Duitse arbeidersklasse zelfs onbekend was, had zich in de tijd van een paar dagen een heel netwerk van raden over het land gespannen.

De burgeroorlog, die nu volgde, stond in het teken van het socialisme. Aan de ene kant, de sociaal-democratie die het socialisme zag als een eenvoudige voortzetting van het concentratieproces van het kapitaal, waarbij dan de grote industrieën langs wettelijk weg in staatsexploitatie genomen zouden worden; en aan de andere het pas geboren communisme dat de “nationalisatie” alleen langs onwettige weg bereikbaar achtte. Het doel was hetzelfde, maar de weg er heen verschilde.

Hoewel de bezetting van de bedrijven in de Duitse revolutie schering en inslag was, kwam het toch nergens tot een “in inbezitname in naam van de samenleving”. Ondanks alles bleven de bedrijven overal het eigendom van de oude bezitters, zij het dan ook hier en daar onder een heel primitieve arbeiderscontrole. Dat het niet verder kwam, is te wijten aan het gebrek aan zelfbewustheid van de Duitse arbeidersklasse. De arbeiders leenden gehoor aan de Duitse contra-revolutie, die, onder leiding van de sociaal-democratie, die arbeiders van een “eigenmachtige” nationalisatie terughield. Hiertegenover was het revolutionaire deel van de arbeidersklasse, dat tot een directe onteigening wilde overgaan, nog veel te zwak. Het proletariaat bleek dus zelf nog in de vraagstukken van het communisme verdeeld te zijn en dus was de proletarische revolutie heel zwak. De revolutionaire arbeidersklasse moest al haar krachten concentreren, om zich tegen de contra-revolutie te verdedigen en kon nog niet denken aan een onteigening van de bezitters. Hier ligt voor de hand, dat daardoor de grote tussengroepen in de maatschappij, die in de revolutie gedwongen zijn, naar de overwinnaar over te lopen, vanzelf naar de contra-revolutie gedreven werden.

In de eerste plaats geldt dit voor de boeren. Als het communisme binnen het Duitse proletariaat nog zo zwak was, hoeveel zwakker moest het dan niet bij de boeren zijn. Inderdaad zien we dan ook, dat de boeren geen wezenlijke factor in de revolutie vormden. Tot een zelfstandige organisatie, die partij koos, kwam het nergens, behalve dan in Beieren, toen daar de dictatuur van het proletariaat werd afgekondigd. Ze moesten toen partij kiezen, waarbij zich merkwaardigerwijs hetzelfde verschijnsel voordeed, als binnen de arbeidersklasse: ze traden niet als gesloten eenheid op. Een deel van de boeren plaatste zich aan de zijde van de revolutie, terwijl een ander deel er zich tegenover plaatste (voorzover we weten, zijn er geen gegevens beschikbaar omtrent het karakter van de boerenbedrijven, die zich aan de zijde van de revolutie schaarden; ook ontbreken nadere verhoudingsgetallen).

Behalve in Beieren namen de boeren feitelijk geen deel aan de revolutie. Van een directe steun was in het geheel geen sprake, zelfs was de algemene stemming duidelijk antipathiek. De leuze “Het land aan de boeren” kon in Duitsland natuurlijk geen opgeld doen, doordat ook in Duitsland het klein- en middenbedrijf sterk vertegenwoordigd is. Weliswaar is er in Duitsland ook nog veel grootgrondbezit, maar ook hier vertoonden de boeren geen neiging deze goederen te verdelen. Terwijl de primitieve leuze “Het land aan de boeren” in achterlijke landbouwgebieden zulke enorme psychische krachten wist los te slaan, bleek deze leus in Duitsland met zijn op wetenschappelijke cultuur rustende grootlandbouwbedrijven geen vat te hebben.

De verklaring daarvoor moet gezocht worden in de aard van het westerse grootbedrijf, dat direct als “industrie” werkt. De grote graanlanden worden met machines bewerkt, terwijl het graan in grote magazijnen opgestapeld wordt. In de grote veegebieden zijn uitgestrekte weiden met stalinrichtingen voor honderden koeien, terwijl de melk op de eigen zuivelfabriek wordt verwerkt. De grote aardappelvelden van het noorden zijn geheel voor deze cultuur gespecialiseerd, terwijl de eigen jeneverfabriek er direct mee verbonden is. Gelijksoortige verhoudingen treffen we in Saksen aan, waar alles is ingericht voor de bouw van suikerbieten voor de eigen fabrieken in Maagdenburg.

Onder deze verhoudingen kan de leuze: “Het land aan de boeren” in de betekenis van het verdelen van de landerijen naar Russisch voorbeeld, geen voedingsbodem vinden. De boerenarbeiders zouden niet weten, wat ze er mee moesten doen. In het veegebied zouden ze wel een paar koeien met een stuk land kunnen toe-eigenen, maar hun woonhuizen zijn niet als “boerderij” ingericht, zodat ze het bedrijf van kleine veehouder toch niet zouden kunnen uitoefenen. Bovendien ontbreken de werktuigen, om hun “bezit” in kleinbedrijf te exploiteren.

Deze verhoudingen gelden voor het hele Duitse grootgrondbezit, zodat we kunnen zeggen, dat de hoog-ontwikkelde stand van de landbouw het “verdelen” van de grote goederen verhindert. De arbeiders, die er op werken, staan voor hetzelfde probleem als de industriearbeiders: ze staan voor de inbezitname in z’n geheel “in naam van de samenleving”. Het landbouwproletariaat kwam in de Duitse revolutie echter niet eens tot het stellen van het probleem. De agrarische afstandsverhoudingen bepalen, dat niet duizenden proletariërs op een klein gebied hun solidariteitsbindingen vinden, waardoor een gemeenschappelijk strijdfront heel moeilijk tot stand te brengen is. Het Duitse landbouwproletariaat kwam dan ook niet of nauwelijks tot het vormen van raden en het speelde in het geheel geen rol.

Eigenaardig is de houding, die het zogenaamde “half-proletariaat” op het land innam. In het bijzonder in Duitsland is er heel veel industrie op het platteland, een verschijnsel, dat ook in Nederland steeds sterker op de voorgrond treedt. Dit mag verband houden met de goedkope arbeidskrachten, die daar te krijgen zijn, alsmede de lagere grond- en andere lasten. Doordat de benodigde arbeiders uit de omwonende boerenbevolking gerecruteerd worden en deze in hun vrij tijd nog een aanzienlijk stuk grond bewerken, nemen ze een positie in, die we hier het “halfproletariaat” noemen. Het karakter van hun landbouwproductie is dat van het gesloten boerenbedrijf: wat van hen op de markt komt, speelt geen rol.

Het eigenaardige is nu, dat dit half-proletariaat een sterk stimulerende factor in de revolutie was, die voor niets terugdeinsde. Deze arbeiders gingen meermalen vóór in de beweging. Ze traden in staking en marcheerden naar de omliggende steden, om de beweging uit te breiden. Thüringen is hiervan een sprekend voorbeeld. Behalve dit hebben ze echter ook uitstekend werk verricht bij de voedselvoorziening van de steden. In ’t begin van de revolutie, toen de raden nog de macht in handen hadden, hielden de boeren de levensmiddelen vast, om de prijzen op te drijven. De raden uit de stad stelden zich daarop in verbinding met de raden van de plattelandsfabrieken, waarna de half-proletariërs, die met de situatie op het land volkomen vertrouwd waren, de boeren dwongen hun product tegen de geldende prijzen af te leveren (Hamburg).

Vatten we een en ander samen, dan constateren we, dat in het algemeen noch het Duitse landbouwproletariaat, noch de boer een werkzaam aandeel in de revolutie nam. Indien er reeds communistische gedachtegangen aanwezig waren, zo waren ze toch in ieder geval buitengewoon zwak, waardoor ze nog generlei uitdrukking konden vinden. De schijn is dan ook aanwezig, dat de kleine boeren bij een proletarische revolutie een afwachtende houding aannemen. In ’t algemeen zal hun houding bepaald worden door de kracht van de proletarische revolutie en door het feit, of de agrarische grootbedrijven in het communistische productieapparaat worden opgenomen.


XVI. – De economische dictatuur van het proletariaat

Tenslotte moeten we nog een enkel woord wijden aan de dictatuur van het proletariaat. Deze dictatuur is voor ons een vanzelfsprekendheid, iets waarover men feitelijk niet in het bijzonder hoeft te spreken, omdat de doorvoering van het communistisch bedrijfsleven niet anders dan de dictatuur van het proletariaat is. De doorvoering van het communistisch bedrijfsleven wil niets anders zeggen, dan de afschaffing van de loonarbeid, die doorvoering van het gelijke recht voor alle producenten op de maatschappelijke voorraden. Dat is de opheffing van alle voorrechten van bepaalde klassen. Het communistisch bedrijfsleven geeft niemand het recht, zich te verrijken ten koste van de arbeid van anderen. Wie niet werkt zal niet eten. De doorvoering van deze beginselen is in het geheel niet “democratisch”. De arbeidersklasse voert het door in de heftigste, bloedige strijd. Van een “democratie” in de zin van de samenwerking van de klassen, zoals we deze op het ogenblik in het parlementaire- en vakverenigingsstelsel kennen, kan daarbij geen sprake zijn.

Bekijken we deze dictatuur van het proletariaat echter vanuit de omvorming van de sociale verhoudingen, vanuit de wederkerige betrekkingen van de mensen, dan is deze dictatuur de werkelijke verovering van de democratie. Het communisme wil niet anders zeggen, dan dat de mensheid tot een hogere cultuurtrap overgaat, doordat alle maatschappelijke functies onder de directe leiding en controle van alle werkenden komt te staan, en daarmee hun lot in eigen handen nemen. Dat wil zeggen: de democratie is tot levensbeginsel van de samenleving geworden. Daarom is een wezenlijke democratie, die haar wortels vindt in het beheer van het maatschappelijk leven door de werkende massa’s precies hetzelfde als de dictatuur van het proletariaat.

Het was alweer aan Rusland voorbehouden, om van deze dictatuur een karikatuur te maken, door de dictatuur van de bolsjewistische partij voor de dictatuur van de proletarische klasse uit te geven. Daarmee wordt de deur voor een werkelijke proletarische democratie, het beheer en de leiding van het maatschappelijk leven door de massa’s zelf, gesloten. De dictatuur van een partij is de vorm, waarin de dictatuur van het proletariaat in werkelijkheid wordt verhinderd.

Naast de sociale betekenis van de dictatuur vatten we zijn economische inhoud in het oog. Op economisch gebied werkt de dictatuur zich zodanig uit, dat hij de nieuwe maatschappelijke regels, waarnaar het bedrijfsleven verloopt, tot algemene geldigheid brengt. De arbeiders kunnen alle maatschappelijke werkzaamheden zelf bij het communistisch bedrijfsleven inschakelen, door zijn beginselen te aanvaarden, door de productie voor de gemeenschap, onder verantwoording aan de gemeenschap, door te voeren. Alle tezamen voeren de communistische productie door.

Het ligt voor de hand, dat verschillende delen van het boerenbedrijf zich niet direct naar de regels van het communistisch bedrijfsleven zullen voegen, dat is, zich niet bij de communistische gemeenschap aansluiten. Ook is het waarschijnlijk dat verschillende arbeiders het communisme dusdanig zullen opvatten, dat ze de bedrijven wel zelfstandig willen beheren, maar niet onder controle van de samenleving. In de plaats van de private kapitalist van vroeger treedt de bedrijfsorganisatie als “kapitalist” op.

De economische dictatuur heeft daarbij de bijzondere functie het bedrijfsleven naar de algemene regels te ordenen, waarbij de maatschappelijke boekhouding in het algemene girokantoor een belangrijke functie vervult. Inde maatschappelijke boekhouding vinden we de registratie van de goederenstroom binnen het communistisch bedrijfsleven. Dat wil niets anders zeggen, dan dat degenen, die niet bij de maatschappelijke boekhouding zijn aangesloten ook geen grondstoffen kunnen krijgen. Want in het communisme wordt niets “gekocht” of “verkocht”. De producenten kunnen alleen goederen en grondstoffen van de gemeenschap krijgen voor de verdere distributie of voor verdere bewerking. Wie zijn arbeid echter niet in het maatschappelijk geregelde arbeidsproces wil inschakelen, sluit daarmee zichzelf van de communistische gemeenschap uit. Zo voert deze economische dictatuur tot een zelforganisatie van alle producenten, ongeacht of dat klein- of grootbedrijf is, of het industrieel of agrarisch is. Deze dictatuur heft zich zelf ook inderdaad direct op, zodra de producenten hun arbeid bij het maatschappelijk proces inschakelen en werken onder de beginselen van de afschaffing van de loonarbeid en maatschappelijke controle. Dit is dan ook een dictatuur, die inderdaad vanzelf “afsterft”, zodra het hele maatschappelijke leven op de nieuwe grondslagen van de afschaffing van de loonarbeid staat. Het is tevens een dictatuur, die zich niet op de punt van de bajonet voltrekt, maar die door de economische bewegingswetten van het communisme wordt doorgevoerd. Niet “de staat” voert deze economische dictatuur door, maar iets dat machtiger is dan de staat: de economische bewegingswetten.


XVII. – Slotbeschouwingen

a. De vooruitgang in onze klassendoelstelling

In de voorafgaande hoofdstukken hebben we in korte trekken de allereerste grondbeginselen van het communistische bedrijfsleven blootgelegd. We hebben doen zien, wat vrije en wat gelijke producenten zijn, wat de afschaffing van het geld, van de markt en van de loonarbeid betekenen; we hebben gezien, wat het zeggen wil, dat de communistische bedrijven geen eigenlijke inkomsten en uitgaven, geen bezittingen en schulden hebben en daarnaast gave we de nieuwe rechtsverhoudingen voor de communistische opbouw aan.

Hiermee zijn we, als arbeiders, een heel stuk in zelfbewustzijn gegroeid. Want als men de dingen nauwkeuriger beschouwt, blijkt, dat de arbeiders zelf nog nooit met een communistische doelstelling gekomen zijn. Tot nu toe vaart de arbeidersklasse mee in het zog van de intellectuelen en het beambtendom, die het communisme vanuit hun belangen bekijken. Ze praten wel over de sociale revolutie, die nieuwe sociale verhoudingen (dat zijn meteen nieuwe rechtsverhoudingen) zal scheppen, maar ze weigeren hardnekkig, deze nieuwe rechtsverhoudingen nader te ontwikkelen.

Dat is volkomen begrijpelijk. In hun gedachtegang toch zullen zij het zijn, aan wie de werkelijke leiding van het bedrijfsleven moet komen. Een nader onderzoek van de bewegingswetten van het communisme, van de opheffing van de loonarbeid, is daarom vanuit hun gezichtspunt volkomen overbodig, ja, zelfs schadelijk.

Het is dan ook geenszins toevallig, dat deze “Grondbeginselen”, die het communisme juist vanuit het gezichtspunt van de loonarbeiders onderzoeken, uit ’t hart van het proletariaat geboren zijn. Wij hebben ons als doodgewone proletariërs, die gemeenlijk het vuile werk doen, afgevraagd, hoe de belangen onzer klasse gewaarborgd zijn. Daarom hebben we geen genoegen genomen met de formule, dat de sociale revolutie nieuwe rechtsverhoudingen schept, maar we zullen zelf de inhoud van deze nieuwe verhoudingen bepalen. Dat het intellectuelen-socialisme zich tegen deze opvatting zal verzetten, spreekt vanzelf.

b. Van de geldrekening naar de arbeidstijdrekening

In hoeverre de arbeidersklasse dit verzet zal weten te breken, is op het ogenblik niet verder na te gaan, zodat we dit vraagstuk laten rusten. Wel moeten we nog een enkel woord wijden aan de overgang van de kapitalistische geldrekening naar de arbeidstijdrekening.

Hoe voltrekt zich de afschaffing van het geld? Hoe komt het bedrijfsleven op de rekeneenheid van het arbeidsuur te staan?

Om deze kwestie te benaderen, bedienen we ons van de gebruikelijke methode, door een na te gaan, wat de praktijk van het kapitalisme ons op dit gebied reeds leerde. We gaan dus geen oplossing “uitdenken”, maar we stellen de vraag aan de historie. Inderdaad hebben we dan reeds praktisch onderricht gehad, doordat verschillende landen na de oorlog [van 1914-1918] tot het invoeren van een nieuwe rekeneenheid overgegaan zijn.

Zoals bekend trad na de oorlog in de meeste landen een geweldige inflatie van het geld in. Rusland en de Europese staten verschaften zich de nodige staatsgelden door steeds meer papiergeld te doen drukken, waardoor de waarde van het geld met de dag verminderde, dat wil zeggen de prijzen van de producten met de dag omhoog sprongen. Het hele economische leven werd hiermee steeds meer ontwricht en tenslotte was het geld in sommige landen volkomen waardeloos geworden. In deze toestand moest men tot een stabilisatie van de waarde van het geld komen, wat men deed tegelijk met het invoeren van een nieuwe rekeneenheid. Zo kreeg Rusland z’n tsjernowetz in plaats van de oude roebel. Duitsland zijn goudmark, Oostenrijk z’n schilling, België z’n belga.

In het bijzonder gaf Duitsland aanschouwelijk onderwijs in het doorvoeren van een nieuwe rekeneenheid. Hier werd eenvoudig vastgesteld, dat vanaf een bepaalde datum één biljoen papiermarken (miljoen maal miljoen) de waarde van één goudmark zou vertegenwoordigen. In het bedrijfsleven begon daarmee de algemene omrekening van papiermarken in goudmarken. Het maatschappelijk leven past zich schitterend aan bij deze “grootste en moeilijkste financiële operatie, die ooit ergens beproefd werd” (The New Statesman).

Weliswaar werden hiermee ettelijke duizenden kleine bezitters onteigend, maar het grootkapitaal was gered en het bedrijfsleven kon weer op baste banen van de berekening komen.

Bij een proletarische revolutie zullen dezelfde verschijnselen zich ongetwijfeld weer voordoen. De proletarische dictatuur heeft in haar eerste bestaan ontzaglijk veel nodig, dat ze zich op dezelfde manier zal moeten verschaffen als de kapitalistische staten in 1918-1923 deden, namelijk door middel van de bankbiljettenpers. Voor het proletariaat is dit echter geen middel om het geld af te schaffen, om zo naar een geldloze samenleving te komen, zoals de Russen deden.

Stellig zou een radenregering de gesel van de inflatie, die de arbeidersklasse in het bijzonder striemt, vermijden, indien dit mogelijk zou zijn. Maar hier is geen keus. Hoe de revolutie ook verloopt, of ze zich op de baan van het staatscommunisme gaat bewegen, of op die van de associatie van vrije en gelijke producenten, of anders gezegd: of het een partij zal lukken de macht aan zich te trekken, of dat de dictatuur door de raden van de arbeiders uitgeoefend wordt, in ieder geval zal het verschijnsel van de inflatie optreden.

Daarmee loopt dan het bedrijfsleven, dat toch al ontwricht was, volkomen vast, zodat de arbeidersklasse voor het vraagstuk van de “stabilisatie”, voor het invoeren van een nieuwe rekeneenheid staat. Mist de arbeidersklasse de kracht, het communisme door te voeren, dan komt het tot een nieuwe munteenheid, tot een nieuwe geldsoort. Hebben de arbeiders de bedrijven stevig genoeg in handen, om de loonarbeid te kunnen opheffen, dan gaat het naar de afschaffing van het geld, door het arbeidsuur als rekeneenheid in te voeren. De omrekening van het in arbeidsuren geschied op dezelfde wijze als vroeger de omrekening van bijvoorbeeld papiermarken in goudmarken. Het is een eenvoudige bewerking, die ieder kan maken en daarmee kunnen alle bedrijfsorganisaties dan de productietijd voor hun product berekenen.

c. Het “sleutelgetal”

Natuurlijk zit er een moeilijkheid, om nauwkeurig vast te stellen, met hoeveel arbeidsuren bijvoorbeeld een gulden overeenkomt. We kunnen toch niet willekeurig aannemen, dat een gulden met een arbeidsuur, of met twee arbeidsuren overeenkomt. Daarom zal dit getal zo goed en zo kwaad als dit gaat, berekend moeten worden. Er moet dus nagegaan worden, hoe groot de productietijd voor een zeker product is geweest. Voor dergelijke berekeningen lenen zich het beste industrieën, die een massaproduct leveren, bijvoorbeeld: steenkool, elektriciteit, de ijzer- of kali-industrie. Uit de bedrijfsboeken kan blijken, hoeveel ton product in een bepaalde tijd werd geproduceerd, hoeveel de eigenlijke kostprijs zou zijn, als we alle franje van rente op leningen enzovoort er af dan, benevens, hoeveel arbeidsuren hierbij opgenomen werden. Uit deze gegevens laat zich dan de geldwaarde berekenen voor een “ijzer-uur”, een “kali-uur”, een “steenkooluur”, waarna met het gemiddelde van deze industrieën tezamen voorlopig als algemeen gemiddelde kan aannemen.

Blijkt zo, dat dit gemiddelde ligt op 80 cent = 1 arbeidsuur, dan kan ieder bedrijf een voorlopige productietijd voor zijn product bepalen. In alle bedrijven kan men nu de hele inventaris in arbeidsuren omrekenen, door alle geldbedragen, die in guldens zijn uitgedrukt met 1¼ te vermenigvuldigen. Dit getal is het sleutelgetal.

De berekening voor ons schoenenbedrijf ziet er nu dus als volgt uit:

p=verbruikte werktuigen, gebouwen enzovoortƒ 1.000=1.250 arbeidsuren
g=leer, enzovoortƒ 49.000=61.250 arbeidsuren
a=gewerkte uren =62.500 arbeidsuren
p + g + a=125.000 arbeidsuren

Hiermee werden volgens onze vroegere aanname 40.000 paar schoenen gemaakt, zodat de gemiddelde productietijd 3,125 uur per paar schoenen bedraagt.

We willen geenszins zeggen, dat het sleutelgetal of “indexcijfer” op de boven aangegeven wijze gevonden moet worden, we zeggen alleen, dat het zo kan. Hier voeren vele wegen naar het doel. Nauwkeurig is het eerste sleutelgetal echter niet te berekenen, we kunnen alleen trachten het zo dicht mogelijk te benaderen. Zodra de rekening algemeen doorgevoerd is, komen de werkelijke productietijden als heel spoedig voor de dag (87).

d. Utopisme

Hiermee willen we onze studie dan voorlopig afsluiten. Zeer zeker is het onderwerp niet uitgeput, maar we bedoelen ook niet méér, dan de discussie omtrent het communisme op een nieuwe grondslag te brengen, om tot een gemeenschappelijke, proletarische doelstelling in de arbeidersbeweging te komen. Om deze discussie tot haar recht te doen komen, wijzen we op het utopische karakter van de constructies omtrent socialisme, zoals we deze in het gildensocialisme van Cole (88) en in de socialisatierapporten (89) kennen. Men maakt projecten, hoe men verschillende industrieën wil organiseren, hoe men door bepaalde commissies en raden, de tegenstelling van producent tot consument zal opheffen, door welke organen de macht van de staat beknot zal worden enzovoort enzovoort. Komt zo’n schrijver bij z’n fantastische buitelingen in de knel, ontstaat bij de theoretische beschouwingen een moeilijkheid betreffende de samenwerking tussen verschillende industrieën, … de oplossing is direct gevonden, … we stellen een commissie in … om de zaak op te lossen. Aldus het gildensocialisme bij Cole, waardoor al deze beschouwingen alleen kool zijn.

De organische opbouw van het productie- en distributieapparaat is altijd afhankelijk van de economische wetmatigheden, waarop het zich beweegt. Alle beschouwingen over deze opbouw zijn daarom frases, zolang de economische begrippen, waarop deze opbouw rust, niet zijn blootgelegd. Het is alles utopie, dat de aandacht van de werkelijke grondproblemen afleidt.

In onze beschouwingen hebben we ons volkomen aan de economische wetmatigheden gehouden. Wat de organisatorische opbouw betreft, zo wezen we op de bedrijfsorganisaties, en de coöperaties, waartoe we gerechtigd waren, omdat de historie hier reeds uitspraak gedaan heeft. De organisatie van de boeren hebben we met de meeste restrictie behandeld, omdat juist West-Europa op dit gebied heel weinig ervaring gebracht heeft. Voor het boerenbedrijf hebben we daarom alleen aangegeven, hoe het kapitalisme ook hier de voorwaarden geschapen heeft voor de berekening van de productietijd van de producten.

Aan verdere organisatorische opbouw zijn we ons niet te buiten gegaan. Hoe de bedrijfsorganisaties zich verbinden, welke organisaties ze in het leven roepen, om de productie “glad” te doen verlopen, dit wordt alles door de bijzondere verhoudingen bepaald en kan daarom niet vooraf onderzocht worden.

e. Samenvatting

Vatten we onze beschouwingen kort samen, dan komen we tot het volgende beeld:

De basis van deze onderzoekingen vinden we in het empirische feit, dat de productiemiddelen zich bij de overname van de macht in handen van de bedrijfsorganisaties bevinden. De kracht van de communistische gezindheid, welke weer samenhangt met de helderheid van inzicht, wat met deze productiemiddelen gebeuren moet, zal bepalen, of zij ze ook zullen houden. Houden zij ze niet, dan gaat het naar het staatscommunisme, dat echter de loonarbeid niet kan afschaffen. Houden zij ze wel, dan kunnen zij productie en consumptie enkel en alleen ordenen op de grondslag van de maatschappelijk gemiddelde productietijd onder afschaffing van het geld. Zeker is het ook mogelijk, dat er zulke krachtige syndicalistische tendensen aanwezig zijn, dat de arbeiders zullen beproeven, de bedrijven in eigen beheer te nemen, om ze zoveel als hun “bezit” te beschouwen, om de “volle opbrengst van de arbeid” onder het bedrijfspersoneel te verdelen. Deze soort “communisme” kan het geld niet afschaffen en voert langs de weg van het gildensocialisme naar het staatskapitalisme. Voor ons ligt daarom het zwaartepunt van de proletarische revolutie in het leggen van een vaste verhouding van de producent tot het maatschappelijk product, wat alleen mogelijk is bij de doorvoering van de arbeidstijdrekening in productie en consumptie. Het is de hoogste eis, die het proletariaat stellen kan, … maar tegelijk ook de laagste. Het is een machtsvraag bij uitnemendheid, die enkel en alleen het proletariaat, zonder de hulp van andere maatschappelijke groepen, heeft uit te vechten.

Het houden van de bedrijven ziet dus op het zelfstandige beheer en leiding van het bedrijf. Het is tegelijk de enige voorwaarde, waarop de arbeidstijdrekening werkelijk doorgevoerd kan worden. Een ware stroom van literatuur, vooral uit Engeland, Amerika en Duitsland, komt bewijzen, hoe het kapitalisme de berekening van de productietijd van de producten voorbereidt (de moderne kostprijsberekening). In het communisme gaat de berekening van p + g + a gewoon door, net als in het kapitalisme, alleen met andere rekeneenheid. In dat opzicht draagt de oude maatschappij de nieuwe orde in haar schoot. De verrekening tussen de bedrijven gaat in het communisme door de algemeen maatschappelijke boekhouding, over het girokantoor, … evenals nu. Ook hier baar het kapitalisme de nieuwe orde. De samentrekking van de bedrijven is een proces, dat zich ook heden voltrekt, al is het ook waarschijnlijk, dat de groepering van de bedrijven een andere zal zijn, aangezien de samenvatting zich naar andere gezichtspunten voltrekt. De bedrijven, die we het AMA-type noemden, de “openbare bedrijven”, is het op communistische leest schoeien van takken van bedrijf, die heden ook aanwezig zijn, maar als instrumenten van de klassenstaat fungeren. Ze worden losgemaakt van de staat en bij de samenleving ingevoegd. Wel is er nog een staat aanwezig, omdat de bourgeoisie wel verslagen, maar nog niet verdwenen is. De staat staat nu echter duidelijk voor ieder zichtbaar als orgaan ter onderdrukking van de contra-revolutie, … maar hij heeft in de productie of distributie niets te zoeken. Hiermee zijn dan tegelijk de voorwaarden gegeven, waarop de staat inderdaad “afsterven” kan.

Het losscheuren van de openbare bedrijven van de staat, het inschakelen van deze bedrijven in het geheel van de planmatige productie, stelt meteen de eis, dat berekend moet worden, hoeveel maatschappelijk product nog individueel gedistribueerd moet worden, waartoe we de uitbetalingsfactor vonden.

Stellen we hier het staatscommunisme, of wat hetzelfde is, het staatskapitalisme, tegenover, dan valt direct in het oog, dat er van een exacte verhouding van producent tot maatschappelijk product geen sprake kan zijn. De arbeider is staatsarbeider en ontvangt zijn arbeidsloon van de staat. De hoogte van dit loon wordt door de collectieve contracten met de vakverenigingen bepaald. De leiding van de productie berust in de handen van de staatsbureaucratie, waarbij dan aan de producenten “medezeggenschap” wordt gewaarborgd door middel van de vakverenigingen. Daarmee wordt dan de democratie tot dekmantel waarachter zich de werkelijke overheersing van de miljoenen verbergt, juist als onder het kapitalisme.

f. Centralisme – Federalisme

Wijzen we dus de opvattingen, waarnaar het bedrijfsleven vanuit een centraal punt beheerd en geleid wordt van de hand, zo betekent dit geenszins, dat we op uitsluitend federatieve grondslag komen te staan. Waar beheer en leiding van de productie bij de massa’s berust, zijn ongetwijfeld sterke federalistische tendensen aanwezig. Echter, bekeken vanuit de algemene maatschappelijke boekhouding in het economische leven van één ononderbroken geheel en hebben we één centrum, van waaruit de productie weliswaar niet beheerd en geleid, maar zeker wel overzien kan worden. Het feit, dat alle omvormingen van de menselijke energieën in het bedrijfsleven in één lichaam tot registratie komen, is de hoogste samenvatting van het economisch gebeuren. Of men het federalistisch of centralistisch noemen wil, hangt slechts daarvan af, van welke kant men hetzelfde ding ziet. Het is zowel het een als het ander, waardoor deze begrippen voor het productieproces als geheel hun zin verloren hebben. De tegenstelling centralisme-federalisme is in een hogere eenheid opgeheven, hun productieorganisme is geworden tot organische eenheid.


Aanhangsel

Hier volgen enige aantekeningen, die we bij ons onderzoek naar de ontwikkeling in Rusland maakten. We drukken ze hierbij af, omdat de lezer er misschien zijn nut van kan hebben.

Het verloop van de nationalisatie in Sovjet-Rusland van november 1917-1921

7 november 1917 (90)De Bolsjewiki maken zich meester van de regering.
Pjatakov (91) wordt directeur van de staatsbank.
14 november 1917Decreet op de arbeiderscontrole.
De arbeiders mogen geen bedrijven op eigen initiatief onteigenen en ze mogen zich niet in de dagelijkse leiding van het bedrijf mengen.
30 november 1917Oprichting van de Raad voor Arbeid en Verdeling (STO).
5 december 1917Oprichting van de Opperste Economische Raad.
Samengesteld uit de vakverenigingen, bedrijfscomité’s, specialisten en leden van de regering.
Het mijnbedrijf van Sergief en de Poetilov-fabriek worden genationaliseerd.
19 december 1917Internationale Slaapwagenmaatschappij genationaliseerd.
27 december 1917Decreet tot nationalisatie van de banken.
3 januari 1918Decreet betreffende nationalisatie van de bedrijven.
Ze kunnen alleen door de Opperste Economische Raad genationaliseerd worden en wel:
1. Als ze van groot belang voor de staat zijn;
2. als de ondernemers de maatregelen betreffende de arbeiderscontrole niet in acht willen nemen;
3. als de ondernemers het bedrijf sluiten, of verlaten.
26 januari 1918Nationalisatie van het transport te water en van de graandepots.
28 januari 1918Decreet tot annulering van de staatsschulden.
17 februari 1917Elektriciteitswerk genationaliseerd.
18 februari 1918Congres van bedrijfsraden en vakverenigingen.
Er wordt besloten, dat de beweging van de bedrijfsraden aan de vakverenigingen ondergeschikt zal zijn.
27 februari 1918Chaudoir Company genationaliseerd.
2 maart 1918Vrede van Brest-Litovsk.
3 maart 1918Mijnbedrijf in Novorossisk en een walswerk in Yuzovka genationaliseerd.
April 1918Staatsmonopolie voor lucifers, koffie, specerijen en garen.
23 april 1918Staatsmonopolie voor de buitenlandse handel.
Mei 1918Ie Congres van de Economische Raden.
Er wordt nog eens de nadruk op gelegd, dat “eigenmachtige” nationalisatie verboden is.
De suikerindustrie komt onder beheer van de Opperste Economische Raad.
Juni 1918De olieindustrie komt onder beheer van de Opperste Economische Raad.
28 juni 1918Decreet tot nationalisatie van alle bedrijven met meer dan één miljoen grondkapitaal.
Verder alle mijnen, spoorwegen, rubber en cellulose-fabrieken. Dit decreet staat in tegenstelling tot het Ie Congres van de Economische Raden, dat het aan de staat brengen heel langzaam wilde doorvoeren. De nationalisatie was voorlopig echter zuiver formeel, want de bezitters hielden de bedrijven in “kosteloos pacht- en vruchtgebruik”. De specialisten worden voor het eerst “dienaren van de republiek” genoemd. Ze blijven op hun oude plaatsen en op hun oude salaris.
Juli 1918Begin van de contra-revolutie.
Feitelijk begon de contra-revolutie al iets eerder. 29 mei – opstand van de Tsjecho-Slowaken in de Oeral. 30 mei – Staat van beleg in Moskou. 6 juli – Gewapende opstand van de links-revolutionairen in Moskou. 29 juli – Begin van de interventie van de Geallieerden bij Moermansk. 30 juli – De Tsjecho-Slowaken veroveren Kazan. 5 september – Aanslag op Lenin. Begin van de Rode Terreur.
21 augustus 1918De particuliere handel wordt opgeheven.
De Narcomprod (92) moet zorgen voor het verkrijgen en het verdelen van de consumptiegoederen. Deze functie wordt hiermee onttrokken aan de Opperste Economische Raad, die nog nog maar alleen belast is met de zorg voor productiemiddelen en grondstoffen.
December 1919 (93)De industrie is zo goed als geheel genationaliseerd.
Oktober 1919Aantal ondernemingen in de eindindustrieAantal arbeiders
6.6751.185.000
Oktober1919genationaliseerd 2.522750.000
April 1920genationaliseerd 4.141983.000
20 november 1920De Opperste Economische Raad nationaliseert alle bedrijven met mechanische kracht, die vijf of meer arbeiders tellen en alle bedrijven zonder mechanische kracht, die tien of meer arbeiders tellen.

Het verloop van de boerenbeweging in Rusland van 1917 tot 1921

Het verloop van de boerenbeweging van maart 1921 kan men verdelen in vier perioden. Dit zijn: de Eerste Boerenrevolutie, de Tweede Boerenrevolutie, Pogingen de landbouw te socialiseren door sovchozen en kolchozen (94) en tenslotte, het Staatsproductieplan.

Bij de Eerste Boerenrevolutie verdelen de boeren de grond, waarbij de armste boeren het minste namen. Dit was een volkomen “natuurlijke” verdeling, omdat de arme boer geen werktuigen bezat, om het land te bewerken. Wie over paard en ploeg en opslagplaatsen beschikte, kon meer land in bewerking nemen. Het bleek echter, dat de beter gesitueerde boeren geen graan wilden afstaan aan de regering voor de voedselvoorziening in de steden. Ze verborgen de voorraden. Daarom gingen de Bolsjewiki er toe over, de arme boeren er voor te spannen. Ze stichtten de comité’s van de dorpsarmoede, die de voorraden in beslag moesten nemen. Daarmee zette de Tweede Boerenrevolutie in. ’t Gevolg was, dat de opbrengst van de landbouw nog verder achterliep. Het werden boerderijen, die geen van alle iets opbrachten. Bovendien leverden de comité’s van de dorpsarmoede ook geen graan af. Onder die omstandigheden werden de comité’s van de dorpsarmoede al heel spoedig opgeheven en oriënteerde men zich weer op de “middelboer”. Daarmee zet dan de derde periode in. De pogingen tot socialisatie door kolchozen en sovchozen mislukten toen echter volkomen. Ossinski sloeg daarom een nieuwe boerenpolitiek voor, namelijk om alle boerenbedrijven naar staatsvoorschrift onder centrale staatsleiding te laten werken. Dit voerde in drie maanden tot ernstige boerenopstanden en daar tot een volkomen fiasco van het staatsproductieplan.

Hier volgen nog enige gegevens, die op de boerenbeweging betrekking hebben.

Eerste Boerenrevolutie
7 november 1917De Bolsjewiki maken zich meester van de regering.
9 november 1917Decreet tot onteigening van de grondbezitters.
Dit was de grondslag voor de zogenaamd “Smytschka”; het bondgenootschap van de boeren met het proletariaat uit de steden.
“De boeren verdelen de grond, waarbij niet de armste, maar de best-gesitueerde boeren het grootste deel krijgen” (Varga).
18 februari 1918Grondwet betreffende de bodem.
Het program van de sociaal-revolutionairen wordt overgenomen.
9 mei 1918De Narcomprod (Raad voor voedselvoorziening) krijgt het recht, de graanvoorraden bij de boeren in beslag te nemen, wat ze reeds op 13 mei uitvoert.
Tweede Boerenrevolutie
11 juni 1918Decreet betreffende organisatie van de comité’s van de dorpsarmoede.
Ze krijgen het recht van staatsorganen en mogen de voorraden van de welgestelde boeren in beslag nemen, om ze tegen industrieproducten aan de steden te leveren. Ze kunnen welgestelde boeren ook onteigenen en de productiemiddelen verdelen. Daarmee treedt de verdere vernietiging van de productieve bedrijven in.
21 augustus 1918De private handel wordt geheel verboden.
December 1918De comité’s van de dorpsarmoede worden opgeheven.
Ze beantwoorden niet aan het doel, doordat ze het graan met zomin aan de stad afleveren als de welgestelde boeren. Daarom moet voortaan het graan gerekwireerd worden met “75 man en 3 machinegeweren”.
Vruchteloze pogingen tot sovchozen en kolchozen
Maart 1919Achtste Partijdag. Loslaten van de dorpsarmoede.
De middelboer wordt tot “centrale figuur” (Lenin).
Van 1919 tot 1920Pogingen tot socialisatie door sovchozen en collectieven.
In 1919 werden 2.500 boerderijen tot Sovjet/bedrijven (Sovchozen) omgevormd. Ze leverden echter niet veel op, omdat ze nagenoeg de hele opbrengst zelf verbruiken.
December 1919De contra-revolutionaire legers zijn definitief verslagen.
26 januari 1920De Entente (95) heft de blokkade op.
Februari 1920Trotski verlangt, dat de rekwisities door een belasting in natura vervangen zal worden.
Afgewezen, omdat men hierin een concessie aan de koelakken (welgestelde boeren) en een stap naar de vrije handel terug zag.
Staatsproductieplan voor de landbouw
November 1920Het Achtste Sovjetcongres besluit tot algehele socialisatie van de landbouw.
De achttien miljoen boerenbedrijven worden onder één centrale leiding gebracht, welke een productieplan uitwerkt, waarbij is vastgesteld, wat, hoeveel en waar gezaaid zal worden. Ossinski was de drijvende kracht voor dit plan, omdat volgens hem de socialistische opbouw van de agricultuur langs de weg van de sovchozen en kolchozen onmogelijk gebleken was. Ossinski vaardigt het desbetreffende decreet uit. ’t Plan liep op een volkomen fiasco uit. De boeren beantwoordden het met ernstige opstanden, welke in de opstand van Kronstadt (96) uitmonden.
21 maart 1921Invoering van de Nieuwe Economische Politiek (N.E.P.).

Enige aantekeningen betreffende het goederenvervoer

7 mei 1918Begin van de “communistische zaterdagen”
8 augustus 1918Decreet betreffende de warenruil met de boeren.
De geleverde industrieproducten moeten met minstens 85% in landbouwproducten betaald worden, terwijl hoogstens 15% in geld is toegestaan. Vastgestelde prijzen.
Januari 1919Afschaffing van het briefport.
20 februari 1919Decreet betreffende het goederenvervoer tussen de staatsbedrijven zonder bankoverschrijving of verrekening.
Maart 1919Achtste Partijdag – De bevolking wordt gedwongen zich in verbruikscoöperaties aaneen te sluiten.
Tot nu toe waren in iedere stad twee coöperaties: een burgerlijke en een proletarische. Deze werden nu tot “verbruikscommunes” verenigd, welke in de Centrosojus (centrale coöperatie) werden samengevat onder leiding van de Narcomprod kwamen.
1 juni 1919Invoering van het kosteloos goederenvervoer per spoor.

Belangrijkste geraadpleegde literatuur

H. BlockDie marxsche Geldtheorie / Dr. Herbert Block. – Jena : Gustav Fischer, 1926. –145 S.
G.D.H. ColeSelbstverwaltung in der Industrie  G.D.H. Cole. – Berlin : Hans Robert Engelman, 1921. – xix, 271 p.
H. CunowDie marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie ; Grundzüge der Marxschen Soziologie, Band I / Heinrich Cunow – Berlin : Buchhandlung Vorwärts, 1920 – 346 p.
M. Dobb (97)Russian economic development since the Rtion // Maurice Dobb – London : G. Routledge, 1928.
S. FaureHet universeele geluk (mijn kommunisme) / Sebastien Faure. – Zandvoort : Roode Bibliotheek, 1921. – 395 p.
Groep van Internationale CommunistenOntwikkelingslijnen in het boerenbedrijf. – In: De Nieuwe Weg. – Jrg. 1930
A. GoldschmidtWirtschaftsorganisation Sowjet-Russlands / Alfons Goldschmidt. – Berlin : Rohwoltverlag, 1920. – 306 p.
R. HilferdingDas Finanzkapital / Rudolf Hilferding – 2. Auflage. – Wien, 1929. – (1. Auflage 1910).
E. HornDie ökonomische Grenzen der Gemeinwirtschaft / Erich Horn. – Halberstadt : H. Meyers Buchdruckerei, 1928.. – viii, 78 p.
K. KautskyDie proletarische Revolution und ihr Programm  Karl Kautsky. – Stuttgart : Dietz, 1922. – 338 p.
O. LeichterDie Wirtschaftrechnung in der sozialistischen Gemeinschaft / Otto Leichter – Wien  Volksbuchhandlung, 1923. – 109 p.
LeninStaat en revolutie. De leer van het marxisme over den staat en over de taak van het proletariaat in de revolutie / Lenin, vertaald door H[erman]. Gorter. – Amsterdam : J.J. Bos, 1919. – 140 p.
Die nächste Aufgaben der Sowjetmacht, 1918 [Lenin, Werke, Bd. XXVII, Berlin : Dietz Verlag, 1978. – p. 249-250]
Die drohende Katastrophe und wie soll man sie bekämofen / N. Lenin. – Wien : Verlag der Arbeiter-Buchhandlung, 1920. – 49 p.
K. MarxHet communistisch Manifest
Das Kapital
Randglossen zum Programm der deutschen Arbeiterpartei 1875 – in Programmkritiken – Elementarbücher des Kommunismus – Band 12.
L. MisesDie Gemeinwirtschaft ; Untersuchungen über den Sozialismus. – 2. Auflage. – Jena : Verlag von Gustav Fischer, 1932. – (Oorspronkelijke uitgave : Jena : Verlag von Gustav Fischer, 1922).
A. Muller LehningAnarcho-Syndicalisme / Arthur Müller Lehning. – Amsterdam : Gemengd Syndicalistisch Verbond, 1927. – 31 p.
O. NeurathWirtschaftsplan und Naturalrechnung ; Von der Sozialistischen Lebensordnung und vom kommenden Menschen / Otto Neurath. – Berlin : E. Laub’sche Verlagsbuchhandlung G.m.b.H., 1925. – 114 p.
F. PollockDie planwirtschaftlichen Versuche in der Sowjet-Union 1917-1927 – Hirschfeld – 1929
E. VargaDie wirtschaftpolitischen Probleme der proletarischen Diktatur / Evgenij S. Varga. – Hamburg : Carl Hoym Nachf., 1921. – 158 p.
La Révolution prolétarienne – Juli 1931

Noten van de G.I.C.

20. Men zie hiertoe ook hoofdstuk XI – De Opheffing van de markt [voetnoot van de G.I.C.].

23. Men zie: “g. De waarde van de arbeidskracht in het kapitalisme volgens Marx” [voetnoot van de G.I.C.].

26. Een nadere beschouwing over de beweging van de lonen kan men vinden in de brochure “De beweging van het kapitalistisch Bedrijfsleven” – IIe Hoofdstuk over: “De marxistische loonwetten” (Uitgave: G.I.C.) [voetnoot van de G.I.C.].

57. We nemen Rusland niet tot voorbeeld, omdat dit in zo’n klein bestek niet goed mogelijk is. In principe komt het echter op hetzelfde neer [voetnoot van de G.I.C.].

60. Bij deze beschouwing gaan we, zoals steeds, van de toestand uit, dat het bedrijfsleven “planmatig” verloopt en geen bijkomstige stoornissen intreden. Dat is de enige mogelijke manier, het wezen van de zaak te begrijpen en zo tot een klare begripsvorming te komen [voetnoot van de G.I.C.].

62. De gegevens over de militarisering van de arbeid zijn ontleend aan Pollock, blz. 57-58 [voetnoot van de G.I.C.].

66. Zie X. g. De uitbetalingsfactor [voetnoot van de G.I.C.].

69. Zie hiertoe bijvoorbeeld: Lenin, Verzamelde Werken, Band XX, blz. 226, Waarom controle op de productie? De inkomsten van de kapitalisten en van de loonarbeiders, geschreven 8 juli 1917 [voetnoot van de G.I.C.]. Bedoeld mogelijk: Wie die Herren Kapitalisten ihre Gewinne verschleiern (Zur Frage der Kontrolle). – Werke / W.I. Lenin. – Bd. 25. – p. 133-134.

86. Ook afgedrukt in De Nieuwe Weg, Jaargang 1930 [voetnoot van de G.I.C.].

87. In Rusland deed zich een overeenkomstig verschijnsel voor. Gedurende het zogenaamde “oorlogscommunisme” rekenden de bedrijven niet meer met geld. Toen er weer waardevast geld ingevoerd zou worden in 1921, wisten de bedrijven niet, hoeveel hun product eigenlijk kostte. Ze zetten de prijzen daarom maar willekeurig vast, waarbij ze meestal de vooroorlogsprijzen als grondslag namen. Zodoende zien we in 1922-1923 een gemiddelde voor de groothandelsprijzen van 122 (22% boven die van 1913), maar deze prijzen bleken al heel gauw volkomen onjuist. Ze liepen heel snel omhoog en bereikten in het volgende jaar al een gemiddelde van 170 [voetnoot van de G.I.C.].


Redactionele noten

1. Deze uitgave is naar de tweede en tevens laatste door de G.I.C. zelf verzorgde gestencilde uitgave uit 1935. Voor een transcriptie van de derde druk uit 1950: zie: Marxistst.org; voor facsimiles van het origineel uit 1935, zie: aaap.be. De spelling is hier gemoderniseerd; kleine drukfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd, grotere in noten aangegeven; enkele stijlcorrecties zijn aangebracht; zo is de tweede naamval als regel afgeschaft (“der” werd bijvoorbeeld “van de”, “zijner” “van zijn”); typografisch had de G.I.C. enkel de typemachine ter beschikking, zonder cursief; hier zijn g e s p a t i e e r d, GEHOOFDLETTERD en onderstreept zonder onderscheid als cursief weergegeven, dubbele en driedubbele beklemtoningen zijn voor de leesbaarheid veronachtzaamd; afkortingen zijn waar nuttig voluit geschreven; getallen waar nuttig in woorden uitgeschreven; weglatingen in citaten zijn weergegeven door “[…]”. Verder is in delen van de tekst de overvloed aan komma’s geschrapt en de volgorde van hulpwerkwoord na het voltooid deelwoord omgekeerd; ook is de verwisseling van schijnen/blijken, doen/maken, doen/laten en dergelijke, die in delen van de tekst voorkomt, gecorrigeerd; in de lijst van geraadpleegde literatuur zijn de titelbeschrijvingen uitgebreid.

2. Dirk Jan Struik (1894-2000), Nederlands-Amerikaans wiskundige en wetenschapshistoricus, studeerde 1912-1917 wiskunde te Leiden; sinds 1919 lid van de C.P.H., beïnvloed door Anton Pannekoek, vertrok in 1926 naar de Verenigde Staten, in de jaren 1950 tijdens de McCarthy-processen er van beschuldigd een Russische spion te zijn; schreef A Concise History of Mathematics (1948, Korte geschiedenis van de Wiskunde, 1988).

3. Weichsel: Duitse naam van de huidige Poolse rivier Wisła die langs Warschau stroomt.

4. Franz Mehring (1846-1919), Duits socialistisch journalist en geschiedkundige; aanvankelijk liberaal; sinds 1891 lid van de SPD, 1902-1907 hoofdredacteur van de Leipziger Volkszeitung, 1906-1911 leraar aan de partijschool te Berlijn waar ook Anton Pannekoek en Rosa Luxemburg les gaven, in 1916 mede-oprichter van de Spartacusbund; 1917-1918 lid van het Pruisische parlement.

5. Herman Gorter (1864-1927), zie: An inventory of the writings of Herman Gorter, en: Notes and letters by Herman Gorter.

6. Uit de bundel De arbeidersraad, II, X; gewijzigd in: Verzamelde Werken, Deel VIII, Laatste Gedichten. – Herman Gorter, [verzorgd door Garmt Stuiveling]. – Amsterdam : Em. Querido ; Bussum : C.A.J. van Dishoeck, 1952. – 292 p. – p. 143.

7. Productieregels: Duits: Produktionsbedingungen = produktievoorwaarden.

8. Deze zin is ingevoegd in de tweede Nederlandstalige druk uit 1935.

9. Lenin (Vladimir Iljitsj Oeljanov, 1870-1924), overbekend Russisch revolutionair.

10. Het volledig citaat luidt:
“Een geestige Duitse sociaaldemocraat uit de zeventiger jaren van de vorige eeuw [wie?] heeft de posterijen een voorbeeld van socialistische bedrijfsvoering genoemd. Dat is zeer juist. Tegenwoordig zijn de posterijen een bedrijf dat naar het voorbeeld van het staats-kapitalistische monopolie is georganiseerd. Het imperialisme verandert gaandeweg alle trusts in organisaties van deze soort. Boven de ‘eenvoudige’ werkenden die zich afjakkeren en gebrek lijden, staat hier een eendere burgerlijke bureaucratie. Maar het mechanisme van de maatschappelijke bedrijfsvoering is hier reeds klaar voorhanden. Breng het kapitalisme ten val, breek met de ijzeren vuist van de gewapende arbeiders het verzet van deze uitbuiters, vernietig de bureaucratische machine van de tegenwoordige staat – en voor ons staat een van het ‘parasietendom’ bevrijd, technisch hoog ontwikkeld mechanisme, dat de verenigde arbeiders zelf zeer wel in beweging kunnen zetten wanneer zij technici, opzichters en boekhouders aanstellen en de arbeid van hen allen, evenals de arbeid van alle ‘staats’-ambtenaren met arbeidersloon betalen. Dit is een concrete praktische taak die, wat alle trusts betreft, terstond te verwezenlijken is en waarbij de werkenden van de uitbuiting worden bevrijd en de ervaringen worden verwerkt van wat de Commune in de praktijk reeds begon te verwezenlijken (in het bijzonder op het gebied van de staatsopbouw).
Ons naastbijliggende doel is de gehele volkshuishouding naar het voorbeeld van de posterijen te organiseren en wel zo dat de onder controle en leiding van het gewapende proletariaat staande technici, opzichters en boekhouders, alsmede alle ambtenaren niet meer salaris krijgen dan het ‘arbeidsloon’. Dat is de staat, dat is de economische grondslag van de staat die wij nodig hebben. Dat zal ons de afschaffing van het parlementarisme en het behouden van vertegenwoordigende lichamen tot stand brengen en zal de werkende klassen bevrijden van de prostituering van deze lichamen door de bourgeoisie.”
(Staat en Revolutie / Lenin. – In: Keuze uit zijn werken, Deel 2. – Moskou : Uitgeverij Progres, 1973. – Hoofdstuk II, Staat en revolutie. – De ervaring van de Commune van Parijs van 1871. – De analyse door Marx - 3. Het afschaffen van het parlementarisme, p. 505-506; Lenin, Werke, Bd. 25, p. 439-440).

11. Parvus (Israil Laserewitsch Helphand, 1867-1924), russisch revolutionair.

12. Rudolf Hilferding (1877-1941 in een Gestapo-gevangenis in Parijs), Duits politicus, schrijver en econoom in de school van het austro-marxisme; tijdens de Weimar-Republiek was hij in 1923 en 1928-1929 Rijksminister van Financieën; hoofdwerk: Das Finanzkapital, 1910.

13. Heinrich Cunow (1862-1936), leraar ethnologie, in 1919 voor de S.P.D. afgevaardigde in de Nationale Vergadering van Weimar en 1921-1924 afgevaardigde in de Preusische Landdag, sinds 1898 redacteur van Die Neue Zeit, tevens redacteur van Vorwärts sinds 1902, sinds 1907 leraar aan de partijschool te Berlijn; in augustus 1914 tegen de oorlogskredieten, maar veranderde van opvatting in oktober 1914, na 1924 steeds minder politiek aktief; in 1933 raakte hij zijn pensioen kwijt en zijn geschriften werden verbrand.

14. Wilhelm Philipp Martin Christian Ludwig Liebknecht (1826-1900), één van de grondlegger van de Sociaal-Democratische Partij van Duitsland, radicaal democratisch revolutionair in 1848, in ballingschap in Zwitserland 1849-1862, vanf 1850 in Engeland, lid van de Bond van Communisten; terug in Duitsland in de Rijksdag tegenover Otto von Bismarck; verder leraar, journalist en redacteur.

15. Deze tussenkop ontbreekt in de tweede Nederlandstalige druk, en is hier weer tussengevoegd.

16. Alfons Goldschmidt (1879-1940), journalist en leraar aan een hogeschool; reisde vanaf 1920 vooral tussen de Sowjet-Unie en Latijns-Amerika.

17. Nederlands: “een”, Duits: “keine”, gecorrigeerd in het Nederlands.

18. Franz Oppenheimer (1864-1943), Duits socioloog en econoom; Zur Theorie der Vergesellschaftung / von Franz Oppenheimer. – In : Wege und Ziele der Sozialisierung / Hermann Beck. – Berlin : E. Berger (Herausgegeben im Auftrag des Bundes Neues Vaterland), 1919, S. 14-18.

19. Hermann Beck.

22. Eugen Varga (1879-1964), Hongaars revolutionair, studeerde filosofie en economische geografie in Boedapest, behoorde voor de Eerste Wereldoorlog tot de kring van Otto Bauer, Karl Kautsky en Rudolf Hilferding; tijdens de Hongaarse Soviet-Republiek in 1919 was hij korte tijd minister van financiën om vervolgens naar Wenen te vluchten en in 1920 naar de Sovjet-Unie te gaan, waar hij specialist van de Comintern werd in economische en agrarische vraagstukken; van 1922-1927 werkte hij bij de Sovjet-ambassade in Berlijn, om later economisch adviseur van Joseph Stalin te worden; nam deel aan de Conferentie van Potsdam in 1945; raakte vervolgens in diskrediet vanwege zijn stelling dat het kapitalisme stabieler was dan verondersteld.

24. “De arbeid is niet de bron van alle rijkdom. De natuur is evenzeer de bron van de gebruikswaarden (en daaruit bestaat toch immers de zakelijke rijkdom!) als de arbeid, die zelf slechts de uiting is van een natuurkracht, van de menselijke arbeidskracht.”
(Kritiek op het Program van Gotha / Karl Marx – Tweede druk. – Amsterdam, Uitgeverij Pegasus, 1972. – p. 17 (eerste Nederlandstalige uitgave Amsterdam : Pegasus, 1935); MEW, Bd. 19, p. 15).

25. “Het stuur ontglipt aan de handen: schijnbaar zit daar een mens die de wagen stuurt, maar de wagen rijdt niet daarheen waarheen hij gestuurd wordt, maar daarheen waar een ander hem stuurt – iemand, die illegaal is, wederrechtelijk handelt, die van God weet waar komt, speculanten of privaat-kapitalisten, of beide tegelijk –, in ieder geval rijdt de wagen niet helemaal en slechts zelden zo als degene die aan het stuur van deze wagen zit, zich inbeeld. Dat is het wezenlijke dat men bij het vraagstuk van het staatskapitalisme in het oog moet houden. […] Men neme slechts Moskou – de 4.700&nsp;verantwoordelijke communisten – en daarbij dat bureaucratisch gedrocht, die menigte, wie leidt daar en wie wordt er geleid? Ik betwijfel sterk, of men zou kunnen zeggen dat de communisten deze menigte leiden. Om de waarheid te zeggen, ze leiden niet, maar ze worden geleid.”
(XI. Parteitag der KPR(B), Politischer Bericht des Zentralkomitees der KPR(B) 27. März [1922] / Lenin. – In: Werke, Band 33. – Berlin : Dietz Verlag, 1962. – p. 266 en 275).

27. Andrei Andrejewitsch Andrejew (1896-1971), kwam uit een boerenfamilie, werkte 1905-1911 als hulp in een restaurant in Moskou; in 1914 wordt hij lid van de Communistische Partij, in 1917-1919 vakbondsorganisator in de Oeral en Oekraïne, in 1920-1921 steunde hij Leo Trotski en Nicolaj Boecharin, vervolgens sloot hij zich bij Joseph Stalin aan, 1924-1925 secretaris van het Centraal Comité, 1946-1953 plaatsvervangend voorzitter van de ministerraad, lid van het Politbureau 1932-1952, vervolgens daarvan uitgesloten.

28. Montaan-industrie: kolen- en staalindustrie.

29. De volledige alinea, in iets andere vertaling:
“Zodra de maatschappij van de produktiemiddelen bezit neemt en ze rechtstreeks als maatschappelijk bezit voor de produktie aanwendt, wordt de arbeid van een elk, hoe verschillend haar specifiek nuttig karakter ook moge zijn, van den beginne af direct maatschappelijke arbeid. De in een produkt aanwezige hoeveelheid maatschappelijke arbeid behoeft dan niet eerst langs een omweg te worden vastgesteld, de dagelijkse ervaring toont rechtstreeks aan, hoeveel daarvan gemiddeld nodig is. De maatschappij kan eenvoudig berekenen, hoeveel arbeidsuren in een stoommachine, een hectoliter tarwe van de laatste oogst, in honderd vierkante meter laken van een bepaalde kwaliteit steken. Het kan dus niet bij haar opkomen, om de hoeveelheden in de produkten vastgelegde arbeid, die haar dan direct en absoluut bekend zijn, verder nog in een slechts relatieve, wisselvallige, ontoereikende, vroeger bij gebrek aan beter onvermijdelijke maat, in een derde produkt uit te drukken en niet in hun natuurlijke, met hun aard overeenkomende, absolute maatstaf, de tijd. Evenmin als het de scheikunde zou invallen om de atoomgewichten ook dan langs de omweg van het waterstofatoom relatief uit te drukken, zodra zij in staat zou zijn ze absoluut, in hun adequate, maat uit te drukken, en wel in werkelijk gewicht, in biljoenste of kwadriljoenste gram. De maatschappij kent dus onder bovengenoemde voorwaarden aan de producten ook geen waarde toe. Zij zal voor het eenvoudige feit, dat voor het maken van de honderd vierkante meter laken, zeggen wij, duizend arbeidsuren nodig zijn, niet de scheve en zinloze uitdrukking gebruiken, dat zij duizend arbeidsuren waard zouden zijn. Weliswaar zal de maatschappij ook dan moeten weten, hoeveel arbeid er voor het vervaardigen van ieder gebruiksvoorwerp nodig is. Zij zal het produktieplan moeten inrichten in overeenstemming met de produktiemiddelen, waartoe in het bijzonder ook de arbeidskrachten behoren. Het nuttig effect van de verschillende gebruiksvoorwerpen, aan elkaar en ten opzichte van de voor hun aanmaak nodige hoeveelheden arbeid gemeten, zal tenslotte het plan bepalen. De mensen doen alles heel eenvoudig af, zonder tussenkomst van de beroemde ‘waarde’.”
(Anti-Duhring. De Heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap / Friedrich Engels. – Moskou : Uitgeverij Progres, 1978. – 548 p. – p. 365-366, Derde deel, Socialisme, IV. De verdeling; MEW, Bd. 20, p. 288.)

30. Max Wirth (1822-1900), Duits journalist en econoom.

31. Cursief van de G.I.C; andere vertaling in uitgebreider context:
“Aangezien men in de economische politiek dol is op Robinsonades zullen wij eerst Robinson op zijn eiland te voorschijn laten komen. Bescheiden als hij van huis uit is, moet hij toch verschillende behoeften bevredigen en moet hij dus verschillende soorten nuttige arbeid verrichten: instrumenten maken, meubels produceren, lama's temmen, vissen, jagen, enzovoort. Over bidden en dergelijke spreken wij hier niet, aangezien onze Robinson daarin behagen schept en dergelijke bezigheden als ontspanning beschouwt. Ondanks de verscheidenheid van zijn productieve functies, weet hij dat deze slechts verschillende vormen van activiteit van dezelfde Robinson voorstellen, dus slechts verschillende soorten van menselijke arbeid zijn. De noodzaak dwingt hem zijn tijd nauwkeurig tussen de verschillende activiteiten te verdelen. Of de ene activiteit meer, de andere minder van het geheel van zijn bezigheden inneemt, is afhankelijk van de grotere of geringere moeite die met het bereiken van het beoogde nut-effect verbonden is. Hierbij is de ervaring zijn leermeester en onze Robinson, die bij zijn schipbreuk horloge, grootboek, inkt en pen heeft weten te redden, begint als echte Engelsman al spoedig over zichzelf te boekhouden. Zijn inventaris omvat een opgave van de gebruiksvoorwerpen, welke hij bezit; van de verschillende bezigheden, die voor de voortbrenging van die voorwerpen nodig zijn; en ten slotte van de arbeidstijd, die voor bepaalde hoeveelheden van deze verschillende producten gemiddeld nodig is. Alle betrekkingen tussen Robinson en de dingen, die de door hemzelf voortgebrachte rijkdom vormen, zijn hier zo eenvoudig en doorzichtig dat zelfs de heer M. Wirth hen zonder bijzondere geestesinspanning kan begrijpen. En toch bevatten deze betrekkingen alle wezenlijke determinanten van de waarde.”
“Laten we ons ten slotte, voor de verandering, een vereniging van vrije mensen voorstellen, die met gemeenschappelijke productiemiddelen werken en die hun veelsoortige individuele arbeidskrachten zelfbewust als een enkele maatschappelijke arbeidskracht besteden. Alle kenmerken van de arbeid van Robinson gelden ook hier, maar maatschappelijk en niet individueel.”
(Het Kapitaal / Karl Marx, vertaald door I. Lipschits. – Bussum : De Haan, 1976. – 604 p. – p. 34-36.)

32. Cursief van de G.I.C. Vollediger vertaling:
“Het geldkapitaal valt bij maatschappelijke productie weg. De samenleving verdeelt arbeidskracht en productiemiddelen in de verschillende bedrijfstakken. De producenten kunnen wat mij betreft een papieren wissel ontvangen, waarvoor ze aan de maatschappelijke productievoorraden een hoeveelheid onttrekken die overeenkomt met hun arbeidstijd. Deze wissels zijn geen geld. Ze circuleren niet.”
(Naar MEW, Bd. 24, p. 358).

33. Andere Nederlandse vertaling: Karl Marx, Kritiek op het program van Gotha, Amsterdam : Pegasus, Tweede verbeterde druk, 1972, p. 23 (eerste Nederlandstalige uitgave Amsterdam : Pegasus, 1935); MEW, Bd. 19, p. 20.

34. MEW, Bd. 24, p. 35.

35. “De waarde is een historisch begrip, slechts voor het tijdperk der warenproductie geldend; zij is een maatschappelijke verhouding.” (De economische theoriën van Karl Marx / Populair uiteengezet en toegelicht door Karl Kautsky. – Amsterdam : S.L. Van Looy, 1900. – 158 p. – p. 14).

36. Erich Horn.

37. Cursief van de G.I.C. Das Finanzkapital / Rudolf Hilferding. – Frankfurt : Europäische Verlagsanstalt, 1968. – 516 p. – p. 321-322 (eind van III. Abschnitt, 15. Kapitel).

38. Henryk Grossman (1881-1950), Pools-Duits econoom, stond dicht bij Karl Radek en Rosa Luxemburg, werd aan het eind van de Eerste Wereldoorlog lid van de Communistische Partij van Polen, moest in 1925 Polen verlaten, dan medewerker van het Instituut voor Sociale Geschiedenis in Frankfurt, in 1933 vluchtte hij naar New York waar hij geïsoleerd bleef; in 1949 aanvaardde hij een professoraat in politieke economie in Leipzig in Oost-Duitsland, overleed kort daarna in Kraków in Polen.

39. Iets andere vertaling:
“Wie, waar, hoeveel, met welke middelen uit de ter beschikking staande natuurlijke en kunstmatige productievoorwaarden nieuwe producten worden vervaardigd, beslist de Pater familias, ofwel de gemeentelijke, provinciale of nationale commissarissen van de socialistische samenleving, die de behoeften en hulpbronnen van de familie uit persoonlijke ervaring kent, dan wel met alle middelen een georganiseerde productie- en consumptiestatistiek van de maatschappelijke vereisten samenstelt, in bewust vooruitzicht het hele economische leven naar de behoeften van hun in hen bewust vertegenwoordigende en door hen bewust geleide gemeenschappen vorm geven.”
(Das Finanzkapital, t.a.p., p. 24).

40. Max Weber (1864-1920); Duits liberaal socioloog en econoom, vaak met Durkheim en Marx genoemd als grondlegger van de moderne sociale wetenschap; meest bekend voor zijn omstreden stelling dat het Calvinisme de kapitalistische economie ideologisch stimuleerde; had grote invloed op de “kritische theorie” van Theodor W. Adorno en Jürgen Habermas. Oorlogsvrijwilliger; na de eerste Wereldoorlog medeoprichter van de liberale Duitse Democratische Partij, parlementslid en adviseur voor het comité dat de grondwet van de Weimar-Republiek schreef. Max Weber, Economy and Society: An Outline of Interpretive Sociology, Guenther Roth and Claus Wittich, eds. (Berkeley, University of California Press, 1978), Vol. I, Chapter 2., section 12, p. 100-103.

41. Ludwig Heinrich Edler von Mises (1881-1973); Oostenrijk-Amerikaans liberaal econoom, historicus en filosoof. Socialism: An Economic and Sociological Analysis, 1922.

42. Herbert Block.

43. Otto Leichter (1897-1973), Oostenrijks sociaal-democratisch journalist.

44. Maurice Marie Victor Bourguin (1856-1910), Frans liberaal rechtsgeleerde. Des rapports entré Proudhon et Karl Marx, in: Revue d’économie politique, 1893, p. 177-207; La mesure de la valeur et la monnaie, Paris : L. Larose, 1896. – 276 p.; L’intensité de la crise agricole, Lille, 1898; De l’indemnité de plus-value au fermier sortant, in: Revue politique et parlementaire, n° 68, février 1900; De l’application des lois ouvrières aux ouvriers et employés de l’État, Paris, 1904; Les systèmes socialistes et l’évolution économique, Paris : A. Colin, 1904.

45. Ibidem, p. 366.

46. De G.I.C. kon nog niet gebruikmaken van: De economische organisatie van de revolutie ; Hoe wij leven en hoe wij zouden kunnen leven in Spanje / D.A. De Santillán. – Amsterdam : V.A.U, 1937. – 250 p., met een federalistisch-kapitalistische zelfbeheersformule.

47. De G.I.C. maakt geen duidelijk onderscheid tussen eigendom en bezit. De private eigendom verdwijnt, en er volgen geheel nieuwe rechtsverhoudingen. De overgangsstaat blijft de “samenleving”, de “gemeenschap” als geheel vertegenwoordigen. De arbeiders nemen de bedrijven in bezit, “in naam van de gemeenschap”, maar deze blijven in zekere zin eigendom van “de gemeenschap”, die als “rechtspersoon” vertegenwoordigd wordt door de overgangsstaat. Vandaar dat Friedrich Engels in 1878 schreef:

“Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt van de produktiemiddelen allereerst staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op en ook alle klassenverschillen en klassentegenstellingen , en daarmee ook de staat als staat.”
(Anti-Dühring ; De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap / Friedrich Engels. – Moskou : Uitgeverij Progres, 1978, Deel II, II. Theoretische kwesties, p. 331; MEW, Bd. 20, p. 261),

en tegelijk:

“In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van productieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af.”
(Ibidem, p. 331-332, MEW, ibidem, p. 262).

Dat wordt voorafgegaan door:

“De moderne staat, onder welke vorm ook, is een in wezen kapitalistisch werktuig, de staat van de kapitalisten, de ideële universele kapitalist. Hoe meer productiemiddelen hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist, des te meer staatburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven, zij wordt veeleer op de spits gedreven. Maar op de spits gedreven slaat zij om. De staatseigendom van de productiekrachten is niet de oplossing van het conflict, maar wel bergt hij het formele middel in zich, de mogelijkheid voor een oplossing.”
(Ibidem, p. 329, MEW, ibidem, p. 260).

Het “eigendomsrecht” van de overgangsstaat, na opheffing van loonarbeid, wordt louter formeel omdat er geen “privé”-eigendom meer is; niemand is er immers van uitgesloten, alles is “voor” iedereen en “van” niemand in het bijzonder; vandaar is de “staatsmacht” beperkt tot de gezamenlijke administratie (boekhouding en statistieken; maar boekhouders en statistici registreren alleen en beslissen niets) en “het leiden van productieprocessen” (wat afsterft), een beperking die pas mogelijk wordt na de vernietiging van de kapitalistische staat. Dit betekent, dat er nog steeds een belangenconflict kan en zal zijn tussen de overgangsstaat (die er toe neigt zichzelf te versterken in plaats van af te sterven) en de arbeidersraden.

48. Sébastien Faure (1858-1942), Franse anarchist sinds 1888; in 1914 verspreidt hij pacifistische en anti-militaristische vlugschriften waarin hij tot desertie oproept; in 1936 sluit hij zich aan bij de Durriti-colonne tijdens de Spaanse burgeroorlog.

49. Een vervolg op Sébastian Faure, La douleur universelle, 1895.

50. Paul Arthur Müller-Lehning (1899-2000), Nederlands publicist, anarchist en vertaler, studeerde economie en geschiedenis; in 1927-1929 publiceerde hij het tijdschrfit “i10”; in 1935 behoorde hij tot de oprichters van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.

51. “Binnen de coöperatieve, op gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen gegrondveste maatschappij ruilen de producenten hun producten niet; evenmin treedt hier de aan de producten bestede arbeid op als waarde van deze producten, als een zakelijke eigenschap die zij bezitten, omdat nu, in tegenstelling tot de kapitalistische maatschappij, de individuele arbeid niet meer langs een omweg, maar rechtstreeks bestanddeel van de totale arbeid is. De woorden ‘opbrengst van de arbeid’, ook nu om hun dubbelzinnigheid verwerpelijk, verliezen zo alle betekenis.” (Karl Marx, Kritiek op het program van Gotha, t.a.p., p. 23).

52. “Hier heerst schijnbaar hetzelfde principe dat de warenruil regelt, voor zover het een ruil van gelijkwaardige zaken is. Inhoud en vorm zijn veranderd, omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets kan geven behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niet in het eigendom van afzonderlijke personen kan overgaan dan individuele consumptiemiddelen. Wat echter de verdeling van deze laatste onder de afzonderlijke producenten betreft, daar heerst hetzelfde principe als bij de ruil van waren-equivalenten, dezelfde hoeveelheid arbeid in de ene vorm wordt tegen dezelfde hoeveelheid arbeid in een andere vorm geruild.” (Karl Marx, Kritiek op het program van Gotha, t.a.p., p. 23-24).

53. Friedrich Pollock (1894-1970), Duits sociaal wetenschapper en filosoof, met Felix Weil oprichter van het Instituut voor Sociaal Onderzoek in Frankfurt am Main en maakte deel uit van de “Frankfurter Schüle”; in 1933 naar de Verenigde Staten, in 1950 terug in Frankfurt. Die planwirtschaftlichen Versuche in der Sowjetunion 1917-1927, Leipzig, C. L. Hirschfeld, 1929. – xii, 411 p. (herdruk: Frankfurt am Main : Verlag Neue Kritik, 1971); Engelstalig: Attempts at Planned Economy in the Soviet Union 1917-1927, Leipzig, 1929.

54. Zie voor een discussie hierover de nooit vertaalde brochure “Maar hoe dan?” van Daad en Gedachte (1973).

55. “Wat zijn nu de productiekosten van de arbeidskracht?
Dat zijn de kosten die nodig zijn om de arbeider als arbeider in stand te houden en om hem tot arbeider op te leiden.

Hoe minder opleidingstijd een arbeid dus vereist, des te geringer zijn de productiekosten van de arbeider, des te lager is de prijs van zijn arbeid, zijn arbeidsloon. In de takken van industrie waar bijna geen leertijd nodig is en het fysieke bestaan van de arbeider op zichzelf voldoende is, beperken de voor zijn voortbrenging noodzakelijke productiekosten zich bijna geheel tot de waren die nodig zijn om hem in leven en in staat om te werken te houden. De prijs van zijn arbeid zal dus worden bepaald door de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen.
Er komt intussen nog een andere overweging bij. De fabrikant, die zijn productiekosten en daarnaar de prijs van de producten berekent, brengt de slijtage van de werktuigen in rekening. Kost hem een machine b.v. 1000 mark en verslijt deze machine in tien jaar, dan berekent hij bij de prijs van de waar 100 mark per jaar om na 10 jaar de versleten machine door een nieuwe te kunnen vervangen. Op dezelfde wijze moeten in de productiekosten van de enkele arbeidskracht de voortplantingskosten meegerekend worden, waardoor het arbeidersras in staat wordt gesteld zich te vermeerderen en versleten arbeiders door nieuwe te vervangen. Het verslijten van de arbeider wordt dus op dezelfde wijze in rekening gebracht als de slijtage van de machine.
De produktiekosten van de enkele arbeidskracht zijn dus gelijk aan de bestaans- en voortplantingskosten van de arbeider. De prijs van deze bestaans- en voortplantingskosten vormt het arbeidsloon. Het zo bepaalde arbeidsloon wordt het minimum van het arbeidsloon genoemd. Dit minimum van het arbeidsloon geldt, evenals de prijsbepaling van de waren in het algemeen door de productiekosten, niet voor elke afzonderlijke persoon, maar voor de gehele klasse. Enkele arbeiders, miljoenen arbeiders, krijgen niet genoeg om te kunnen bestaan en zich te kunnen voortplanten; maar het arbeidsloon van de gehele arbeidersklasse nivelleert zich binnen de schommelingen daarvan tot dit minimum.” (Karl Marx, Loonarbeid en kapitaal. – Zesde druk. – Amsterdam : Pegasus, 1974. – 80 p. – p. 32-33).

56. Het idee volgt logisch uit de arbeidswaardeleer en werd al ontwikkeld door de utopist Robert Owen (1771-1858), sociaal hervormer uit Wales, die door Marx in verdediging werd genomen tegen andere utopisten die “arbeidsgeld” op grondslag van de warenproductie wilden invoeren:
“Hier merk ik nog bij op dat bijvoorbeeld het ‘arbeidsgeld’ van Owen evenmin geld is als een schouwburgkaartje. Owen veronderstelt onmiddellijke deelgenootschap van de arbeid, een productievorm, die lijnrecht tegenover de warenproductie staat. Het arbeidscertificaat stelt slechts het individuele aandeel vast van de producent in de gemeenschappelijke arbeid en zijn individuele aanspraak op het voor de consumptie bestemde gedeelte van het gemeenschappelijke product. Maar het valt Owen niet op dat hij, enerzijds, de warenproductie veronderstelt en desondanks, anderzijds, de noodzakelijke voorwaarden daarvan door geknutsel met geld tracht te ontlopen.”
(Karl Marx, Het Kapitaal, Deel I, t.a.p., p. 48-49; MEW, Bd. 23, p. 109-110).

58. Er stond: “tussen”.

59. “De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de productie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de productie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de productie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl ” (De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat /Friedrich Engels. – Vierde druk. – Amsterdam : Pegasus, 1976.– 255 p. – p. 213). Een eerste slechte vertaling werd gemaakt door Frank van der Goes; in 1909 werd de vertaling geheel herzien onder leiding van Anton Pannekoek; de gewijzigde derde druk verscheen zonder verwijzing naar Frank van der Goes of Anton Pannekoek.

61. Grigori Zinovjev (1882-1936), Russisch revolutionair; lid van de RSDAP sinds 1901, in 1903 bolsjewiek, werkte samen met Lenin in Zwitserland en keerde tussen de Februari- en Octoberrevolutie van 1917 terug naar Sint-Petersburg, alwaar hij partijsecretaris werd; in 1919 voorzitter van de Comintern en het Politbureau; vormde met Stalin en Kamenev een coalitie tegen Trotski, in 1925 met Kamenjev en Trotski tegen Stalin, en tegen de ‘Rechtse’ Oppositie van Boecharin, Tomski en Rykov. De Linkse ofwel Verenigde Oppositie werd in 1926 verslagen en Zinovjev belande in de gevangenis; in 1936 werd hij in een schijnproces veroordeeld en geëxecuteerd.

63. “omdat onder de veranderde omstandigheden niemand iets kan geven behalve zijn arbeid en omdat anderzijds niets in het eigendom van afzonderlijke personen kan overgaan dan individuele consumptiemiddelen.” (Marx, Kritiek op het program van Gotha, t.a.p., blz. 24).

64. “Hier heerst blijkbaar hetzelfde principe dat de warenruil regelt, voor zover het een ruil van gelijkwaardige zaken is. Inhoud en vorm zijn veranderd […].” (Marx, Kritiek op het program van Gotha, t.a.p., blz. 23-24). Het citaat uit de vorige noot volgt hierop.

65. MEW, Bd. 26.2, p. 567.

67. MEW, Bd. 24, p. 316-317.

68. Alexander Kerensky (1881-1970), Russisch jurist, in 1912 in de Doema (het parlement) gekozen als lid van de Trudiviks, een gematigde arbeiderspartij; tijdens de Februari-revolutie gekozen als vice-voorzitter van de Sovjet van Petrograd en tegelijk minister van justitie in de voorlopige regering, wat niettemin door de Sovjet verboden werd. Later minister van oorlog in de socialistisch-liberale regering waarin hij op voortzetting van de oorlog aandrong; volgde Prins Lvov op als eerste minister; de regering werd omver geworpen in de Oktober-revolutie; hij ontsnapte en vluchtte naar Frankrijk, en in 1940 naar de Verenigde Staten waar hij les gaf in Russische geschiedenis en politiek.

70. Sint-Petersburg, in 1703 gesticht door tsaar Peter de Grote; in 1918 als Russische hoofdstad vervangen door Moskou; van 1924 tot 1991 Leningrad genaamd.

71. Matvej Ivanovič Skobolev (1885-1938).

72. Het feit (van 30 mei) is ook de vinden in: Tony Cliff, Lenin 2, Chapter 12, Lenin and Workers’ Control, section The Rise of Factory Committees en in: Amosov et al. (1927) Oktiabrskaia Revoliutsiia i Fazavkomy, vol. 1, p. 83. (uitgegeven te Moskou), zie daarvoor: Wikipedia, Engelstalig, lemma Workers Coucils: “Despite Lenin's declarations that “the workers must demand the immediate establishment of genuine control, to be exercized by the workers themselves”, on May 30, the Menshevik minister of labor, Skobolev, pledged to not give the control of industry to the workers but instead to the state: “The transfer of enterprises into the hands of the people will not at the present time assist the revolution […] The regulation and control of industry is not a matter for a particular class. It is a task for the state. Upon the individual class, especially the working class, lies the responsibility for helping the state in its organizational work.”

73. Het is pas uitgegeven ná die “staatsgreep”.

74. “Maar de arbeidersklasse kan de bestaande staatsmachine niet eenvoudig in bezit nemen en ze voor haar eigen doeleinden in beweging zetten.” De burgeroorlog in Frankrijk  Karl Marx. – Tweede verbeterde en vermeerderde druk. – Amsterdam : Pegasus,, 1971, p. 75. “[De Commune] moest werkelijkheid worden door de vernietiging van die staatsmacht” (p. 81), “Zo werd deze nieuwe Commune, die de moderne staatsmacht breekt […]” (ibidem). MEW, Bd. 17, p. 336 en 340.

75. Deze opvatting van “energieën van de massa’s” die “tot ontlading” moeten komen heeft weinig gemeen met de “vitalistische” ideologie van Arthur Schopenhauer of de “psychoanalyse”, volgens welke onze “biologische driften” (overleving en voortplanting) geheel bepalend voor ons zouden zijn.

76. Karl Radek (pseudoniem van Karol Sobelsohn, 1885-1939), revolutionair sinds 1904, nam deel aan de revolutie in Warschau (Polen) in 1905; in 1907 naar Duitsland, waar hij lid werd van de S.P.D.; buitengesloten in 1913, vervolgens ging naar Zwitserland waar hij een tussenpersoon was voor de “Bremer Linke” (waaronder Anton Pannekoek) en Lenin; hij vertrok met Lenin in de “verzegelde trein” naar Petrograd na de Februarirevolutie in Rusland, vertrok vervolgens naar Zweden en Duitsland, in 1919 in Duitsland betrokken bij de Spartacusopstand, vervolgens gevangen; in 1920 terug in de Sowjet-Unie, lid van het Centrale Comité en secretaris van de Comintern; in 1927 uitgesloten vanwege zijn steun aan de Linkse Oppositie rond Trotski, in 1930 gerehabiliteerd, in 1936 viel hij ten prooi aan de grote zuiveringen; in 1939 werd hij vermoord in een werkkamp.

77. Nikolaj Ivanovič Boecharin (1888-1938), russisch revolutionair, econoom en filosoof, deelnemer aan de revoluties van 1905 en 1917; Bolsjewiek sinds 1906, in 1911 gedeporteerd, vlucht vervolgens naar Duitsland en reist door Europa en Amerika, in maart 1917 terug in Rusland en lid van het Centrale Comité, steunde de Nieuwe Economische Politiek, na het overlijden van Lenin lid van het Politbureau, hij steunde Stalin in de theorie van het socialisme in één land, in 1926 voorzitter van de Communistische Internationale, sinds 1928 in de oppositie, voor spionage ter dood veroordeeld en geëxecuteerd na een showproces.

78. Yuri Larin (1882-1932), soviet econoom en publicist, in 1904 mensjewiek, in&nbs1917 Bolsjewiek, was aanwezig bij de vredesbesprekingen van Brest-Litovsk en Genua; na 1923 actief met betrekking tot het joodse vraagstuk in de Sowjet-Unie; zijn dochter trouwde Nicolaj Boecharin.

79. Lev Natanovich Kritzman (1890-1938); Russisch econoom en landbouwexpert, Mensjewiek in 1905, na lange ballingschap in 1918 terug in Rusland en lid van de partij van de Bolsjewiki. Na de invoering van de Nieuwe Economische Politiek bleef hij met Yuri Larin, Leon Trotsky, en Yevgeny Preobrazhensky uitbreiding van de staatsplanning verdedigen. Overleed in de gevangenis. Geroichesky period velikoi russkoi revolyutsy, Moskou, 1925 (De heroïsche periode van de Grote Russische Revolutie).

80. Arthur Rosenberg (1889-1943); Duits historicus; in 1918 lid van de U.S.P.D., in 1920-1927 van de K.P.D., 1924-1928 lid van de Reichstag; in 1933 naar Zwitserland, in 1934 naar Engeland en in 1937 naar New York.

81. Mikhail Tomsky (1880-1936), fabrieksarbeider, vakbondsaktivist, in 1904 lid van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, en vervolgens Bolsjewiek, nam deel aan de revolutie van 1905; gearresteerd in 1908 en vervolgens in ballingschap in Frankrijk ging hij in 1909 naar Rusland terug waar hij vijf jaar dwangarbeid kreeg opgelegd. Bevrijd in februari 1917 ging hij naar Moskou waar hij deelnam aan de Oktoberrevolutie. In 1920 werd hij algemeen secretaris van de Rode Vakverenigingsinternationale van en in april 1922 lid van het Centrale Comité van de Communistische Partij. Bondgenoot van Nikolaj Boecharin en Alexey Rykov hielp hij de Linkse Oppositie te bestrijden om in 1928 in diskrediet te raken en in 1936 zelfmoord te plegen.

82. Waarschijnlijk door de G.I.C. uit het Duits vertaald. De burgeroorlog in Frankrijk / Karl Marx. – Tweede verbeterde en vermeerderde druk. – Amsterdam : Uitgeverij Pegasus, 1971. – p. ? (Eerste druk 1936).

83. Fünf Jahre russischer Revolution und die Perspectiven der Weltrevolution. Referat auf dem IV. Kongress der Komintern 13. November 1922 / Lenin. – In: Werke, Bd. 33, p. 414.

84. Taylorisme, systeem van “wetenschappelijk” beheer van productieprocessen gericht op maximale arbeidsproductiviteit, genoemd naar Frederick Winslow Taylor (1856-1915), raakte grotendeels in onbruik in de jaren 1930 met de opkomst van het Fordisme. In Rusland werd het Taylorisme verdedigd door Aleksej Gastev met steun van Vladimir Lenin en Leon Trotski; ook het Fordisme werd er ingevoerd; modelarbeiders die productienormen vrijwillig overschreden werden sinds 1935 Stachanovisten genoemd, naar de alle records brekende mijnwerker Aleksej Grigorjevitsj Stachanov (1906-1977).

85. G.I.C bij vergissing: “onder”.

88. George Douglas Howard Cole (1889-1959), Engels politiek theoreticus, econoom en geschiedkundige; dienstweigeraar in 1914, libertair socialist en lid van de Fabian Society; publiceerde onder andere in The New Statesman.

89. Een Socialisatierapport werd in 1920 uitgegeven door de S.D.A.P.

90. De data volgens de moderne tijdrekening, toen 12 dagen later dan de Russische Juliaanse kalender, vandaar dat de Oktoberrevolutie in november begon.

91. Georgi Pjatakov (1890-1937), in zijn jeugd anarchist en terrorist, in 1910 Bolsjewiek, verbannen naar Irkoetsk, vlucht via Japan naar Zwitserland; in 1916 uitgewezen naar Oslo, na de Februarirevolutie terug in Kiev vanwaar hij de Oktoberrevolutie in de Oekraïne leidde, in 1917 benoemd tot hoofd van de staatsbank, treedt terug wegens de vredesbesprekingen met Duitsland tijdens Brest-Litovsk en keert terug naar Kiev waar hij de rode troepen leidt, verantwoordelijk voor vele executies van tsaristische officieren, na de burgeroorlog betrokken bij het opzetten van een planeconomie; verzet zich vervolgens tegen de Nieuwe Economische Politiek en sluit zich later aan bij Trotski’s oppositie, in 1927 uit de partij gestoten, maar na spijtbetuigingen weer toegelaten, vervolgens voorzitter van de Gosbank en 1930-1936 lid van het Centraal Comité, in 1937 tijdens het tweede showproces ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

92. Verbeterd van 1918.

93. Narcomprod was een staatsinstelling, later ook Gossnab genaamd, die de toelevering aan bedrijven en de voedselbevoorrading moest verzekeren. De naam is een van de in Rusland toen veel gebruikte woordsamentrekkingen, van Narodny Commissariat Prodovolstvija, ofwel Volkscommissariaat (een ministerie) voor Voedselbevoorrading.

94. Sovchoz, samentrekking van Sovetskoje chozjajstvo, ofwel sovjetboerderij; een staatsboerderij met loonarbeiders in dienst. Kolchoz, samentrekking van Kollektivnoje chozjajstvo, ofwel collectieve huishouding; de boerderijen waren eigendom van groepen samenwerkende boeren en van de staat en de boeren deelden in de winst; ze mochten bovendien land behouden voor privé-verbruik, en dieren en hun eigen huis bezitten; een kolchoz moest jaarlijks een percentage van de productie afstaan tegen een door de staat vastgestelde prijs. Sovchozen en Kolchozen waren middelen in de strijd tegen de “koelakken”, de min of meer welgestelde boeren.

95. Entente: andere naam voor de Geallieerden van de Eerste Wereldoorlog: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, het Russische Rijk, België Servië, Italië, Griekenland en Roemenië, waarbij de Verenigde Staten zich aansloten.

96. In maart 1921 brak in de marinehaven Kronstadt bij Petrograd opstand uit onder de matrozen van de Rode Vloot waarbij een nieuwe grondwetgevende vergadering werd geëist en er een poging werd ondernomen om de rol van de arbeiders- en soldatenraden te herstellen; de opstand werd bloedig neergeslagen door de Bolsjewiki.

97. Maurice Dobb (1900-1976), Brits neo-klassiek econoom, sinds 1920 lid van de Communistische Partij.


© Hoewel de Communistische Linkerzijde in het algemeen afzag van het opeisen van kopierechten of rechten op “intellectueel eigendom” kunnen sommige publicaties onder dat recht vallen; mocht dat het geval zijn, dan is het gebruik alleen gratis voor persoonlijke raadpleging. Materiaal vrij van kopierechten, uitsluitend op voorwaarde van niet commercieel gebruik, kan vrij worden verspreid. Een verwijzing naar deze bron wordt op prijs gesteld, net als een verwittiging. Aangaande handelsgebruik kunt u contact met ons opnemen.


Compiled by Vico, 29 April 2016, latest additions 3 May 2016